James Hogg

De wachter, die post hield op den heuvel en het oog naar Birman gericht

had, moet waarschijnlijk gedacht hebben dat hij droomde, toen hij de

eerste beweging van ’t noodlottig boschje gadesloeg, dat tegen Dunsiane

begon op te rukken [34]. Even zoo ging het den ouden Caxon, toen hij,

op de rotspunt in zijne hut gezeten, zijne gedachten liet gaan over het

naderend huwelijk van zijne dochter, en over de eer van den schoonvader

van den luitenant Taffril te worden, en dus niet weinig verwonderd was,

toen hij, toevallig een blik slaande op de baak waarnaar hij de zijne

regelen moest, een licht in die richting ontdekte. Hij wreef zich de

oogen, keek op nieuw, en regelde zijne waarneming naar een kruisstok,

die op het eigenlijke punt gericht was. Nu vergrootte zich het licht

voor zijne oogen, gelijk eene komeet voor die van den sterrekundige, en

hij zag het „met vrees voor de ontroering der volkeren.”

„De Heere beware ons!” zeide Caxon, „wat nu gedaan? – Maar er zullen

wijzere hoofden zijn dan het mijne, om daarvoor te zorgen; ik zal het

baakvuur maar aansteken.”

Hij stak de baak in vlam, die een langen golvenden lichtstroom ten

hemel zond, welke de zeevogels uit hunne nesten dreef en teruggekaatst

werd door de golven. De ambtgenooten van Caxon, even waakzaam als hij,

zagen en beantwoordden het gegeven teeken. Het licht schitterde op

voorgebergten, rotsen en binnenlandsche heuvels, en het geheele

distrikt werd verontrust door het alarmteeken van den inval [35].

Onze oudheidkenner, het hoofd gehuld in twee dubbele slaapmutsen,

genoot vreedzaam zijne rust, toen die eensklaps gestoord werd door het

schreeuwen van zijne zuster, van zijne nicht en van de twee meiden.

„Wat drommel is er te doen?” vroeg hij, zich in het bed oprichtende; –

„vrouwvolk in mijne kamer op dit uur van den nacht! – zijt gij allen

dol?”

„De baak, oom!” riep Mary M’Intyre.

„De Franschen, die ons komen vermoorden!” schreeuwde Grizelda.

„De baak, de baak! – de Franschen, de Franschen! – moord, moord – en

erger dan moord!” gilden de twee meiden, als het koor in eene opera.

„De Franschen!” riep Oldbuck, opspringende, – „gaat de kamer uit,

vrouwvolk daar gij zijt, tot ik mijne plunje aangedaan heb, – en, hoor

je, brengt mij mijn zwaard!”

„Welk zwaard, Monkbarns?” riep zijne zuster, hem een kort Romeinsch

zwaard van geel koper met de eene hand, en met de andere eene kling van

Andrea Ferrara zonder gevest aanbiedende.

„Het langste, het langste!” schreeuwde Jenny Rintherout, een slagzwaard

uit de twaalfde eeuw binnen slepende.

„Vrouwen!” zeide Oldbuck zelf zeer ontroerend, „blijft bedaard, en

geeft u niet over aan ijdelen schrik! – Zijt gij zeker, dat zij komen?”

„Zeker! – zeker!” riep Jenny uit; – „maar al te zeker! – De zeemacht en

de landmacht, de vrijwilligers en de landstorm zijn op de been en

haasten zich naar Fairport, zoo hard als man en paard maar loopen

kunnen, – en de oude Mucklebackit is ook meê; – hij zal veel helpen! –

O! hij zal gemist worden, die arme Steven, die koning en land zoo goed

zou gediend hebben!”

„Geef mij,” zeide Oldbuck, „den degen, dien mijn vader in het jaar

vijfenveertig droeg; – er is geen draagband of bandelier meer aan; maar

wij zullen er wat op vinden.”

Met deze woorden stak hij het wapen door de klep van zijn rokzak. Op

dit oogenblik trad Hector binnen, die op de naburige hoogten was gaan

onderzoeken of het alarmteeken wezenlijk gegeven was.

„Waar zijn uwe wapens, neef?” riep hem Oldbuck toe. – „Waar is uw

jachtgeweer met de twee loopen, dat nooit uit uwe handen was, zoolang

men diergelijke dingen niet noodig had?”

„Bah, bah, oom!” antwoordde Hector, „wie nam ooit een jachtgeweer meê

in het gevecht? – Gij ziet, ik heb mijn uniform aangetrokken. – Ik hoop

dat ik van meer nut zal zijn, als men mij een commando geven wil, dan

ik met tien dubbele loopen zou kunnen wezen. – En gij, oom, moet naar

Fairport gaan om bevelen te geven voor de inkwartiering en het

onderhoud der manschappen en paarden, ten einde alle verwarring te

voorkomen.”

„Gij hebt gelijk, Hector! – ik geloof, dat ik ook wel zoo veel met mijn

hoofd als met mijn arm zal doen. – Maar daar komt Sir Arthur Wardour,

die, onder ons gezegd, niet geschikt is, om op eenige wijze veel te

verrichten.”

Sir Arthur was waarschijnlijk van een ander gevoelen, want hij was mede

op weg naar Fairport, uitgedost in zijn officieel kostuum, en meldde

zich, in het voorbijrijden, bij den heer Oldbuck aan, om hem af te

halen, daar de gebeurtenissen der laatste dagen hem bevestigd hadden in

zijne meening omtrent diens doorzicht. En, niettegenstaande het bidden

der vrouwen dat de oudheidkenner tot hare bescherming op Monkbarns zou

blijven, nam de heer Oldbuck, met zijn neef, het verzoek van Sir Arthur

dadelijk aan.

Alleen zij, die dergelijke tooneelen hebben bijgewoond, kunnen zich een

denkbeeld maken van de verwarring, die te Fairport heerschte. De

vensters schitterden met honderden lichten, die, nu eens schijnende en

dan weêr snel verdwijnende, de drukte binnen in huis aanduidden. De

vrouwen der lagere volksklasse verzamelden zich schreeuwende op de

straat. De mannen van den landstorm, die uit hunne verschillende

woonplaatsen aankwamen snellen, galoppeerden door de straten, òf

alleen, òf in troepjes van vijf of zes, zoo als zij elkander op weg

ontmoet hadden. De trommels en fluiten der vrijwilligers werden

afgewisseld door de stemmen der officieren, den klank der horens, en

het gelui der klokken van de kerktorens. De schepen in de haven waren

verlicht, en de booten der gewapende vaartuigen vermeerderden de drukte

door het landen van manschappen en geweren, om de plaats te helpen

verdedigen. Taffril bestierde ijverig dit gedeelte der toebereidselen.

Twee of drie der kleinere vaartuigen hadden reeds het anker gelicht en

staken in zee, om den naderenden vijand te bespieden.

Zoodanig was de algemeene verwarring, toen Sir Arthur Wardour, Oldbuck

en Hector zich met moeite een weg baanden naar het plein, waarop het

stadhuis zich bevond. Het was verlicht, en de raad en vele der naburige

landedellieden waren vergaderd. En ook nu, even als bij andere

soortgelijke gelegenheden in Schotland, bleek ten duidelijkste, hoezeer

het gezond verstand en het vaste karakter van het volk het gebrek aan

ondervinding vergoedden. De regeeringsleden waren omgeven van de

kwartiermeesters der onderscheidene korpsen, die biljetten voor hunne

manschappen en paarden verlangden.

„Laten wij,” zei de Baljuw Littlejohn, „de paarden in onze magazijnen

en de manschappen in onze huiskamers opnemen, – onzen maaltijd met de

manschappen, en onze fourage met de paarden deelen. Wij zijn rijk

geworden onder een vrij en vaderlijk bestuur, en nu is het tijd te

toonen, dat wij het naar waarde weten te schatten.”

Luid en blijmoedig stemden alle aanwezigen hiermede in, en het vermogen

der rijken, zoowel als de persoonlijke diensten van allen werden

eenparig ter verdediging van het vaderland aangeboden.

Kapitein M’Intyre strekte bij deze gelegenheid het voorzittend

regeeringslid tot krijgskundigen raadsman en adjudant, en legde eene

tegenwoordigheid van geest en eene kennis van zaken aan den dag, waarop

zijn oom volstrekt niet gerekend had, en die, zich zijne gewone

insouciance en drift herinnerende, hem van tijd tot tijd met

verwondering aankeek, toen hij de kalme en bedaarde wijze opmerkte,

waarop zijn neef de verschillende maatregelen van voorzorg ontwikkelde,

die hem zijne ondervinding aan de hand bood, terwijl hij de bevelen gaf

om ze in gereedheid te brengen. Hij vond de verschillende korpsen,

hunne vreemdsoortige bestanddeelen in aanmerking genomen, in goede

orde, zeer talrijk, vol zelfvertrouwen en met den meesten moed bezield.

En de krijgskunde had, in dit oogenblik, zoodanig het overwicht op alle

andere aanspraken ter onderscheiding, dat zelfs de oude Adam, wel verre

van als Diogenes te Sinope aan het rollen van zijne ton overgelaten te

blijven, terwijl allen om hem heen zich ter verdediging voorbereidden,

last kreeg, om het uitdeelen van de ammunitie te bestieren, wat hij ook

met veel oordeel deed.

Men zag nu nog met het meeste ongeduld twee zeer gewichtige

gebeurtenissen te gemoet, – namelijk het opkomen van de Glenallansche

vrijwilligers, welke, uit aanmerking van het aanzien dier familie, een

afzonderlijk korps uitmaakten, – en de aankomst van den aangekondigden

officier, aan wien de maatregelen ter verdediging van deze kust door

den opperbevelhebber waren toevertrouwd, en die alzoo bevoegd zou zijn,

om het bevel over de gewapende macht op zich te nemen.

Weldra hoorde men het horenmuziek van de Glenallansche vrijwilligers,

en de graaf zelf verscheen, tot groote verwondering van allen, die

zijne gewoonten en den staat van zijne gezondheid kenden, in uniform

aan hun hoofd. Het was een zeer schoon en goed bereden eskadron, geheel

samengesteld uit pachters uit de Laaglanden, en zij werden gevolgd door

een bataljon van vijfhonderd man, die hij uit de valleien der

Hooglanden had samengebracht, volkomen op de Bergschotsche krijgswijze

uitgerust, onder het geluid hunner doedelzakken aanrukkende. De flinke

en krijgshaftige houding van deze leenmannen trok de bewondering van

Kapitein M’Intyre tot zich; maar zijn oom was nog meer getroffen door

de wijze, waarop, in dit hachelijke oogenblik, de oude krijgsmansgeest

van het huis Glenallan den graaf, hun aanvoerder, scheen te bezielen,

en aan zijn verzwakt gestel nieuwe kracht te geven. Hij verzocht en

verkreeg voor zich en zijne volgelingen den post, die naar alle

waarschijnlijkheid het eerst bedreigd zou worden, legde eene groote

vlugheid aan den dag in het nemen van de noodige beschikkingen, en

betoonde geen minder doorzicht in het beramen der middelen, die nog

genomen moesten worden. Onder deze krijgstoerustingen brak de

morgenstond te Fairport aan, terwijl allen steeds ijverig bezig waren

met de noodige voorzorgen voor de verdediging.

Eindelijk ging er een kreet onder het volk op: „Daar komt de dappere

Majoor Neville aan, met nog een anderen officier!” en een reiswagen,

met vier paarden bespannen, kwam het stadhuisplein oprijden te midden

van de hoezee’s der vrijwilligers en inwoners. De overheidspersonen,

met de assessoren, snelden naar de deur van het stadhuis, om hen te

ontvangen; maar hoe groot was de verwondering van allen, en vooral van

den oudheidkenner, toen zij, onder de rijke uniform en den

krijgsmanshoed, den persoon en de gelaatstrekken van den vreedzamen

Lovel bespeurden! Eene hartelijke omhelzing en een warme handdruk

moesten hem verzekeren, dat hij zich niet vergist had. Sir Arthur was

niet minder verwonderd om zijn zoon, den kapitein Wardour, te herkennen

in Lovel’s of liever in Majoor Neville’s gezelschap. De eerste woorden

der jonge officieren waren eene stellige verzekering aan alle

aanwezigen, dat de moed en de ijver, die zij aan den dag gelegd hadden,

geheel overtollig geweest waren, en dat ze slechts dienden, om een

bewijs op te leveren van hunne vaderlandsliefde en waakzaamheid.

„De wachter op Halket-head,” zeide Majoor Neville, „was, zoo als wij

bij nader onderzoek op onzen weg herwaarts ontdekt hebben, zeer

natuurlijk misleid geweest door een vreugdevuur, dat eenige leêgloopers

op den heuvel boven Glenwithershins aangestoken hadden, juist in de

lijn van de baak, waarmede de zijne in verband stond.”

Oldbuck gaf Sir Arthur een verlegen wenk, welken deze met een

dergelijken blik en een schouderophalen beantwoordde.

„Het moeten de werktuigen geweest zijn, die wij in onze gramschap tot

de vlammen veroordeelden,” zei de oudheidkenner, moed vattende,

ofschoon een weinig beschaamd, dat hij zoo veel onrust veroorzaakt had.

– „De duivel hale Dousterswivel! ik geloof, dat hij ons een legaat van

domme streken en onheil vermaakt heeft, en dat hij bij zijn afscheid

nog een vuurwerk afgestoken heeft. – Het zal mij benieuwen, welke

voetzoeker ons nu tusschen de beenen zal losgaan. – Maar daar komt de

voorzichtige Caxon. – Houd het hoofd op, ezel! uwe meerderen moeten uwe

schande dragen. – En hier, neem dit ding, – hoe noemt gij het?” – (hem

zijn degen gevende) – „ik weet niet, wat ik gisteren zou geantwoord

hebben, als mij iemand gezegd had, dat ik zoo iets zou aangorden!”

Op dit oogenblik gevoelde hij zich zacht bij den arm getrokken door

Lord Glenallan, die hem in een afzonderlijk vertrek bracht. „Om Gods

wil! wie is die jonge man, die zoo volmaakt gelijkt, –”

„Op de ongelukkige Eveline!” viel hem Oldbuck in de rede. „Mijn hart

voelde zich tot hem aangetrokken op het eerste oogenblik, en gij brengt

mij nu op de ware reden.”

„Maar wie, – wie is hij?” vervolgde Lord Glenallan, den oudheidkenner

krampachtig bij den arm houdende.

„Vroeger zoude ik hem Lovel genoemd hebben; maar nu komt het uit, dat

hij de Majoor Neville is.”

„Dien mijn broeder grootbracht als zijn natuurlijken zoon, – dien hij

tot zijn erfgenaam maakte. – Goede Hemel! het kind van mijne Eveline!”

„Bedaard, Milord! – bedaard!” zeide Oldbuck, „geef u niet te voorbarig

aan dit vermoeden over; – welke waarschijnlijkheid is daarvoor?”

„Waarschijnlijkheid? neen! er is zekerheid! stellige zekerheid! De

rentmeester, van wien ik u sprak, schreef mij de geheele geschiedenis.

– Gisteren ontving ik den brief; – niet eerder. – Breng hem, om Gods

wil, bij mij, opdat het oog van een vader hem zegene, eer ik deze

wereld verlaat!”

„Ik zal het doen; maar om uw en zijnentwil, vergun hem eenige weinige

minuten ter voorbereiding.”

En besloten, om de zaak nog nader te onderzoeken eer hij ze als zeker

aannam, zocht hij den Majoor Neville op, en vond hem bezig met het

nemen der noodige maatregelen, om de verzamelde krijgsmacht uiteen te

doen gaan.

„Als ik u verzoeken mag, Majoor Neville, laat dit werk een oogenblik

over aan kapitein Wardour en aan Hector, met wien ik hoop, dat gij

geheel en al verzoend zijt,” (Neville lachte en de heeren gaven

elkander de hand) „en vergun mij een oogenblik gehoor!”

„Gij hebt recht op mij, mijnheer Oldbuck, al waren mijne bezigheden nog

veel dringender dan ze zijn,” antwoordde Neville, „daar ik uw huis

onder een vreemden naam bezocht, en uwe gastvrijheid beloonde met uw

neef te beleedigen.”

„Gij hebt hem behandeld zoo als hij verdiende,” zeide Oldbuck,

„ofschoon hij heden even veel gezond verstand als moed aan den dag

gelegd heeft. Wel! als hij terug wilde komen op hetgeen hij geleerd

heeft, en Caesar en Polybius en de Stratagemata Polyaeni lezen, geloof

ik, dat hij in den dienst vooruit zou komen, en ik zou hem zeker een

handje helpen.”

„Hij verdient dat in alle opzichten,” antwoordde Neville; „en ik ben

verheugd, dat gij mij vergeeft, – wat gij te gereeder zult doen, als ik

u zeg, dat ik het ongeluk heb van niet meer recht te hebben op den naam

van Neville, onder welken ik algemeen bekend ben, dan op dien van

Lovel, waaronder gij mij leerdet kennen.”

„Inderdaad! dan vertrouw ik, dat wij er een zullen vinden, waarop gij

een vast en wettig recht hebt.”

„Mijnheer, ik vertrouw, dat gij het ongeluk van mijne geboorte voor

geen geschikt onderwerp –”

„Volstrekt niet,” antwoordde de oudheidkenner, hem in de rede vallende,

– „ik geloof dat ik meer van uwe geboorte weet, dan gij zelf, – en, om

er u van te overtuigen, gij werdt opgevoed en waart bekend als de

natuurlijke zoon van Geraldin Neville van Neville’s-burg in Yorkshire,

en ik veronderstel, als zijn erfgenaam?”

„Vergeef mij, – dergelijke oogmerken had men met mij niet; ik werd goed

opgevoed en in den dienst voortgeholpen door geld en protectie; maar ik

geloof, dat mijn veronderstelde vader langen tijd het denkbeeld

koesterde van te trouwen, ofschoon hij het niet ten uitvoer bracht.”

„Gij zegt uw veronderstelde vader? – Wat doet u denken, dat de heer

Geraldin Neville niet uw vader was?”

„Ik weet, mijnheer Oldbuck, dat gij mij deze vragen omtrent zulk een

teeder onderwerp niet doen zoudt om alleen uwe nieuwsgierigheid te

voldoen; ik zal u dus ronduit vertellen, dat ik verleden jaar, toen wij

in eene kleine stad van Fransch-Vlaanderen lagen, in een klooster, in

welks nabijheid ik ingekwartierd was, eene vrouw vond, die tamelijk

goed Engelsch sprak. – Zij was eene Spaansche, – haar naam Therese

D’Acunha. Verder met haar bekend geworden, ontdekte zij mij, wie ik

was, en zich zelve als de persoon, die belast was geweest met de zorg

mijner eerste kindsheid. Zij gaf mij meer dan één wenk, dat ik op

hoogen rang aanspraak had, en dat mij onrecht aangedaan was, en

beloofde mij eene vollediger ontdekking na den dood van eene dame van

aanzien in Schotland, daar zij besloten had, zoo lang deze leefde, het

geheim te bewaren. Zij gaf ook te verstaan, dat de heer Geraldin

Neville mijn vader niet was. Wij werden door den vijand aangevallen,

uit de stad verdreven, en deze werd door de Republikeinen geplunderd.

De godsdienstige orden waren in het bijzonder het voorwerp van hun haat

en hunne vervolging. Het klooster werd verbrand en zeer vele nonnen

kwamen om, – onder anderen Therese, en met haar ging alle hoop verloren

op de beloofde geschiedenis van mijne geboorte. – Die moet tragisch

geweest zijn, naar hetgeen ik er van begrijp.”

„Raro antecedenten scelestum, of, zoo als ik hier zeggen mag,

scelestam,” zeide Oldbuck, „deseruit poena; – zelfs de Epicuristen

stemden dat toe, en – wat deedt gij toen?”

„Ik schreef er over aan den heer Neville; – maar te vergeefs. Ik kreeg

toen verlof, en ging mij aan zijne voeten werpen, en bezwoer hem de

ontdekking te voltooien, die Therese begonnen had. Hij weigerde, en

verweet mij, op mijn onafgebroken aandringen, met verontwaardiging de

gunsten, die hij mij reeds bewezen had. Ik begreep, dat hij het recht

van een weldoener misbruikte, nu hij genoodzaakt was te erkennen dat

hij geene aanspraak had op dat van een vader, en wij scheidden van

elkander, weêrkeerig misnoegd. Ik gaf den naam van Neville op, en nam

dien aan, waaronder gij mij gekend hebt. – Het was in dezen tijd, dat

ik, gelogeerd bij een vriend in het noorden van Engeland, die mijne

naamsverandering goedkeurde, kennis maakte met Freule Wardour, en

romantisch genoeg was om haar naar Schotland te volgen. Mijne gedachten

wankelden omtrent verscheidene ontwerpen voor de toekomst, toen ik

besloot, om mij nog eenmaal tot den heer Neville te wenden, en hem om

eene verklaring van het geheim mijner geboorte te smeeken. Het duurde

lang eer ik antwoord kreeg; gij waart er bij, toen het mij ter hand

werd gesteld. Hij berichtte mij den slechten toestand van zijne

gezondheid, en bezwoer mij, om mijn eigen wil, geen verder onderzoek te

doen naar den aard van zijne betrekking tot mij, maar te berusten bij

zijne verklaring. „Zij is,” schreef hij, „zoodanig en zoo nauw, dat ik

voornemens ben, u tot mijn erfgenaam te benoemen.” Terwijl ik mij

gereed maakte om Fairport te verlaten, bracht mij eene tweede expresse

het bericht van zijn dood. Het bezit van groote rijkdommen kon het

grievende leed niet verdooven, waarmede ik nu dacht aan mijn gedrag

jegens mijn weldoener, en daar zich eenige wenken in zijn brief

bevonden, die schenen aan te duiden, dat er een grootere smet dan die

van gewone onechtheid op mijne geboorte lag, herinnerde ik mij zekere

vooroordeelen van Sir Arthur, –”

„En gij koesterdet sombere gedachten tot gij ziek werdt, in plaats van

bij mij te komen om raad, en mij uwe geheele historie te verhalen?”

zeide Oldbuck.

„Juist! daarna kwam mijn ongelukkige twist met kapitein M’Intyre, die

mij noodzaakte, om Fairport en de omstreken te verlaten.”

„De liefde en de dichtkunst, – Isabella Wardour en de Caledoniade!”

„Het is maar al te waar!”

„En sedert dien tijd waart gij, veronderstel ik, bezig met ontwerpen

ter redding van Sir Arthur?”

„Ja, met behulp van kapitein Wardour, te Edinburg.”

„En Adam Ochiltree hier; – gij ziet, ik weet alles. Maar hoe kwaamt gij

aan dezen schat?”

„Het was een servies tafelzilver, dat mijn weldoener toebehoord had, en

bij iemand te Fairport in bewaring gebleven was. Eenigen tijd vóór zijn

dood had hij bevel gezonden om het op te smelten. Wellicht wilde hij

niet, dat ik er het wapen van Glenallan op zou zien.”

„Wel, majoor Neville! of – laat ik liever zeggen – Lovel! want in dien

naam schep ik het meeste behagen; – gij moet, geloof ik, beide

verwisselen voor den naam en den titel van Willem, Lord Geraldin.”

De oudheidkenner doorliep nu de vreemde en treurige omstandigheden van

den dood van Neville’s moeder.

„Ik twijfel geenszins,” zeide hij, „of uw oom wenschte te doen

gelooven, dat het kind van dit ongelukkig huwelijk niet meer bestond; –

misschien had hij zelf wel een oog op de erfenis van zijn broeder; –

hij was toen een lichtzinnig, los jonkman. – Maar van alle slechte

bedoelingen tegen uw persoon pleiten hem, wat ook het booze geweten van

Elspeth haar deed vermoeden uit zijne ontroering, de geschiedenis van

Therese en uw eigen verhaal volkomen vrij. En nu, mijn waarde heer,

laat ik het genoegen smaken van een zoon bij zijn vader te brengen!”

Wij wagen het niet, om zulk eene ontmoeting te beschrijven. Alle

bewijzen werden overtuigend bevonden; want de heer Neville had een

duidelijk bericht van het geheele voorval aan zijn vertrouwden

rentmeester nagelaten in een verzegeld pak, dat niet moest geopend

worden, dan na den dood der oude Gravin: eene voorzorg, die scheen

ontstaan te zijn uit vrees voor de uitwerking, welke eene ontdekking,

met zoo veel schande verbonden, op haar hoogmoedig en hartstochtelijk

karakter zou kunnen hebben.

In den avond van denzelfden dag dronken de manschappen van de

vrijwilligers van Glenallan de gezondheid van hun jongen Landheer.

Binnen eene maand daarna was Lord Geraldin in het huwelijk getreden met

Freule Wardour, en de oudheidkenner bood de jonge bruid een trouwring

van antiek fatsoen, met de spreuk van Aldobrand Oldenbuck „Kunst macht

Gunst,” er op gegraveerd, aan.

De oude Adam, de gewichtigste blauwrok die ooit geleefd heeft, doet

zijne ronde van het eene vriendenhuis naar het andere, en beroemt zich

er op, dat hij nooit op weg is, dan wanneer de zon schijnt. Hij heeft,

inderdaad, sedert eenigen tijd teekens gegeven van rustiger te worden,

daar men hem dikwijls gevonden heeft in den hoek van een aardig

boerenhuisje tusschen Monkbarns en Knockwinnock, dat Caxon na het

huwelijk van zijne dochter betrok, om nabij de drie pruiken van het

kerspel te zijn, welke hij steeds, hoewel thans slechts uit

liefhebberij, getrouw friseert. Men heeft Adam hooren zeggen „Dit is

eene lieve, dichte plaats, en het is aangenaam zulk een hoek te hebben,

om er bij slecht weêr in te zitten.”

Men gelooft, dat, als hem het loopen moeielijker begint te worden, hij

eindigen zal met hier zijn intrek te nemen.

De welwillendheid van zulke vermogende beschermers als Lord en Lady

Geraldin is onbegrensd voor jufvrouw Hadoway en de Mucklebackits. De

eerste maakt er een gepast gebruik van; de laatsten verkwisten hetgeen

hun geschonken wordt. Zij blijven het echter nog altijd genieten, maar

onder het bestier van Adam Ochiltree; en zij ontvangen het nooit zonder

te morren over het kanaal, langs hetwelk het hen bereikt.

Hector maakt snelle vorderingen in den dienst, is meer dan eens met lof

vermeld geworden en klimt, naar evenredigheid, in de gunst van zijn

oom. En, wat den jongen krijgsman bijna evenzeer verheugt, hij heeft

daarbij twee zeehonden geschoten, en dus een einde gemaakt aan het

gedurig terugkomen van den oudheidkenner op de historie van de Phoca.

Men spreekt van een huwelijk tusschen Mary M’Intyre en kapitein

Wardour; maar dit gerucht eischt nadere bevestiging.

De oudheidkenner bezoekt zeer dikwijls de huizen van Knockwinnock en

Glenallan, klaarblijkelijk ter voltooiing van twee verhandelingen, de

eene over het harnas van den Grooten Graaf, en de andere over den

linker ijzeren handschoen van Hel in ’t Harnas. Hij vraagt geregeld, of

Lord Geraldin de Caledoniade begonnen heeft, en schudt het hoofd over

de antwoorden, die hij ontvangt. Nochtans voltooit hij, en attendant,

zijne noten, die wij gelooven dat ten dienste zullen zijn van iedereen,

die ze verkiezen mocht in het licht te geven, zonder gevaar en onkosten

voor DEN OUDHEIDKENNER.

De oudheidkenner · 第 51 / 54 题