– Menige groote kon missen
Zijn halve goed, had hij de kunst en gunst
Van bedelen op hoogen trant.
Het bedelaarsbosch.
De oude Adam was met den leeuwerik op, en zijne eerste vraag was naar
Steven en het zakboek. De jonge visscher had zijn vader reeds vóór den
dageraad moeten vergezellen, om den vloed niet te verzuimen; maar hij
had beloofd, dat hij, dadelijk na zijne terugkomst, het zakboek, met
alles wat er in was, zorgvuldig in een stuk zeildoek gepakt, aan Ringan
Aikwood zou ter hand stellen voor Dousterswivel, den eigenaar.
De moeder had het morgenmaal voor het huisgezin klaar gemaakt, en begaf
zich, met hare vischmand op den schouder, met krachtige schreden op weg
naar Fairport. De kinderen liepen buiten het huis; want het was een
schoone dag, en zonneschijn. De oude grootmoeder, weêr op haren matten
stoel gezeten, had haar eeuwige spinrokken hervat, en bleef
onbeweeglijk, bij het gejoel en geschreeuw der kinderen, en het kijven
der moeder, dat het verspreiden van ’t huisgezin was vooraf gegaan.
Adam had zijne zakken in orde gebracht, en stond uitgerust, om op nieuw
zijn zwervend leven te beginnen, maar naderde eerst met behoorlijke
beleefdheid de oude vrouw, om afscheid van haar te nemen.
„Goeden dag, vrouwtje, en de hemel schenke u er vele van. Ik zal in het
begin van den herfst weêrkomen, en ik hoop u gezond en wel te vinden.”
„Bid, dat ge mij in mijn stil graf moogt vinden,” zei de oude vrouw,
met eene holle stem, maar zonder eenige uitdrukking op haar gelaat.
„Ge zijt oud, moeder! en dat ben ik ook; maar wij moeten wachten. Zijn
wil! – wij zullen op onzen tijd niet vergeten worden!”
„En onze daden ook niet,” antwoordde de oude; „wat in het lichaam
gedaan is, moet in den geest verantwoord worden!”
„Ik weet, dat het zoo is; en ik mag dat gezegde wel onthouden, daar ik
een los en zwervend leven geleid heb. Maar gij waart altijd eene brave
vrouw! Wij zijn allen zwak; – maar gij kunt toch zoo veel niet hebben,
om er onder gebukt te gaan.”
„Minder dan ik had kunnen doen, maar meer, o veel meer dan genoeg, om
den grootsten brik, die ooit uit de haven van Fairport zeilde, te doen
zinken! – Zei er gisteren niet iemand, – ten minste zoo staat het mij
voor, – maar oude lieden hebben vreemde verbeeldingen, – zei niet
iemand, dat de Gravin van Glenallan gestorven was?”
„Wie het ook zeide, heeft de waarheid gesproken,” antwoordde de
bedelaar; „zij werd gisteren bij toortslicht te St. Ruth begraven, en
ik, als een gek, ik kreeg een schrik, toen ik de lichten en de ruiters
zag.”
„Het was hunne manier sedert de dagen van den grooten Graaf, die bij
Harlaw gedood werd; – zij doen het, om te toonen, dat zij niet willen
sterven en begraven worden als andere menschen. – De vrouwen van het
huis van Glenallan rouwden niet over hare mannen, noch de zuster over
den broeder, – maar is zij dan werkelijk opgeroepen tot rekenschap?”
„Zoo zeker,” antwoordde Adam, „als dat ons beiden dat te wachten
staat!”
„Dan wil ik mijn hart luchten, wat er ook van kome!”
Deze woorden sprak zij met meer levendigheid, dan gewoonlijk hare
uitdrukkingen vergezelde, en voegde er een gebaar met de hand bij,
alsof zij iets van zich afweerde. Toen verhief zij zich in hare volle
grootte, – zij was eens lang geweest, zoo als men nog zien kon,
ofschoon thans gebukt door ouderdom en ziekte, – en stond vóór den
bedelaar als eene mummie, welke voor een oogenblik door een zwervenden
geest bezield wordt. Hare lichtblauwe oogen rolden heen en weêr, alsof
zij dan eens vergat en zich dan weêr te binnenbracht het doel, waarom
hare lange, dorre hand de verscheidene voorwerpen doorzocht, welk zich
in een grooten, ouderwetschen zak bevonden. Eindelijk trok zij er een
klein spanen doosje uit, en na het geopend te hebben, nam zij er een
fraaien ring uit, die haar bevatte van twee verschillende kleuren,
donker- en lichtbruin, tezamen gevlochten, en omgeven met
edelgesteenten van zeer groote waarde.
„Oude man!” zeide zij tegen Ochiltree, „als gij ooit op genade hoopt,
moet gij eene boodschap voor mij doen op het kasteel Glenallan, en naar
den Graaf vragen.”
„Naar den Graaf van Glenallan, oude! hoe? hij wil geen van de
edellieden uit de buurt zien, en zou hij dan den ouden bedelaar willen
ontvangen?”
„Ga maar en beproef het; – en zeg hem, dat Elspeth van Craigburnfoot; –
hij zal mij het best bij dien naam kennen, – hem zien moet, eer zij
hare lange levensreis geëindigd heeft, en dat zij hem dien ring zendt,
als eene herinnering aan de zaak, waarover zij hem spreken wil!”
Ochiltree bekeek den ring met eenige verwondering over de schijnbare
waarde er van, en na hem weêr zorgvuldig in het doosje gelegd, en dit
in een ouden, gescheurden zakdoek gewikkeld te hebben, stak hij het in
zijne borst.
„Wel, oude!” zeide hij, „ik zal doen, wat gij verzoekt, of het zal
mijne schuld niet zijn. – Maar zeker werd er nooit te voren zulk een
fraai ding als dit aan een Graaf uit naam van een oud vischwijf door
een ouden bedelaar gezonden.”
Met deze aanmerking nam Adam zijn stok, zette den breedgeranden hoed
op, en vertrok om zijn tocht te ondernemen. De oude vrouw bleef eenigen
tijd onbewegelijk in dezelfde houding staan, de oogen naar de deur
gericht, waaruit haar afgezant vertrokken was. De schijn van
opgewektheid, welke het gesprek veroorzaakt had, verdween langzamerhand
van hare gelaatstrekken; – zij zonk neêr op haren stoel, en hervatte
haren werktuigelijken arbeid met haar gewoon gevoelloos uiterlijk.
Adam Ochiltree vervolgde zijn weg – de afstand van Glenallan was
omtrent drie uren gaans, een marsch, welken de oude soldaat in ongeveer
vier uren aflegde. Met eene nieuwsgierigheid, aan zijn beroep en de
levendigheid van zijn karakter eigen, pijnigde hij zich den geheelen
weg over, met te gissen, wat het doel zijn kon van de geheimzinnige
boodschap, die hem was toevertrouwd, of welk belang de hoogmoedige,
rijke en machtige Graaf van Glenallan in de misdaden, of het berouw
stellen kon van eene oude, versufte vrouw, wier rang in de samenleving
niet veel boven dien van haren bode verheven was. Hij trachtte zich
alles weêr te herinneren, wat hij ooit van de familie Glenallan geweten
of gehoord had; maar bleef buiten staat, om eenige gissing omtrent het
onderwerp zijner zending te maken. Hij wist, dat al de uitgestrekte
goederen van dit oud en machtig geslacht aan de onlangs afgestorvene
Gravin gekomen waren, die, in zeer aanmerkelijke mate, het gestrenge,
harde, willekeurige karakter bezat, dat het huis van Glenallan
onderscheidde sedert de eerste melding, die er in de Schotsche
geschiedenis van gemaakt wordt. Even als de overigen van hare
voorouders, was zij het Roomsch-Katholieke geloof oprecht toegedaan, en
gehuwd geweest met een Engelschen edelman van denzelfden godsdienst, en
van een zeer groot vermogen, die deze verbintenis geene twee jaren
overleefde. De Gravin bleef dus vroeg weduwe, met het onbeperkt beheer
over de groote bezittingen van hare twee zonen. De oudste, lord
Geraldin, die in den titel en het vermogen van Glenallan opvolgde, was
gedurende haar leven geheel en al afhankelijk van zijne moeder. De
jongere, tot jaren gekomen zijnde, nam den naam en het wapen van zijn
vader aan, en trad in het bezit van zijne goederen, overeenkomstig de
bepalingen, bij de huwelijks-voorwaarden gemaakt. Sedert dien tijd,
hield hij zich grootendeels op in Engeland, en legde slechts zeer
weinige en korte bezoeken af bij zijne moeder en zijn broeder; en deze
bleven er ten laatste geheel van bevrijd, toen hij tot den hervormden
godsdienst overging.
Maar, ook vóór dat hij zijne moeder dus ernstig beleedigde, had het
verblijf te Glenallan weinig aanlokkelijks voor een vroolijken jongen
man, gelijk Eduard Geraldin Nelville, ofschoon het sombere en de
afzondering der plaats scheen te strooken met den eenzamen en
droefgeestigen aard van zijn oudsten broeder. Lord Geraldin, bij zijne
intrede in de wereld, had zich voorgedaan als een kundig en veel
belovend jonkman. Degenen die hem op zijne reizen leerden kennen,
hadden de grootste verwachting van zijne toekomstige loopbaan. Maar
zulke fraaie dageraden ziet men dikwijls reeds in den morgen door
wolken verduisterd. De jonge edelman keerde naar Schotland terug, en,
na ongeveer een jaar in het gezelschap zijner moeder op het huis
Glenallan te hebben doorgebracht, scheen hij al het gestrenge, sombere
en droefgeestige van haar karakter te hebben aangenomen. Uitgesloten
van staatsambten door onbevoegdheid, uithoofde van zijn godsdienst, en
van andere bezigheden door eigene keuze, bracht lord Geraldin het leven
in de strengste afzondering door. Zijn gewoon gezelschap bestond uit
den geestelijke van zijne gemeente, die hem van tijd tot tijd bezocht;
en zeer zeldzaam, bij bepaalde gelegenheden, op hooge feestdagen,
werden een paar familiën, die nog den Roomsch-Katholieken godsdienst
beleden, plechtstatig op het huis Glenallan onthaald. Maar dat was ook
alles; – hunne Hervormde naburen wisten van de familie niets
hoegenaamd, en de Katholieken zelven zagen weinig meer, dan het deftig
onthaal en de pracht, welke men bij die gelegenheden ten toon spreidde,
en allen keerden terug, zonder te weten, of zij zich meer verwonderen
moesten over de ernstige en fiere houding der Gravin, of over de diepe
en sombere neêrslachtigheid, die altijd op de gelaatstrekken van den
zoon rustte. Het laatste sterfgeval had hem in het bezit van zijn
vermogen en zijn titel gesteld, en men begon reeds gissingen te maken,
of de opgeruimdheid met de onafhankelijkheid zou terugkeeren, toen zij,
die eenige kennis van den toestand der familie hadden, het gerucht
verspreidden, dat de gezondheid van den graaf ondermijnd was door
godsdienstige kastijdingen, en dat hij, naar alle waarschijnlijkheid,
weldra zijne moeder in het graf zou volgen. Dit was te
waarschijnlijker, daar zijn broeder mede aan eene kwijnende ziekte
overleden was, die in de laatste jaren van zijn leven, lichaam en ziel
terzelfder tijd had aangetast: zoodat de wapen- en geslachtkundigen
reeds hunne registers opsloegen, om den erfgenaam van deze ongelukkige
familie te ontdekken, en de rechtsgeleerden met een genoegelijk
voorgevoel spraken over de waarschijnlijkheid van een „langdurig proces
over de goederen der familie Glenallan.”
Toen Adam Ochiltree den voorgevel van het kasteel Glenallan naderde, –
een oud en uitgestrekt gebouw, van hetwelk het nieuwste gedeelte door
den beroemden Inigo Jones ontworpen werd, – begon hij te overleggen, op
welke wijze hij best slagen zou, om toegang te verkrijgen, ten einde
zijne boodschap te verrichten; en hij besloot, na lange overweging, om
het doosje met den ring door een der dienstboden aan den Graaf te
zenden. Met dit oogmerk, begaf hij zich naar eene kleine woning, waar
hij de benoodigdheden verkreeg, om den ring in een verzegeld pak te
sluiten, dat hij als een bedelbrief adresseerde: Aan den hooggeboren
Graaf van Glenallan. – Deze! Maar wetende, dat brieven aan deuren van
groote huizen, door zijns gelijken afgegeven, niet altijd hunne
bestemming bereiken, nam Adam, als oud soldaat, het besluit, om het
terrein op te nemen, eer hij den beslissenden aanval deed.
Dienovereenkomstig, het portiershuisje naderende, ontdekte hij aan het
getal armen, daarvoor geschaard, – van welken er eenigen behoeftigen
uit de buurt, en anderen zwervers van zijn eigen beroep waren, – dat er
eene algemeene uitdeeling geschiedde.
„Een goede dienst,” – zeide Adam bij zich zelven, – „blijft nooit
onvergolden: – ik krijg hier wellicht eene goede aalmoes, die ik gemist
zou hebben, als ik niet voor de oude vrouw op het pad was!”
Hij rangschikte zich dus onder de havelooze bende, en drong zoo dicht
mogelijk vóor in het eerste gelid, – eene onderscheiding, die hij
begreep, dat zijn blauwen rok en zak, niet minder dan zijne jaren en
ondervinding, toekwam; maar hij merkte weldra, dat men den voorrang in
deze vergadering volgens een ander beginsel schonk, waaraan hij niet
gedacht had.
„Zijt ge Roomsch, vriend, dat gij u zoo stout naar voren dringt? – Ik
geloof het niet; want er zijn geene Katholieken, die den blauwen rok
dragen.”
„Neen, neen! ik ben geen Roomsche!” zeide Adam.
„Dan pak u weg naar de Episcopalen of Presbyterianen ginds; – ’t is
schande, een ketter zulk een langen, witten baard te zien dragen, die
een kluizenaar eer zou aandoen!”
Ochiltree, dus uit het genootschap der Katholieke bedelaars verstooten,
of van diegenen, welke zich dus noemden, ging zich plaatsen bij de
armen van de gemeente der kerk van Engeland, aan welken de edele gever
eene dubbele bedeeling van zijne liefdegiften toelegde. Maar nooit werd
een ongelukkige afvallige ruwer door de hooge Kerkvergadering
behandeld, zelfs niet ten tijde dat men de zaak met hartstocht
behandelde, – in de dagen van Koningin Anna.
„Ziet hem met zijn zak!” zeiden zij; „hij hoort des morgens van elken
koning’s verjaardag, een van de Presbyteriaansche kapelanen eene preek
opdisschen, en nu zou hij zich voor een van de Episcopaalsche kerk
willen uitgeven! Neen, neen! daar zullen wij voor zorgen!”
Adam, dus door Roomschen en Episcopalen verstooten, was genoodzaakt,
zich onder het gelach zijner makkers te verschuilen bij de kleine groep
Presbyterianen, die hunne godsdienstige gevoelens voor eene ruimere
bedeeling niet hadden willen verzaken, of misschien wisten, dat zij het
bedrog niet konden beproeven, zonder zeker te zijn van ontdekt te
worden.
Ook in de wijze, waarop men de liefdegiften, bestaande uit brood,
rundvleesch, en een stuk geld, aan elken persoon van alle drie klassen
uitdeelde, werd dezelfde graad van voorrang in acht genomen. De
aalmoezenier, een geestelijke, deftig van voorkomen en manieren,
bestierde in persoon de verzorging der Katholieke bedelaren, stelde bij
de uitreiking der gift aan ieder een paar vragen, en beval in hunne
gebeden de ziel aan van Joscelinde, laatste Gravin van Glenallan,
moeder van hun weldoener. De portier, kenbaar aan zijn langen staf, van
boven met zilver beslagen, en aan zijn zwarten tabbaard, omzoomd met
kant van dezelfde kleur, welke hij als rouw droeg, had het toezicht
over de uitdeeling aan de Episcopalen. De lieden der minst begunstigde
kerkgemeente waren overgelaten aan de zorg van een bejaarden
dienstbode.
Terwijl deze laatste over eenig verschilpunt met den portier sprak,
troffen zijn naam, die bij toeval genoemd werd, en zijne gelaatstrekken
Ochiltree, en wekten bij hem herinneringen op aan vroegere tijden. De
laatsten der verzamelde menigte waren nu aftrekkende, toen de knecht,
weêr de plaats naderde, waar Adam nog bleef dralen, en met een sterken
Hooglandschen tongval zeide: „Wat scheelt den ouden, dat hij niet weg
kan gaan, nu hij zijn vleesch en geld gekregen heeft?”
„Frans Macraw!” antwoordde Adam Ochiltree, „heugt u Fontenoy niet meer,
en het „houdt u gesloten! sluit de gelederen?”
„Oho, oho!” riep Frans, met een echt hooglandschen gil van herkenning,
„niemand kan die woorden gezegd hebben, dan mijn oude voorman van het
eerste gelid, Adam Ochiltree – Maar het spijt mij, man! dat ik u in
zulk een toestand zie.”
„Niet zoo slecht, als gij denken zoudt, Frans! Maar ik zou niet gaarne
deze plaats verlaten, zonder eens met u te praten, en ik weet niet,
wanneer ik u weêr te zien zal krijgen; want de Protestanten zijn bij uw
volk niet recht welkom, en dat is de reden, waarom ik vroeger nooit
hier geweest ben.”
„Foei, foei!” zeide Frans, „laat dat dáár, – als de modder droog is,
laat hij zich afwrijven – kom maar met mij, en ik zal u wat beters
geven, man, dan dat runderbot!”
Daarop, na den portier iets ingefluisterd te hebben (waarschijnlijk, om
zijne toestemming te verzoeken), en na gewacht te hebben tot de
aalmoezenier met langzame en statige schreden in het huis was terug
gekeerd, bracht Frans Macraw zijn ouden kameraad op het plein van het
kasteel Glenallan, boven welks sombere poort zich een groot wapenschild
bevond, waarop, als gewoonlijk, de zinnebeelden van menschelijken trots
en menschelijke nietigheid vereenigd voorgesteld waren: het
geslachtswapen van de Gravin, met al de ontelbare kwartieren, in een
ruit afgebeeld, en omgeven door de bijzondere schilden van hare
vaderlijke en moederlijke voorouders, – en verder door zeisen,
zandloopers, doodshoofden en andere zinnebeelden der sterfelijkheid,
welke alle onderscheidingen tot de oorspronkelijke gelijkheid
terugbrengt. Zijn vriend zoo spoedig mogelijk over de breede plaats
geleidende, bracht Macraw hem door eene zijdeur in een klein vertrekje
naast de dienstbodenkamer, dat hij, omdat hij den Graaf van Glenallan
persoonlijk bediende, het zijne noemde. Koud gebraad van allerlei aard,
sterk bier en zelfs een glas likeur te voorschijn te brengen, leverde
geene zwarigheid op voor zulk een gewichtigen persoon als Frans, die,
bij het gevoel van zijne waardigheid, de slimme Hooglandsche voorzorg
niet had vergeten, welke hem eene goede verstandhouding met den
hofmeester voorschreef. Onze bedelaar dronk zijn glaasje bier, en sprak
over oude tijden met zijn kameraad, tot hij, geene stof meer voor een
gesprek kunnende bedenken, besloot, om het onderwerp van zijn
gezantschap aan te roeren, dat hem eenige oogenblikken lang uit het
geheugen gegaan was.
„Hij had den Graaf,” zeide hij, „een verzoekschrift aan te bieden;” –
want hij oordeelde het voorzichtig, om niets van den ring te zeggen,
daar hij niet wist, zoo als hij naderhand opmerkte, in hoe ver de
eerlijkheid van een oud soldaat in den dienst van een grooten heer,
ongeschonden was gebleven.
„Hoe! wat, man!” zeide Frans; „de Graaf wil zich met geene
verzoekschriften bemoeien; – maar ik kan het den aalmoezenier geven!”
„Maar het heeft betrekking tot een geheim, zoodat de graaf het wellicht
liever zelf zou willen zien.”
„Dit is juist eene reden, waarom de aalmoezenier het eerst, en het
allereerste van allen, zou willen zien.”
„Maar ik ben hierheen gekomen, om het zelf over te geven, Frans, en
waarlijk gij moet er mij meê helpen!”
„Nu dan, het ga mij nooit weder goed, als ik het niet doe,” antwoordde
de Hooglander. „Zij mogen zoo kwaad zijn, als zij willen, zij kunnen
mij toch slechts wegjagen, en ik was reeds zoo wat van plan, om mijn
ontslag te nemen, en mijne dagen te Inverary te gaan eindigen.”
„Met dit stout besluit, om zijn vriend in elk geval te dienen, daar hij
in deze omstandigheden toch niets onaangenaams te vreezen had, verliet
Frans Macraw het vertrek. Het duurde lang eer hij terugkeerde, en toen
hij weêr binnen trad kondigde zijn gelaat verwondering en ontroering
aan.
„Ik ben nu niet zeker, of gij Adam Ochiltree zijt van Carrick’s
compagnie van het twee-en-veertigste, of wel de duivel in persoon!”
„En wat doet u dat denken, man?” vroeg de verwonderde bedelaar.
„Omdat de graaf zoo aangedaan en zoo verwonderd geweest is, als ik
nooit iemand in mijn leven zag. Maar hij wil u zien; – ik gaf hem dat
ingebakerd ding, en hij was eenige minuten glad van zijn stuk; ik
dacht, dat hij in onmacht vallen zou; – en toen hij weêr tot zichzelven
kwam, vroeg hij, wie het pakje gebracht had, – en wat denkt gij, dat ik
zei?”
„Een oud soldaat!” antwoordde Adam; „dat doet het meeste af aan de deur
der grooten; – aan den boer is het beter te zeggen, dat men een oude
ketellapper is, als men een kwartier zoekt; want de vrouw kan iets te
maken hebben.”
„Maar ik heb geen van beiden gezegd,” hernam Frans; „de graaf geeft zoo
weinig om den een als om den anderen; – maar hij houdt het meest van
hen, die de zonden repareeren kunnen. Zie je, ik heb gezegd, dat het
papier gebracht werd door een ouden man met een langen, witten baard; –
het kon wel een Kapucijner zijn, voor zoover ik wist; want hij was
gekleed als een oude pelgrim. Dus zal hij u laten ontbieden, zoodra hij
zich sterk genoeg gevoelt, om u te zien.”
„Ik wenschte, dat ik die taak al achter den rug had,” dacht Adam bij
zich zelven; „velen denken; dat de graaf niet juist bij zinnen is, en
wie zal zeggen, hoe ver hij in zijne drift gaan kan, omdat ik deze zaak
op mij nam?”
Maar het was nu te laat om terug te treden. – Er klonk eene bel uit een
verwijderd gedeelte van het huis, en Macraw zeide met eene benauwde
stem, alsof hij reeds in de tegenwoordigheid van zijn heer was: „dat is
de bel van den graaf! – volg mij, vlug en bedaard, Adam!”
Adam volgde zijn gids, die scheen te stappen, alsof hij bang was om
gehoord te worden, door een langen gang een achtertrap op, waardoor zij
in de familievertrekken kwamen. Deze waren hoog en ruim, en de kostbare
stoffeering getuigde van het aanzien en den ouden luister der familie.
Maar al de versierselen waren in den smaak van een vroeger tijdperk, en
men zou zich bijna hebben kunnen verbeelden, door de zalen te trekken
van een Schotschen edelman van vóór den tijd van de vereeniging der
kronen. De laatste gravin had, gedeeltelijk uit diepe minachting voor
de tijden, waarin zij leefde, gedeeltelijk uit een gevoel van
familietrots, niet gewild, dat men de meubels veranderen, of den
hedendaagschen smaak huldigen zou gedurende haar verblijf op het
kasteel Glenallan. Het prachtigste gedeelte der versierselen bestond
uit eene verzameling schilderijen van de beste meesters, die echter,
wat de zware lijsten betrof, eenigszins door den tijd geleden hadden.
Er hingen eenige fraaie familieportretten van Van Dijk en andere
uitstekende schilders; maar de verzameling was het rijkste in de
Heiligen en Martelingen van Domenichino, Velasquez en Murillo, en
andere onderwerpen van denzelfden aard, die men bij voorkeur boven
landschappen en historiestukken gekozen had. De wijze, waarop deze
godsdienstige, en soms pijnlijke onderwerpen waren voorgesteld,
strookte met den somberen aard der vertrekken; eene omstandigheid,
welke den ouden man niet geheel en al ontging, terwijl hij er, onder
geleide van zijn voormaligen krijgsmakker, doorheen stapte. Hij wilde
er een paar woorden over zeggen; maar Frans gaf hem een teeken om te
zwijgen, en eene deur, aan het einde der lange galerij met
schilderijen, openende, liet hij hem in een klein, zwart behangen
woonvertrek. Hier vonden zij den aalmoezenier, met het oor tegen eene
deur gekeerd, vlak over degene welke zij binnenkwamen, in de houding
van iemand, die aandachtig luistert, maar terzelfder tijd vreest om op
de daad betrapt te worden.
De oude dienstbode en de geestelijke ontstelden toen zij elkander
zagen; maar de aalmoezenier bedaarde het eerst, en zeide, op Macraw
toetredende, op onderdrukten maar gebiedenden toon: „Hoe durft gij het
vertrek van den graaf naderen zonder u te melden? en wie is die
vreemdeling, en wat heeft hij hier te doen? – Ga terug naar de galerij,
en wacht mij daar!”
„Het is onmogelijk, op dit oogenblik Uw Eerwaarde te gehoorzamen,”
antwoordde Macraw, zijne stem verheffende, zoodat hij in de nabijzijnde
kamer kon gehoord worden, wel wetende dat de monnik den woordentwist
binnen het gehoor van zijn beschermheer niet zou volhouden; – „de graaf
heeft om mij gescheld.”
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er werd op nieuw
gescheld, met veel grooter geweld dan te voren; en de geestelijke,
bemerkende dat het onmogelijk was verder te volharden, hief, terwijl
hij het vertrek verliet, den vinger tegen Macraw op, met een dreigend
gebaar.
„Heb ik het u niet gezegd?” zeide Frans fluisterende tegen Adam, en
opende daarop de deur, bij welke zij den luisterenden kapelaan gevonden
hadden.