TWEEËNDERTIGSTE HOOFDSTUK

Welke is deze zonde, – dit verzwegen geheim,

Die geen kunst ontdekken, geen boete zuiv’ren kan?

– In de spieren, geene verandering!

Noch geroerd, verbleekt, noch strak,

Geen vluchtige blos, geen bevende lip.

De geheimzinnige moeder.

De doodkist was weggedragen van de plaats, waar zij gestaan had. De

gasten waren, de een na den anderen, volgens hun rang en hunne

verwantschap met den overledene, gevolgd; de stoet had de hut verlaten,

terwijl de kleine kinderen bij de hand werden medegevoerd, om achter de

baar van hun broeder te trippelen, en met verwondering eene

plechtigheid bij te wonen, waarvan zij zich moeielijk een begrip konden

maken. Nu ook maakten zich de vrouwen gereed om te vertrekken, en

namen, wegens den toestand der ouders, de meisjes mede, om het

ongelukkige paar gelegenheid te geven, ongestoord hunne harten te

openen en hun leed door mededeeling te verlichten. Maar het liefderijke

doel werd niet bereikt. De laatste der bezoekers had, bij het uitgaan,

den ingang der hut nauwelijks verduisterd en de deur zachtjes achter

zich toegetrokken, toen de vader, zich eerst door een haastigen blik

verzekerende dat er niemand vreemds meer tegenwoordig was, opvloog,

zijne handen woest boven het hoofd ineen sloeg, een luiden gil gaf, en

zich half wierp, half voorover viel op het bed, waarop de kist was

geplaatst geweest, en, het hoofd tusschen de kussens verbergende, lucht

gaf aan zijne smart. Het was te vergeefs dat de ongelukkige moeder,

verschrikt over de hevige droefheid van haren man, – eene droefheid te

vreeselijker in een mensch van zijn ruwen aard en sterk lichaamsgestel,

– haar eigen snikken en hare tranen onderdrukte, en hem, terwijl zij

hem bij de panden van den rok trok, bad om op te staan en zich te

herinneren, dat, ofschoon hem één kind ontnomen was, hij nog altoos

eene vrouw en kinderen had, die troost en hulp behoefden. De vermaning

kwam te vroeg, en werd niet gehoord; hij bleef liggen, en toonde door

zijn snikken, zoo bitter en geweldig, dat het bed en het beschot,

waartegen het lag, er van schudden, door met zijne handen, die het

beddelaken gegrepen hadden te wringen, en door de geweldige en

stuipachtige beweging zijner voeten, hoe diep en hoe verschrikkelijk de

benauwdheid der vaderlijke smart was.

„O, welk een dag is deze!” riep de arme moeder, wier vrouwelijke smart

reeds door snikken en tranen uitgeput, nu vergeten was door den schrik

over den toestand, waarin zij haren man zag; „o welk een uur is dit! en

niemand is hier, om eene arme verlatene vrouw te helpen! – O, grootmoe!

kondet gij hem maar een woord toespreken! – kondet gij hem maar wat

troost geven!”

Tot hare verwondering, en zelfs tot vermeerdering van haren angst,

hoorde en antwoordde hare schoonmoeder. Deze stond op en ging zonder

ondersteuning, zonder merkbare zwakte, door de kamer, en, bij het bed

staande, waarop haar zoon zich uitgestrekt had, zeide zij: „Sta op,

mijn zoon, en treur niet over hem, die boven zonde en kommer en

verzoeking is! De kommer is voor hen, die in dit aardsche dal van

rampen en duisternis achterblijven! – Ik, die geen verdriet heb en geen

verdriet kan hebben over iemand, heb het meeste noodig, dat gij over

mij treurt!”

De stem van zijne moeder, sedert jaren niet meer gehoord als deelende

in iets dat voorviel, bleef niet zonder uitwerking. Haar zoon richtte

zich op aan den kant van de bedstede, en zijn voorkomen, zijne houding

en gebaren toonden nu in plaats van bittere wanhoop, slechts diepe

smart en neêrslachtigheid. De grootmoeder keerde naar haren stoel

terug, de moeder nam werktuigelijk haren verscheurden bijbel ter hand

en scheen te lezen, ofschoon hare oogen in tranen zwommen.

Zoo waren zij nog bezig, toen men een hard kloppen op de deur hoorde.

„Hé!” zei de arme moeder, „wie kan daar nu aankomen? – Het is zeker

iemand, die niets van ons ongeluk gehoord heeft.”

Daar het kloppen herhaald werd, stond zij op, verdrietig zeggende „Wat

is dat voor een doen, om dus een sterfhuis te verontrusten?”

Een lang man, in het zwart gekleed, stond voor haar, in wien zij

dadelijk lord Glenallan herkende.

„Woont er niet,” vroeg hij, „in deze, of in eene der andere naburige

hutten, eene oude vrouw, genaamd Elspeth, die lang geleefd heeft op

Craigburnfoot, te Glenallan?”

„Dat is mijne schoonmoeder, Milord!” zeide Margaretha: „maar zij kan nu

niemand zien. – O! wij hebben een bitter lot gehad; – wij gaan onder

eene zware bezoeking gebukt!”

„De hemel weet,” zeide lord Glenallan, „dat ik om geene kleinigheid u

in uwe droefheid zou willen storen! – maar mijne dagen zijn geteld; –

uwe schoonmoeder is zeer bejaard, en als ik haar vandaag niet zie,

zullen wij elkander misschien nooit weêr in dit leven ontmoeten.”

„En wat zoudt gij er aan hebben om eene oude vrouw te zien, die versuft

is onder jaren en kommer en hartzeer? – Voornaam of gering, niemand zal

binnen mijne deur komen op den dag, dat mijn kind er uitgedragen is als

lijk,” zei de bedroefde moeder.

Terwijl zij dus sprak, en aan de drift lucht gaf, aan hare natuur en

haar beroep eigen en die zich eenigszins met hare smart begon te

vereenigen, nadat de eerste hevigste uitbarstingen voorbij waren, hield

zij de deur ongeveer voor een derde gedeelte open, en plaatste zich in

de tusschenruimte, als om den bezoeker het binnentreden onmogelijk te

maken. Maar de stem van haren man liet zich uit het binnenste der

woning hooren: „Wat is er, Maggie? Waarom sluit gij de menschen uit? –

laat hem binnen; – het kan mij niets schelen, wie voortaan dit huis in

of uit gaat!”

De vrouw trad, op bevel van haren man, ter zijde, en veroorloofde lord

Glenallan de hut binnen te treden.

De neêrslachtigheid, die zich nu in zijn ontzenuwd lichaam en

uitgeteerd gelaat vertoonde, stak zeer af bij de smart, zoo als die

zich op het ruw en door wind en weder verhard gezicht van den visscher,

en de grove gelaatstrekken van zijne vrouw vertoonde. Hij naderde de

oude grootmoeder, die op haren stoel zat, en vroeg haar op een toon,

zoo hoorbaar als zijne stem het toeliet: „Zijt gij Elspeth van

Craigburnfoot, van Glenallan?”

„Wie vraagt naar het ellendige verblijf van die slechte vrouw?” was het

antwoord op zijne vraag.

„De ongelukkige graaf van Glenallan.”

„Graaf – graaf van Glenallan!”

„Hij, dien men noemde Willem, lord Geraldin,” hernam de graaf; „en wien

de dood van zijne moeder tot graaf van Glenallan gemaakt heeft.”

„Open het vensterluik!” zei de oude vrouw op vasten en driftigen toon

tot hare schoondochter, „open het luik, gauw! dat ik zien kan, of dit

de echte lord Geraldin, de zoon van mijne meesteres is; hij, dien ik in

de armen kreeg zoodra hij geboren werd; – hij, die reden heeft om mij

te vloeken, omdat ik hem op dat oogenblik niet smoorde.”

Het venster, dat gesloten geweest was om eene duistere schemering over

de plechtige begrafenis-bijeenkomst te verspreiden, werd,

overeenkomstig haar bevel, geopend, en verspreidde dadelijk een helder

licht door de berookte en met walm vervulde hut. Daar de sterkste

stralen op den schoorsteen vielen, verlichtten ze op eene wijze, die

Rembrandt zou bekoord hebben, de gelaatstrekken van den ongelukkigen

edelman en van de oude vrouw, die nu opstond, en hem bij de hand

houdende, nieuwsgierig op zijne gelaatstrekken met hare lichtblauwe

oogen tuurde, en haren langen, mageren vinger op een kleinen afstand

van zijn gelaat houdende, dien langzaam bewoog, als om de omtrekken na

te gaan en datgene, wat zij zich herinnerde, in overeenstemming te

brengen met wat zij nu aanschouwde. Nadat zij hare navorsching

geëindigd had, zeide zij met een diepen zucht: „Het is bitter, – bitter

veranderd! – en wiens schuld is dat? – maar dat staat opgeschreven,

waar het eens verantwoord zal worden; – het is op bronzen tafels met

een stalen griffel geschreven, daar waar alles geboekt staat, wat in

den vleesche gedaan wordt! – En wat,” zeide zij, na een oogenblik van

stilzwijgen, „wat zoekt lord Glenallan bij een arm, oud schepsel zoo

als ik ben, dat reeds dood is, en alleen in zoover tot de levenden

behoort, dat zij nog niet in het graf ligt?”

„Maar,” antwoordde lord Glenallan, „in ’s Hemels naam! waarom hebt gij

zoo dringend verzocht om mij te zien? en waarom ondersteundet gij uw

verzoek door mij een teeken te zenden, waaraan gij wel wist, dat ik

gehoorzamen zou?”

Dit zeggende, nam hij uit zijne beurs den ring, welken Adam Ochiltree

hem op het kasteel Glenallan had overhandigd. Het gezicht van dit

teeken had eene vreemde en oogenblikkelijke werking op de oude vrouw.

Het beven der vrees voegde zich oogenblikkelijk bij dat van den

ouderdom, en zij begon dadelijk met eene angstige en gejaagde

ontroering hare zakken te doorzoeken, als iemand, die voor het eerst

beseft, dat zij iets van groot gewicht verloren heeft; – daarop, als

overtuigd dat hare vrees gegrond was, keerde zij zich naar den graaf,

en vroeg: „En, hoe kwaamt gij er aan? – ik meende het zoo veilig

bewaard te hebben; wat zal de gravin zeggen?”

„Gij weet,” antwoordde de graaf, „ten minste gij moet gehoord hebben,

dat mijne moeder dood is!”

„Dood! bedriegt gij mij niet? – Heeft zij eindelijk geld en goed,

pracht en weelde moeten verlaten?”

„Alles, alles!” zei de graaf, „zoo als stervelingen alle menschelijke

ijdelheden moeten verlaten!”

„Ik herinner mij nu,” antwoordde Elspeth, „er van gehoord te hebben;

maar er is sedert zoo veel droefheid in ons huis geweest, en mijn

geheugen is zoo verzwakt; – – maar zijt gij zeker dat uwe moeder, de

gravin, overleden is?”

De graaf verzekerde haar op nieuw, dat hare voormalige meesteres niet

meer was.

„Dan,” zeide Elspeth, „zal het niet langer op mijn geweten drukken! –

Toen zij leefde, durfden wij niet spreken van wat zij niet verkoos dat

onder de menschen zou komen. – Maar zij is weg; – en ik zal alles

bekennen!”

Toen, zich tot haren zoon en hare schoondochter wendende, beval zij hun

op gebiedenden toon weg te gaan, en lord Geraldin (want zoo noemde zij

hem nog) alléen met haar te laten. Maar Maggie Mucklebackit, nadat hare

eerste opwelling van smart voorbij was, gevoelde zich geenszins

geneigd, om in haar eigen huis eene onbepaalde gehoorzaamheid aan de

bevelen van hare schoonmoeder te bewijzen, een gezag, voor lieden uit

haren stand altijd bijzonder onaangenaam, en hetwelk zij te meer

verwonderd was te zien herleven, daar het reeds zoo lang scheen

nedergelegd en vergeten te zijn.

„Het is iets vreemds,” zeide zij op knorrigen toon, – want de rang van

lord Glenallan hield haar eenigszins in bedwang, – „het is iets vreemds

eene moeder te gelasten, om haar eigen huis te verlaten, met de tranen

nog in haar oogen, op het oogenblik, dat haar oudste zoon als een lijk

de deur uitgedragen wordt!”

De visscher voegde er ter zelfder tijd barsch en kortaf bij: „Dit is

geen dag voor uwe oude historiën, moeder! – De graaf, als hij een graaf

is, kan op een anderen dag wederkomen, – of hij kan zeggen, wat hij te

zeggen heeft, als het hem belieft; er is niemand hier, die zich de

moeite zal geven, naar hem of naar u te luisteren. Maar, heer of

knecht, voornaam of gering, voor niemand ter wereld verlaat ik mijn

eigen huis op den dag zelven, dat mijn arme, –”

Hier begaf hem de stem en hij kon niet voortgaan; maar, daar hij

opgestaan was toen lord Glenallan binnentrad, en was blijven staan,

wierp hij zich nu op een stoel, en bleef in de houding zitten van

iemand, die vast besloten heeft om woord te houden.

Maar de oude vrouw, die in het beslissend oogenblik weêr in het bezit

scheen te geraken van al die geestvermogens, waarmede zij eens zoo rijk

begaafd was, verhief zich, en op hem toegaande, zeide zij op plechtigen

toon: „Mijn zoon, als gij het verhaal van de schande uwer moeder niet

hooren wilt; als gij niet opzettelijk getuige wilt zijn van hare

schuld; – als gij haren zegen verdienen en haren vloek ontgaan wilt,

beveel ik u, ik, die u onder mijn hart droeg en voedde, om mij de

vrijheid te laten met lord Geraldin over iets te spreken, dat geen

sterfelijk oor dan het zijne vernemen mag. Gehoorzaam aan mijne

bevelen, opdat, wanneer gij mij in het graf legt, (en o, dat die dag

gekomen ware!) gij u dit uur herinneren moogt zonder het verwijt, dat

gij ongehoorzaam zijt geweest aan het laatste bevel, dat uwe moeder u

op deze aarde gaf!”

Deze plechtige woorden wekten in het hart van den visscher de

werktuigelijke gehoorzaamheid op, waarin zijne moeder hem had groot

gebracht, en waaraan hij zich blindelings onderworpen had, zoolang zij

nog in staat was geweest, ze van hem te vorderen. Deze herinnering

verbond zich dus met de heerschende gedachte in zijn hart; want, een

blik op het bed werpende, waarop het lijk was geplaatst geweest,

mompelde hij binnensmonds: „Hij was nooit ongehoorzaam, of ik gelijk of

ongelijk had; en waarom zou ik haar kwellen?” Daarop zijne weêrspannige

vrouw onder den arm nemende, bracht hij haar zachtjes buiten de hut en

trok de deur achter zich toe.

Terwijl de ongelukkige ouders zich verwijderden, drong lord Glenallan,

om te voorkomen, dat de oude vrouw weder in haren wezenloozen staat

verviel, op nieuw bij haar aan, om de mededeeling te ontvangen, die zij

voornemens was hem te doen.

„Gij zult het spoedig genoeg weten,” antwoordde zij; „mijn geest is nu

helder genoeg, en er is niets, – ik geloof niets, – dat ik vergeten zal

van al wat ik u te zeggen heb. Mijne woning te Craigburnfoot staat mij

voor de oogen, alsof ze er nog was: – de groene zodenbank, juist waar

de beek en de zee elkander ontmoeten; – de twee kleine pinken, met

gereefde zeilen, in de bocht; – de hooge klip, die haar met de

lusttuinen van het kasteel van Glenallan vereenigt, en loodrecht over

den stroom hangt. – Och, ja! ik zou kunnen vergeten, dat ik een man had

en hem verloren heb, – dat slechts nog één van onze vier zonen in leven

is; – dat ongeluk op ongeluk onze slecht verkregen rijkdommen

verslonden heeft; – dat men het lijk van mijns zoons oudsten zoon heden

morgen uit dit huis droeg; – maar nooit kan ik de dagen vergeten, die

ik op het schoone Craigburnfoot doorbracht!”

„Gij waart de lieveling mijner moeder,” zeide lord Glenallan, om haar

terug te brengen op het punt, waarvan zij afweek.

„Dat was ik, dat was ik; – gij behoeft het mij niet te herinneren! –

Zij gaf mij eene opvoeding boven mijn stand, en ik leerde meer dan

mijne kennissen; maar, even als de eerste verleider, leerde zij mij,

tegelijk met de kennis van het goede, ook de kennis van het slechte.”

„Om Gods wil, Elspeth!” zei de verwonderde graaf, „ga over, zoo gij

kunt, tot de opheldering van de verschrikkelijke wenken, die gij mij

geeft. – Ik weet wel, dat gij bekend zijt met een verschrikkelijk

geheim, dat genoeg is om dit huis boven ons te doen instorten; – maar

ga voort!”

„Dat zal ik doen,” zeide zij, – „dat zal ik doen! heb slechts een

weinig geduld met mij!” – en zij scheen op nieuw verdiept in hare

herinneringen, die echter niet meer gepaard waren met verkindschdheid

en wezenloosheid. Zij was nu op het punt om eene omstandigheid aan te

roeren, die lang haar geweten bezwaard had, en welke, ongetwijfeld,

dikwijls hare geheele ziel vervuld had in tijdstippen, dat zij dood

scheen voor alles, wat haar omgaf. En ik kan er als eene

opmerkingswaardige daadzaak bijvoegen, dat de veerkrachtige werking van

den geest op hare lichamelijke krachten en haar zenuwgestel zoo groot

was, dat in weêrwil van haar zwak gehoor, elk woord, dat lord Glenallan

gedurende dit merkwaardig gesprek zeide, ofschoon op den zachtsten toon

van schrik en ontroering gesproken, Elspeth zoo helder en duidelijk in

de ooren klonk, als het ooit in eenig tijdperk van haar leven had

kunnen doen. Zij zelve ook sprak klaar, duidelijk en langzaam, als

bezorgd, om het bericht, dat zij mededeelde, volledig te doen verstaan,

ter zelfder tijde beknopt, en zonder eenige der praatzieke of

wijdloopige bijvoegingen, welke aan lieden van haar geslacht en haren

stand anders eigen zijn. In het kort, hare taal getuigde van eene goede

opvoeding, zoo wel als van een buitengemeen sterken en vasten geest, en

van een van die karakters, van welke men natuurlijk groote deugden of

groote misdaden verwachten kan. De inhoud van hare mededeeling wordt in

het volgende hoofdstuk vermeld.

De oudheidkenner · 第 37 / 54 题