ZEVENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

– Menige groote kon missen

Zijn halve goed, had hij de kunst en gunst

Van bedelen op hoogen trant.

Het bedelaarsbosch.

De oude Adam was met den leeuwerik op, en zijne eerste vraag was naar

Steven en het zakboek. De jonge visscher had zijn vader reeds vóór den

dageraad moeten vergezellen, om den vloed niet te verzuimen; maar hij

had beloofd, dat hij, dadelijk na zijne terugkomst, het zakboek, met

alles wat er in was, zorgvuldig in een stuk zeildoek gepakt, aan Ringan

Aikwood zou ter hand stellen voor Dousterswivel, den eigenaar.

De moeder had het morgenmaal voor het huisgezin klaar gemaakt, en begaf

zich, met hare vischmand op den schouder, met krachtige schreden op weg

naar Fairport. De kinderen liepen buiten het huis; want het was een

schoone dag, en zonneschijn. De oude grootmoeder, weêr op haren matten

stoel gezeten, had haar eeuwige spinrokken hervat, en bleef

onbeweeglijk, bij het gejoel en geschreeuw der kinderen, en het kijven

der moeder, dat het verspreiden van ’t huisgezin was vooraf gegaan.

Adam had zijne zakken in orde gebracht, en stond uitgerust, om op nieuw

zijn zwervend leven te beginnen, maar naderde eerst met behoorlijke

beleefdheid de oude vrouw, om afscheid van haar te nemen.

„Goeden dag, vrouwtje, en de hemel schenke u er vele van. Ik zal in het

begin van den herfst weêrkomen, en ik hoop u gezond en wel te vinden.”

„Bid, dat ge mij in mijn stil graf moogt vinden,” zei de oude vrouw,

met eene holle stem, maar zonder eenige uitdrukking op haar gelaat.

„Ge zijt oud, moeder! en dat ben ik ook; maar wij moeten wachten. Zijn

wil! – wij zullen op onzen tijd niet vergeten worden!”

„En onze daden ook niet,” antwoordde de oude; „wat in het lichaam

gedaan is, moet in den geest verantwoord worden!”

„Ik weet, dat het zoo is; en ik mag dat gezegde wel onthouden, daar ik

een los en zwervend leven geleid heb. Maar gij waart altijd eene brave

vrouw! Wij zijn allen zwak; – maar gij kunt toch zoo veel niet hebben,

om er onder gebukt te gaan.”

„Minder dan ik had kunnen doen, maar meer, o veel meer dan genoeg, om

den grootsten brik, die ooit uit de haven van Fairport zeilde, te doen

zinken! – Zei er gisteren niet iemand, – ten minste zoo staat het mij

voor, – maar oude lieden hebben vreemde verbeeldingen, – zei niet

iemand, dat de Gravin van Glenallan gestorven was?”

„Wie het ook zeide, heeft de waarheid gesproken,” antwoordde de

bedelaar; „zij werd gisteren bij toortslicht te St. Ruth begraven, en

ik, als een gek, ik kreeg een schrik, toen ik de lichten en de ruiters

zag.”

„Het was hunne manier sedert de dagen van den grooten Graaf, die bij

Harlaw gedood werd; – zij doen het, om te toonen, dat zij niet willen

sterven en begraven worden als andere menschen. – De vrouwen van het

huis van Glenallan rouwden niet over hare mannen, noch de zuster over

den broeder, – maar is zij dan werkelijk opgeroepen tot rekenschap?”

„Zoo zeker,” antwoordde Adam, „als dat ons beiden dat te wachten

staat!”

„Dan wil ik mijn hart luchten, wat er ook van kome!”

Deze woorden sprak zij met meer levendigheid, dan gewoonlijk hare

uitdrukkingen vergezelde, en voegde er een gebaar met de hand bij,

alsof zij iets van zich afweerde. Toen verhief zij zich in hare volle

grootte, – zij was eens lang geweest, zoo als men nog zien kon,

ofschoon thans gebukt door ouderdom en ziekte, – en stond vóór den

bedelaar als eene mummie, welke voor een oogenblik door een zwervenden

geest bezield wordt. Hare lichtblauwe oogen rolden heen en weêr, alsof

zij dan eens vergat en zich dan weêr te binnenbracht het doel, waarom

hare lange, dorre hand de verscheidene voorwerpen doorzocht, welk zich

in een grooten, ouderwetschen zak bevonden. Eindelijk trok zij er een

klein spanen doosje uit, en na het geopend te hebben, nam zij er een

fraaien ring uit, die haar bevatte van twee verschillende kleuren,

donker- en lichtbruin, tezamen gevlochten, en omgeven met

edelgesteenten van zeer groote waarde.

„Oude man!” zeide zij tegen Ochiltree, „als gij ooit op genade hoopt,

moet gij eene boodschap voor mij doen op het kasteel Glenallan, en naar

den Graaf vragen.”

„Naar den Graaf van Glenallan, oude! hoe? hij wil geen van de

edellieden uit de buurt zien, en zou hij dan den ouden bedelaar willen

ontvangen?”

„Ga maar en beproef het; – en zeg hem, dat Elspeth van Craigburnfoot; –

hij zal mij het best bij dien naam kennen, – hem zien moet, eer zij

hare lange levensreis geëindigd heeft, en dat zij hem dien ring zendt,

als eene herinnering aan de zaak, waarover zij hem spreken wil!”

Ochiltree bekeek den ring met eenige verwondering over de schijnbare

waarde er van, en na hem weêr zorgvuldig in het doosje gelegd, en dit

in een ouden, gescheurden zakdoek gewikkeld te hebben, stak hij het in

zijne borst.

„Wel, oude!” zeide hij, „ik zal doen, wat gij verzoekt, of het zal

mijne schuld niet zijn. – Maar zeker werd er nooit te voren zulk een

fraai ding als dit aan een Graaf uit naam van een oud vischwijf door

een ouden bedelaar gezonden.”

Met deze aanmerking nam Adam zijn stok, zette den breedgeranden hoed

op, en vertrok om zijn tocht te ondernemen. De oude vrouw bleef eenigen

tijd onbewegelijk in dezelfde houding staan, de oogen naar de deur

gericht, waaruit haar afgezant vertrokken was. De schijn van

opgewektheid, welke het gesprek veroorzaakt had, verdween langzamerhand

van hare gelaatstrekken; – zij zonk neêr op haren stoel, en hervatte

haren werktuigelijken arbeid met haar gewoon gevoelloos uiterlijk.

Adam Ochiltree vervolgde zijn weg – de afstand van Glenallan was

omtrent drie uren gaans, een marsch, welken de oude soldaat in ongeveer

vier uren aflegde. Met eene nieuwsgierigheid, aan zijn beroep en de

levendigheid van zijn karakter eigen, pijnigde hij zich den geheelen

weg over, met te gissen, wat het doel zijn kon van de geheimzinnige

boodschap, die hem was toevertrouwd, of welk belang de hoogmoedige,

rijke en machtige Graaf van Glenallan in de misdaden, of het berouw

stellen kon van eene oude, versufte vrouw, wier rang in de samenleving

niet veel boven dien van haren bode verheven was. Hij trachtte zich

alles weêr te herinneren, wat hij ooit van de familie Glenallan geweten

of gehoord had; maar bleef buiten staat, om eenige gissing omtrent het

onderwerp zijner zending te maken. Hij wist, dat al de uitgestrekte

goederen van dit oud en machtig geslacht aan de onlangs afgestorvene

Gravin gekomen waren, die, in zeer aanmerkelijke mate, het gestrenge,

harde, willekeurige karakter bezat, dat het huis van Glenallan

onderscheidde sedert de eerste melding, die er in de Schotsche

geschiedenis van gemaakt wordt. Even als de overigen van hare

voorouders, was zij het Roomsch-Katholieke geloof oprecht toegedaan, en

gehuwd geweest met een Engelschen edelman van denzelfden godsdienst, en

van een zeer groot vermogen, die deze verbintenis geene twee jaren

overleefde. De Gravin bleef dus vroeg weduwe, met het onbeperkt beheer

over de groote bezittingen van hare twee zonen. De oudste, lord

Geraldin, die in den titel en het vermogen van Glenallan opvolgde, was

gedurende haar leven geheel en al afhankelijk van zijne moeder. De

jongere, tot jaren gekomen zijnde, nam den naam en het wapen van zijn

vader aan, en trad in het bezit van zijne goederen, overeenkomstig de

bepalingen, bij de huwelijks-voorwaarden gemaakt. Sedert dien tijd,

hield hij zich grootendeels op in Engeland, en legde slechts zeer

weinige en korte bezoeken af bij zijne moeder en zijn broeder; en deze

bleven er ten laatste geheel van bevrijd, toen hij tot den hervormden

godsdienst overging.

Maar, ook vóór dat hij zijne moeder dus ernstig beleedigde, had het

verblijf te Glenallan weinig aanlokkelijks voor een vroolijken jongen

man, gelijk Eduard Geraldin Nelville, ofschoon het sombere en de

afzondering der plaats scheen te strooken met den eenzamen en

droefgeestigen aard van zijn oudsten broeder. Lord Geraldin, bij zijne

intrede in de wereld, had zich voorgedaan als een kundig en veel

belovend jonkman. Degenen die hem op zijne reizen leerden kennen,

hadden de grootste verwachting van zijne toekomstige loopbaan. Maar

zulke fraaie dageraden ziet men dikwijls reeds in den morgen door

wolken verduisterd. De jonge edelman keerde naar Schotland terug, en,

na ongeveer een jaar in het gezelschap zijner moeder op het huis

Glenallan te hebben doorgebracht, scheen hij al het gestrenge, sombere

en droefgeestige van haar karakter te hebben aangenomen. Uitgesloten

van staatsambten door onbevoegdheid, uithoofde van zijn godsdienst, en

van andere bezigheden door eigene keuze, bracht lord Geraldin het leven

in de strengste afzondering door. Zijn gewoon gezelschap bestond uit

den geestelijke van zijne gemeente, die hem van tijd tot tijd bezocht;

en zeer zeldzaam, bij bepaalde gelegenheden, op hooge feestdagen,

werden een paar familiën, die nog den Roomsch-Katholieken godsdienst

beleden, plechtstatig op het huis Glenallan onthaald. Maar dat was ook

alles; – hunne Hervormde naburen wisten van de familie niets

hoegenaamd, en de Katholieken zelven zagen weinig meer, dan het deftig

onthaal en de pracht, welke men bij die gelegenheden ten toon spreidde,

en allen keerden terug, zonder te weten, of zij zich meer verwonderen

moesten over de ernstige en fiere houding der Gravin, of over de diepe

en sombere neêrslachtigheid, die altijd op de gelaatstrekken van den

zoon rustte. Het laatste sterfgeval had hem in het bezit van zijn

vermogen en zijn titel gesteld, en men begon reeds gissingen te maken,

of de opgeruimdheid met de onafhankelijkheid zou terugkeeren, toen zij,

die eenige kennis van den toestand der familie hadden, het gerucht

verspreidden, dat de gezondheid van den graaf ondermijnd was door

godsdienstige kastijdingen, en dat hij, naar alle waarschijnlijkheid,

weldra zijne moeder in het graf zou volgen. Dit was te

waarschijnlijker, daar zijn broeder mede aan eene kwijnende ziekte

overleden was, die in de laatste jaren van zijn leven, lichaam en ziel

terzelfder tijd had aangetast: zoodat de wapen- en geslachtkundigen

reeds hunne registers opsloegen, om den erfgenaam van deze ongelukkige

familie te ontdekken, en de rechtsgeleerden met een genoegelijk

voorgevoel spraken over de waarschijnlijkheid van een „langdurig proces

over de goederen der familie Glenallan.”

Toen Adam Ochiltree den voorgevel van het kasteel Glenallan naderde, –

een oud en uitgestrekt gebouw, van hetwelk het nieuwste gedeelte door

den beroemden Inigo Jones ontworpen werd, – begon hij te overleggen, op

welke wijze hij best slagen zou, om toegang te verkrijgen, ten einde

zijne boodschap te verrichten; en hij besloot, na lange overweging, om

het doosje met den ring door een der dienstboden aan den Graaf te

zenden. Met dit oogmerk, begaf hij zich naar eene kleine woning, waar

hij de benoodigdheden verkreeg, om den ring in een verzegeld pak te

sluiten, dat hij als een bedelbrief adresseerde: Aan den hooggeboren

Graaf van Glenallan. – Deze! Maar wetende, dat brieven aan deuren van

groote huizen, door zijns gelijken afgegeven, niet altijd hunne

bestemming bereiken, nam Adam, als oud soldaat, het besluit, om het

terrein op te nemen, eer hij den beslissenden aanval deed.

Dienovereenkomstig, het portiershuisje naderende, ontdekte hij aan het

getal armen, daarvoor geschaard, – van welken er eenigen behoeftigen

uit de buurt, en anderen zwervers van zijn eigen beroep waren, – dat er

eene algemeene uitdeeling geschiedde.

„Een goede dienst,” – zeide Adam bij zich zelven, – „blijft nooit

onvergolden: – ik krijg hier wellicht eene goede aalmoes, die ik gemist

zou hebben, als ik niet voor de oude vrouw op het pad was!”

Hij rangschikte zich dus onder de havelooze bende, en drong zoo dicht

mogelijk vóor in het eerste gelid, – eene onderscheiding, die hij

begreep, dat zijn blauwen rok en zak, niet minder dan zijne jaren en

ondervinding, toekwam; maar hij merkte weldra, dat men den voorrang in

deze vergadering volgens een ander beginsel schonk, waaraan hij niet

gedacht had.

„Zijt ge Roomsch, vriend, dat gij u zoo stout naar voren dringt? – Ik

geloof het niet; want er zijn geene Katholieken, die den blauwen rok

dragen.”

„Neen, neen! ik ben geen Roomsche!” zeide Adam.

„Dan pak u weg naar de Episcopalen of Presbyterianen ginds; – ’t is

schande, een ketter zulk een langen, witten baard te zien dragen, die

een kluizenaar eer zou aandoen!”

Ochiltree, dus uit het genootschap der Katholieke bedelaars verstooten,

of van diegenen, welke zich dus noemden, ging zich plaatsen bij de

armen van de gemeente der kerk van Engeland, aan welken de edele gever

eene dubbele bedeeling van zijne liefdegiften toelegde. Maar nooit werd

een ongelukkige afvallige ruwer door de hooge Kerkvergadering

behandeld, zelfs niet ten tijde dat men de zaak met hartstocht

behandelde, – in de dagen van Koningin Anna.

„Ziet hem met zijn zak!” zeiden zij; „hij hoort des morgens van elken

koning’s verjaardag, een van de Presbyteriaansche kapelanen eene preek

opdisschen, en nu zou hij zich voor een van de Episcopaalsche kerk

willen uitgeven! Neen, neen! daar zullen wij voor zorgen!”

Adam, dus door Roomschen en Episcopalen verstooten, was genoodzaakt,

zich onder het gelach zijner makkers te verschuilen bij de kleine groep

Presbyterianen, die hunne godsdienstige gevoelens voor eene ruimere

bedeeling niet hadden willen verzaken, of misschien wisten, dat zij het

bedrog niet konden beproeven, zonder zeker te zijn van ontdekt te

worden.

Ook in de wijze, waarop men de liefdegiften, bestaande uit brood,

rundvleesch, en een stuk geld, aan elken persoon van alle drie klassen

uitdeelde, werd dezelfde graad van voorrang in acht genomen. De

aalmoezenier, een geestelijke, deftig van voorkomen en manieren,

bestierde in persoon de verzorging der Katholieke bedelaren, stelde bij

de uitreiking der gift aan ieder een paar vragen, en beval in hunne

gebeden de ziel aan van Joscelinde, laatste Gravin van Glenallan,

moeder van hun weldoener. De portier, kenbaar aan zijn langen staf, van

boven met zilver beslagen, en aan zijn zwarten tabbaard, omzoomd met

kant van dezelfde kleur, welke hij als rouw droeg, had het toezicht

over de uitdeeling aan de Episcopalen. De lieden der minst begunstigde

kerkgemeente waren overgelaten aan de zorg van een bejaarden

dienstbode.

Terwijl deze laatste over eenig verschilpunt met den portier sprak,

troffen zijn naam, die bij toeval genoemd werd, en zijne gelaatstrekken

Ochiltree, en wekten bij hem herinneringen op aan vroegere tijden. De

laatsten der verzamelde menigte waren nu aftrekkende, toen de knecht,

weêr de plaats naderde, waar Adam nog bleef dralen, en met een sterken

Hooglandschen tongval zeide: „Wat scheelt den ouden, dat hij niet weg

kan gaan, nu hij zijn vleesch en geld gekregen heeft?”

„Frans Macraw!” antwoordde Adam Ochiltree, „heugt u Fontenoy niet meer,

en het „houdt u gesloten! sluit de gelederen?”

„Oho, oho!” riep Frans, met een echt hooglandschen gil van herkenning,

„niemand kan die woorden gezegd hebben, dan mijn oude voorman van het

eerste gelid, Adam Ochiltree – Maar het spijt mij, man! dat ik u in

zulk een toestand zie.”

„Niet zoo slecht, als gij denken zoudt, Frans! Maar ik zou niet gaarne

deze plaats verlaten, zonder eens met u te praten, en ik weet niet,

wanneer ik u weêr te zien zal krijgen; want de Protestanten zijn bij uw

volk niet recht welkom, en dat is de reden, waarom ik vroeger nooit

hier geweest ben.”

„Foei, foei!” zeide Frans, „laat dat dáár, – als de modder droog is,

laat hij zich afwrijven – kom maar met mij, en ik zal u wat beters

geven, man, dan dat runderbot!”

Daarop, na den portier iets ingefluisterd te hebben (waarschijnlijk, om

zijne toestemming te verzoeken), en na gewacht te hebben tot de

aalmoezenier met langzame en statige schreden in het huis was terug

gekeerd, bracht Frans Macraw zijn ouden kameraad op het plein van het

kasteel Glenallan, boven welks sombere poort zich een groot wapenschild

bevond, waarop, als gewoonlijk, de zinnebeelden van menschelijken trots

en menschelijke nietigheid vereenigd voorgesteld waren: het

geslachtswapen van de Gravin, met al de ontelbare kwartieren, in een

ruit afgebeeld, en omgeven door de bijzondere schilden van hare

vaderlijke en moederlijke voorouders, – en verder door zeisen,

zandloopers, doodshoofden en andere zinnebeelden der sterfelijkheid,

welke alle onderscheidingen tot de oorspronkelijke gelijkheid

terugbrengt. Zijn vriend zoo spoedig mogelijk over de breede plaats

geleidende, bracht Macraw hem door eene zijdeur in een klein vertrekje

naast de dienstbodenkamer, dat hij, omdat hij den Graaf van Glenallan

persoonlijk bediende, het zijne noemde. Koud gebraad van allerlei aard,

sterk bier en zelfs een glas likeur te voorschijn te brengen, leverde

geene zwarigheid op voor zulk een gewichtigen persoon als Frans, die,

bij het gevoel van zijne waardigheid, de slimme Hooglandsche voorzorg

niet had vergeten, welke hem eene goede verstandhouding met den

hofmeester voorschreef. Onze bedelaar dronk zijn glaasje bier, en sprak

over oude tijden met zijn kameraad, tot hij, geene stof meer voor een

gesprek kunnende bedenken, besloot, om het onderwerp van zijn

gezantschap aan te roeren, dat hem eenige oogenblikken lang uit het

geheugen gegaan was.

„Hij had den Graaf,” zeide hij, „een verzoekschrift aan te bieden;” –

want hij oordeelde het voorzichtig, om niets van den ring te zeggen,

daar hij niet wist, zoo als hij naderhand opmerkte, in hoe ver de

eerlijkheid van een oud soldaat in den dienst van een grooten heer,

ongeschonden was gebleven.

„Hoe! wat, man!” zeide Frans; „de Graaf wil zich met geene

verzoekschriften bemoeien; – maar ik kan het den aalmoezenier geven!”

„Maar het heeft betrekking tot een geheim, zoodat de graaf het wellicht

liever zelf zou willen zien.”

„Dit is juist eene reden, waarom de aalmoezenier het eerst, en het

allereerste van allen, zou willen zien.”

„Maar ik ben hierheen gekomen, om het zelf over te geven, Frans, en

waarlijk gij moet er mij meê helpen!”

„Nu dan, het ga mij nooit weder goed, als ik het niet doe,” antwoordde

de Hooglander. „Zij mogen zoo kwaad zijn, als zij willen, zij kunnen

mij toch slechts wegjagen, en ik was reeds zoo wat van plan, om mijn

ontslag te nemen, en mijne dagen te Inverary te gaan eindigen.”

„Met dit stout besluit, om zijn vriend in elk geval te dienen, daar hij

in deze omstandigheden toch niets onaangenaams te vreezen had, verliet

Frans Macraw het vertrek. Het duurde lang eer hij terugkeerde, en toen

hij weêr binnen trad kondigde zijn gelaat verwondering en ontroering

aan.

„Ik ben nu niet zeker, of gij Adam Ochiltree zijt van Carrick’s

compagnie van het twee-en-veertigste, of wel de duivel in persoon!”

„En wat doet u dat denken, man?” vroeg de verwonderde bedelaar.

„Omdat de graaf zoo aangedaan en zoo verwonderd geweest is, als ik

nooit iemand in mijn leven zag. Maar hij wil u zien; – ik gaf hem dat

ingebakerd ding, en hij was eenige minuten glad van zijn stuk; ik

dacht, dat hij in onmacht vallen zou; – en toen hij weêr tot zichzelven

kwam, vroeg hij, wie het pakje gebracht had, – en wat denkt gij, dat ik

zei?”

„Een oud soldaat!” antwoordde Adam; „dat doet het meeste af aan de deur

der grooten; – aan den boer is het beter te zeggen, dat men een oude

ketellapper is, als men een kwartier zoekt; want de vrouw kan iets te

maken hebben.”

„Maar ik heb geen van beiden gezegd,” hernam Frans; „de graaf geeft zoo

weinig om den een als om den anderen; – maar hij houdt het meest van

hen, die de zonden repareeren kunnen. Zie je, ik heb gezegd, dat het

papier gebracht werd door een ouden man met een langen, witten baard; –

het kon wel een Kapucijner zijn, voor zoover ik wist; want hij was

gekleed als een oude pelgrim. Dus zal hij u laten ontbieden, zoodra hij

zich sterk genoeg gevoelt, om u te zien.”

„Ik wenschte, dat ik die taak al achter den rug had,” dacht Adam bij

zich zelven; „velen denken; dat de graaf niet juist bij zinnen is, en

wie zal zeggen, hoe ver hij in zijne drift gaan kan, omdat ik deze zaak

op mij nam?”

Maar het was nu te laat om terug te treden. – Er klonk eene bel uit een

verwijderd gedeelte van het huis, en Macraw zeide met eene benauwde

stem, alsof hij reeds in de tegenwoordigheid van zijn heer was: „dat is

de bel van den graaf! – volg mij, vlug en bedaard, Adam!”

Adam volgde zijn gids, die scheen te stappen, alsof hij bang was om

gehoord te worden, door een langen gang een achtertrap op, waardoor zij

in de familievertrekken kwamen. Deze waren hoog en ruim, en de kostbare

stoffeering getuigde van het aanzien en den ouden luister der familie.

Maar al de versierselen waren in den smaak van een vroeger tijdperk, en

men zou zich bijna hebben kunnen verbeelden, door de zalen te trekken

van een Schotschen edelman van vóór den tijd van de vereeniging der

kronen. De laatste gravin had, gedeeltelijk uit diepe minachting voor

de tijden, waarin zij leefde, gedeeltelijk uit een gevoel van

familietrots, niet gewild, dat men de meubels veranderen, of den

hedendaagschen smaak huldigen zou gedurende haar verblijf op het

kasteel Glenallan. Het prachtigste gedeelte der versierselen bestond

uit eene verzameling schilderijen van de beste meesters, die echter,

wat de zware lijsten betrof, eenigszins door den tijd geleden hadden.

Er hingen eenige fraaie familieportretten van Van Dijk en andere

uitstekende schilders; maar de verzameling was het rijkste in de

Heiligen en Martelingen van Domenichino, Velasquez en Murillo, en

andere onderwerpen van denzelfden aard, die men bij voorkeur boven

landschappen en historiestukken gekozen had. De wijze, waarop deze

godsdienstige, en soms pijnlijke onderwerpen waren voorgesteld,

strookte met den somberen aard der vertrekken; eene omstandigheid,

welke den ouden man niet geheel en al ontging, terwijl hij er, onder

geleide van zijn voormaligen krijgsmakker, doorheen stapte. Hij wilde

er een paar woorden over zeggen; maar Frans gaf hem een teeken om te

zwijgen, en eene deur, aan het einde der lange galerij met

schilderijen, openende, liet hij hem in een klein, zwart behangen

woonvertrek. Hier vonden zij den aalmoezenier, met het oor tegen eene

deur gekeerd, vlak over degene welke zij binnenkwamen, in de houding

van iemand, die aandachtig luistert, maar terzelfder tijd vreest om op

de daad betrapt te worden.

De oude dienstbode en de geestelijke ontstelden toen zij elkander

zagen; maar de aalmoezenier bedaarde het eerst, en zeide, op Macraw

toetredende, op onderdrukten maar gebiedenden toon: „Hoe durft gij het

vertrek van den graaf naderen zonder u te melden? en wie is die

vreemdeling, en wat heeft hij hier te doen? – Ga terug naar de galerij,

en wacht mij daar!”

„Het is onmogelijk, op dit oogenblik Uw Eerwaarde te gehoorzamen,”

antwoordde Macraw, zijne stem verheffende, zoodat hij in de nabijzijnde

kamer kon gehoord worden, wel wetende dat de monnik den woordentwist

binnen het gehoor van zijn beschermheer niet zou volhouden; – „de graaf

heeft om mij gescheld.”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er werd op nieuw

gescheld, met veel grooter geweld dan te voren; en de geestelijke,

bemerkende dat het onmogelijk was verder te volharden, hief, terwijl

hij het vertrek verliet, den vinger tegen Macraw op, met een dreigend

gebaar.

„Heb ik het u niet gezegd?” zeide Frans fluisterende tegen Adam, en

opende daarop de deur, bij welke zij den luisterenden kapelaan gevonden

hadden.

De oudheidkenner · 第 32 / 54 题