VIJFENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

– Ziet ge de zakken liggen

Van gierige kloosterlingen? Gevangene munten

Moet gij verlossen: –

Schel, boek en toorts drijven mij niet weg,

Waar goud en zilver wenken mij te nad’ren –

Koning Johan.

De nacht was onstuimig, met wind en regenvlagen. „Eilieve” zei de oude

bedelaar, toen hij zich aan den droogen kant van den grooten eikenboom

neêrzette, om op zijn makker te wachten – „de menschelijke natuur is

toch een koppig, eigenzinnig iets! – De geldzucht alleen, drijft dien

Duisterduivel door een weêr als dit, te middernacht, naar deze woeste,

akelige streken! – en ben ik zelf geen grooter gek, dat ik hem hier zit

te wachten?”

Na deze wijze bedenkingen, wikkelde hij zich dicht in zijn mantel, en

keek naar de maan, die zich tusschen de stormachtige en donkere wolken

vertoonde, die de wind voor zich uitdreef. Het spookachtige en

ongestadige licht viel tusschen de voorbijtrekkende schaduwen op de

gebarsten bogen en spitse vensterramen van het oude gebouw: deze werden

dus voor een oogenblik duidelijk zichtbaar; en dan weêr een duistere

massa waarvan men niets kon onderscheiden. Het kleine meer was ook

verlicht door de flikkerende lichtstralen, en vertoonde zijne wateren,

ontroerd onder den storm, golvend en bruischend, echter, als de wolken

over de maan joegen, slechts te onderscheiden door hun dof ruischen

tegen de oevers. Het boschrijke dal weêrgalmde met elke windvlaag, die

er achtereenvolgens door heen vloog; van het gekraak en gesteun,

waarmede de boomen den storm beantwoordden, en het geluid ging over,

als de vlaag voorbij was, in een ontzagwekkend en steeds afnemend

gekerm, gelijkende op de laatste zuchten van een zieltogenden

misdadiger, als de eerste pijnen van zijne foltering voorbij zijn. Het

bijgeloof zou in deze geluiden voedsel genoeg gevonden hebben voor die

rillingen, welke het vreest en toch tevens zoekt. Maar dergelijke

gevoelens waren aan Ochiltree vreemd. Zijn geest keerde terug naar de

tooneelen zijner jeugd.

„Ik heb,” – sprak hij tot zich zelven, – „in menigen ergeren nacht dan

deze op schildwacht gestaan, op de voorposten in Duitschland en

Amerika, terwijl ik wist, dat een twaalftal schutters in de struiken op

mij loerden. Maar ik was altijd wakker op mijn post: – geen mensch vond

ooit den ouden Adam in den dut.”

Terwijl hij dus bij zich zelven prevelde, nam hij, zonder er aan te

denken, zijn getrouwen stok op schouder en de houding van eene

schildwacht aan, en riep, toen hij een voetstap in de nabijheid van den

boom hoorde, op een toon, die beter met zijne krijgshaftige

herinneringen, dan met zijn tegenwoordigen toestand strookte: „halt! –

wie daar?”

„De duivel, goede Adam!” antwoordde Dousterswivel; „waarom roept gij

zoo hard als een grenadier op de wacht, – of wat gij een dienstdoende

noemt, ik meen eene schildwacht? –”

„Juist omdat ik in dit oogenblik mij verbeeldde eene schildwacht te

zijn. – Dit is een verschrikkelijke nacht: – hebt gij eene lantaren en

een zak voor het geld meêgebracht?”

„Wel ja! – ja – mijn goede vriend! daar zijn ze: – een paar

mantelzakken; – de eene kant is voor u, de andere voor mij; en daar gij

een oude man zijt, wil ik de zakken op mijn paard nemen, om u die

moeite te sparen.”

„Hebt gij dus een paard hier?”

„O ja, mijn vriend! daar aan het hek gebonden.”

„Wel, ik heb slechts één woord te zeggen: – er zal niets van mijn goed

op den rug van uw beest komen.”

„Hoe! waar zijt gij bang voor?”

„Eenvoudig van paard, man en geld tegelijk uit het oog te verliezen.”

„Weet gij, dat gij van een fatsoenlijk man een grooten schurk maakt?”

„Menig fatsoenlijk man,” – antwoordde Ochiltree – „maakt dat van

zichzelven; – maar, waarom twisten? – Wilt gij, zoo als ik wil, kom dan

meê; – wilt gij niet, dan keer ik naar het drooge stroo in de schuur

van Ringen Aikwood terug, dat ik ongaarne genoeg verliet, en breng het

houweel en de schop weêr op de plaats, vanwaar ik ze genomen heb.”

Dousterswivel overlegde een oogenblik, of hij, door Adam te laten

vertrekken, niet wellicht bezit van den ganschen schat zou kunnen

nemen. Maar het gebrek aan de noodige gereedschappen, de onzekerheid,

of hij ook, wanneer hij die had, zonder hulp het graf diep genoeg zou

kunnen opruimen, en, vooral, de tegenzin dien hij gevoelde, om, na de

ondervinding van den vorigen nacht, alleen de verschrikkelijkheden van

Misticot’s graf te torschen: – dit alles overtuigde hem dat de

onderneming eenigszins gewaagd zou zijn. Hij poogde dus, hoezeer

innerlijk vergramd, zijn gewonen vleienden toon aan te nemen, en

verzocht „zijn goeden vriend, mijnheer Adam Ochiltree, vóór te gaan, en

verzekerde, dat hij zich in alles voegen wilde, wat zulk een

voortreffelijke vriend mocht voorstellen.”

„Wel nu dan,” zeide Adam, „pas op uwe voeten tusschen het lange gras en

de losse steenen. – Ik hoop, dat wij vooreerst het licht zullen kunnen

aanhouden bij dezen verschrikkelijken wind; – maar tusschenbeide

schemeren de stralen van de maan toch door.”

Met deze woorden sloeg de oude Adam, vergezeld van den goudzoeker, die

hem zoo dicht mogelijk op zijde ging, den weg in naar de bouwvallen;

maar bleef plotseling vlak daarvoor staan. „Gij zijt een geleerd man,

mijnheer Duisterduivel, en weet zeer veel van de wonderen der natuur; –

nu wilde ik u iets vragen: gelooft gij aan geesten en spoken, die op de

aarde rondwaren? ja! of neen?”

„Hoe! mijn goede heer Adam! is dit nu de tijd en de plaats voor zulk

eene vraag?”

„Wel zeker mijnheer Duisterduivel! want ik moet u ronduit zeggen: men

wil, dat de oude Misticot hier spookt. Nu zou dit juist geen gelukkige

nacht zijn, om hem te ontmoeten; en wie weet, of hij wel bovenmate in

zijn schik zou zijn met ons voornemen, om zijn graf te bezoeken?”

„Alle guten Geister!” – mompelde de goudzoeker, terwijl het overige van

zijne bezwering door zijne bevende stem onhoorbaar werd. „Spreek toch

niet zoo, mijn goede heer Adam, want uit alles wat ik gisteren nacht

hoorde, geloof ik wel –”

„Wat mij betreft,” – zeide Ochiltree, het koor binnen tredende, met

eene uittartende beweging van de hand, „hij zou mij geen knip voor den

neus waard zijn, al verscheen hij op dit oogenblik zelf! – hij is

slechts een geest zonder lichaam, en wij beide hebben lichamen en

geesten er bij!”

„Om ’s hemels wil!” zeide Dousterswivel, „zeg toch niets van de geesten

met of zonder lichamen!”

„Wel nu,” zei de bedelaar, de lantaren openende, „hier is de steen; en

geest of geen geest, ik zal wat dieper in zijn graf kijken,” – en hij

sprong in het gat, waarin men ’s morgens de kostbare kist had gevonden.

Na eenige slagen gedaan te hebben, werd hij moede, of wendde voor moede

te worden, en zeide tegen zijn makker: „Ik ben nu oud en zwak, en kan

het niet volhouden. – Ieder zijne beurt is recht van ’t spel, buurman!

– nu moet gij er in, en de schop ter hand nemen, en de losse aarde

uitwerpen, en dan zal ik u weêr aflossen.”

Dousterswivel nam dus de plaats in, die de bedelaar verlaten had, en

werkte met al den ijver, welken de ontwaakte geldzucht, gepaard met den

beangstigenden wensch, om de onderneming te eindigen en de plaats zoo

spoedig mogelijk te verlaten, iemand kon inboezemen, die te gelijker

tijd winstzuchtig, achterdochtig en vreesachtig was.

Adam, stond zeer op zijn gemak naast het gat en vergenoegde zich met

zijn deelgenoot te vermanen, om wat harder te werken. „Op mijn woord!

daar zullen er niet veel zijn, die voor zulk een goed dagloon gewerkt

hebben, en laat het slechts het tiende gedeelte zoo groot zijn als de

kist No. 1., dan zal het toch nog eens zoo veel waard wezen, daar ze

met goud in plaats van met zilver gevuld is. – Wel, gij werkt alsof gij

bij houweel en schop waart groot gebracht: – gij zoudt ridderlijk uw

halven daalder daags verdienen kunnen. Berg uwe teenen voor dezen

steen!” Terzelfder tijd stootte Adam, als bij ongeluk, een zeer zwaren

steen, dien de goudzoeker met groote moeite naar boven getild had, ten

koste van diens schenen, naar beneden terug.

Dousterswivel, dus aangevuurd door den bedelaar, sloofde zich af

tusschen de steenen en den vasten kleigrond, terwijl hij zoo hard hij

kon werkte, en tusschen de tanden vloekte. Maar, zoodra hem eene

verwensching ontviel, veranderde Adam van batterij.

„O, vloek niet, vloek niet! – men kan niet weten, wie er naar luistert!

– Hoe! God helpe ons! wat staat daar? – O! het is maar een tak van een

klimop, die zich in den wind beweegt; toen er de maan op scheen, geleek

het volmaakt op den arm van een dood mensch, met eene kaars; ik dacht,

dat het Misticot zelf was! Maar stoor u er niet aan; werk maar door: –

smijt de aarde flink buiten het gat; – op mijn woord, gij zoudt even

netjes een graf kunnen maken als Willem Winnet zelf! Wat doet u nu

ophouden? – Gij zijt juist op de diepte, waar het geld zijn zal!”

„Ophouden!” herhaalde de goudzoeker, op den vergramden toon van iemand,

die zich teleurgesteld vindt; „ik ben ja op den steengrond zelven,

waarop die verdoemde ruïnen (God vergeef het me!) gebouwd zijn.”

„Wel,” zei de bedelaar, „gij zijt juist op de rechte plaats: – het zal

slechts eene groote grafzerk zijn, die men er ingelegd heeft, om het

goud te bedekken; neem het houweel, en zet er meer kracht bij, man! –

één flinke slag, van boven aangebracht, zal den steen doen barsten, ik

verzeker het u! – Ja, zoo, – dat zal helpen; – waarachtig, gij slaat er

fiks op!”

De goudzoeker, door Adam aangespoord, deed inderdaad een paar wanhopige

slagen, en het gelukte hem ook, om te breken – niet juist datgene,

waarop hij sloeg, dat, zoo als hij reeds gegist had, de vaste rots

zelve was, – maar het gereedschap, dat hij hanteerde, terwijl de kracht

der slagen, door den tegenstand welken ze ontmoetten vergroot, hem tot

aan de schouderbladeren door de armen trokken en zeer deden.

„Jongens, jongens! – daar gaat Ringan’s houweel naar de maan!” riep

Adam; „het is schande van het volk te Fairport, zulk slechte waar te

verkoopen. Neem de schop nog eens ter hand, mijnheer Duisterduivel!”

De goudzoeker, klouterde zonder te antwoorden, nu uit het gat, dat zes

voet diep was, en wendde zich tot zijn deelgenoot met eene stem, die

van gramschap beefde. „Kent ge, mijnheer Adam Ochiltree den man,

waarmede gij u lustig maakt?”

„Zeer goed, mijnheer Duisterduivel! – zeer goed, en dat heb ik reeds

lang gedaan; maar gekheid komt hier niet te pas: want ik verlang onze

schatten te zien. Wij moesten de beide kanten van den mantelzak nu

reeds gevuld hebben: – ik hoop, dat die ruim genoeg zal zijn, om alles

te bergen.”

„Pas op, gij leelijke oude kerel! nog ééne aardigheid, en ik sla u het

hoofd met deze schop stuk!”

„En waar zouden mijne handen en mijn stok op dat oogenblik zijn? – Wel,

mijnheer Duisterduivel! ik ben ook zoo lang niet in de wereld geweest,

om er nu op die wijze uit te raken. Wat deert u, man! om zoo nijdig op

uwe vrienden te wezen? Ik wed, dat ik den schat dadelijk vind!” en hij

sprong in het gat, en nam de schop op.

„Als ge mij eene slimme streek speelt,” zei de goudzoeker, wiens

verdenkingen nu ontwaakt waren, „zal ik u een fiksch pak slagen geven,

heer Adam, dat zweer ik u!”

„Hoor hem nu eens!” zeide Ochiltree; „hij weet, hoe men de menschen

schatten kan doen vinden! – Inderdaad, ik geloof haast, dat hij zelf

eens op die wijze gedrild is geweest.”

Op dit gezegde, dat klaarblijkelijk zinspeelde op wat vroeger tusschen

Dousterswivel en Sir Arthur had plaats gehad, verloor de wijsgeer het

weinige geduld dat hem nog was overgebleven, en ligtte in zijne drift

het dikke einde van het gebroken houweel op, om er het hoofd van den

ouden man meê in te slaan. De slag zou, naar alle waarschijnlijkheid,

noodlottig geweest zijn, zoo hij, tegen wien die gericht was, niet met

eene ernstige en vaste stem uitgeroepen had: „Schaam u, man! – Gelooft

gij, dat hemel en aarde dulden zullen, dat gij een ouden man doodt, die

uw vader zijn kon? – kijk om, man!”

Dousterswivel keerde zich onwillekeurig om en zag, tot zijne uiterste

verbazing, een lange, zwarte gestalte achter hem staan, die hem geen

tijd gaf, tot bezweringen of iets anders zijne toevlucht te nemen,

maar, rechtstreeks tot dadelijkheden overgaande, drie- of viermaal de

maat van zijne schouders met zulke geduchte slagen nam, dat hij er

onder bezweek en eenige minuten lang tusschen vrees en schrik

bewusteloos bleef liggen. – Toen hij weêr tot zich zelven kwam, was hij

alleen in het koor, waar de losse en vochtige aarde, die men uit het

graf van Misticot had opgeworpen, hem tot rustbed diende. Hij richtte

zich op met een gemengd gevoel van gramschap, smart en schrik; en niet

dan na eenige minuten overeind gezeten te hebben, kon hij zijne

gedachten genoegzaam bijeen krijgen, om zich te herinneren, hoe, en met

welk doel hij daarheen gekomen was. Naarmate hij zich alles herinnerde,

bleef hem weinig twijfel meer over, of de moeite, die Ochiltree zich

gegeven had om hem op die eenzame plaats te brengen, de spotternijen,

waarmede deze hem tot een twist gedreven had, en de hulp, welke hij

gevonden had, om aan dien twist een voor hem gewenschten uitslag te

geven, alle onderdeelen waren van een overlegd plan, om Herman

Dousterswivel in het verderf te lokken. Hij kon moeilijk

veronderstellen, dat hij zijn vermoeiend werk, den angst en de slagen,

welke hij ontvangen had, alleen aan de kwaadaardigheid van Adam

Ochiltree te danken had; maar hij besloot, dat de bedelaar eene rol

gespeeld had, hem door eenig persoon van meer gewicht opgelegd. Zijne

verdenkingen waren verdeeld tusschen Oldbuck en Sir Arthur Wardour. De

eerste had zich geene moeite gegeven, om den afkeer, dien hij van hem

had, te verbergen; – maar den laatste had hij zwaar beleedigd; en

ofschoon hij begreep, dat Sir Arthur niet wist, in hoe ver hij tegen

hem gezondigd had, kon hij toch licht veronderstellen, dat hij er

genoeg van besefte, om de gelegenheid te zoeken, om zich te wreken.

Ochiltree had ten minste op ééne omstandigheid gezinspeeld, die de

goudzoeker zich verbeeldde, dat aan niemand dan aan Sir Arthur en hem

zelven bekend was, en alzoo hem door den Baronet moest medegedeeld

zijn. Daarbij voerde Oldbuck eene taal, die duidelijk bewees, dat hij

Dousterswivel voor een schurk hield, en Sir Arthur hoorde die aan,

zonder hem met vuur te verdedigen. Eindelijk, kwam de wijze, waarop

Dousterswivel dacht, dat de Baronet zijne wraak uitgeoefend had, zeer

goed overeen met die, welke de gelukzoeker in andere landen had leeren

kennen, waar hij meer te huis was, dan in Schotland. Bij hem, even als

bij vele slechte menschen, waren het vermoeden van eene beleediging, en

het voornemen om die te wreken, gelijktijdig in zijn hart opgekomen. En

eer Dousterswivel opgestaan was, had hij het verderf gezworen van zijn

weldoener, dat hij, ongelukkig genoeg, maar al te goed bewerken kon.

Maar, hoezeer ook het denkbeeld van wraak, zijn geest vervulde, was het

echter geenszins het oogenblik, om zich nu daarmede op te houden. Het

uur, de plaats, zijn eigen toestand, en wellicht de tegenwoordigheid,

of de nabijheid van zijne aanvallers, maakten zelfbehoud tot het eerste

voorwerp van zijne zorgen. De lantaren was in de verwarring omver

gesmeten en uitgebluscht. De wind, die vroeger door de bouwvallen

loeide, was nu gaan liggen, en er viel een zeer dichte regen. De maan

was dus geheel verduisterd; en ofschoon Dousterswivel eenige kennis van

de bouwvallen had en wist, dat hij trachten moest, om de oostelijke

deur van het koor te bereiken, waren echter zijne gedachten zoo

verward, dat hij eenigen tijd stond te twijfelen, in welke richting hij

die zoeken moest. In deze verlegenheid, begon het bijgeloof, door de

duisternis en zijn slecht geweten aangewakkerd, levendig op zijne

ontroerde verbeelding te werken. „Maar, bah!” sprak hij moedig bij zich

zelven, „het is alles gekheid: niets anders dan het gevolg van de

verwenschte streek, die men mij gespeeld heeft! De drommel zal mij

halen, als een domme Schotsche Baronet, dien ik vijf jaren lang bij den

neus heb gehad, nu eindelijk Herman Dousterswivel foppen zou!”

Toen hij tot dit besluit gekomen was, gebeurde er iets, dat zeer

strekte, om de gronden te doen wankelen, waarop het steunde. Te midden

van het zuchten van den afnemenden wind en het kletteren der

regendroppels op bladeren en steenen, verhief zich, op geringen

afstand, een weemoedig en plechtig gezang, alsof de geesten der

afgestorvene monniken, die eenmaal deze nu verlatene bouwvallen

bewoonden, de eenzaamheid en verwoesting betreurden, waaraan hunne

vroegere heilige verblijfplaats overgeleverd was. Dousterswivel, die

thans, langs de muren van het koor rondtastende, den weg zocht, bleef

onbewegelijk staan. Zijne geheele ziel scheen op dit oogenblik enkel

gehoor te zijn en hij overtuigde zich weldra, dat het slepende,

plechtstatige gezang, dat hij nu hoorde, eene lijkdienst der Roomsche

kerk was. Maar waarom het in deze eenzaamheid, en door welke

koorzangers het uitgevoerd werd, waren vraagstukken, welke de

verschrikte verbeelding van den goudzoeker, – vervuld met het geloof

aan heksen, weerwolven, spoken en geesten, – het niet waagde, op te

lossen.

Een ander van zijne zintuigen werd weldra in de zaak betrokken. Aan het

einde van een vleugel der kerk, een paar steenen trappen af, was eene

kleine deur, met ijzeren traliën, die, voor zoo ver hij zich herinneren

kon, in een laag gewelf, of eene sakristij, uitkwam. Terwijl hij in de

richting van het geluid keek, zag hij een lichtstraal schemeren door

deze traliën en op de trappen. Dousterswivel wist een oogenblik niet,

wat te doen; maar eensklaps een wanhopig besluit nemende, kroop hij

langs den muur naar de plaats, waaruit het licht straalde.

Gesterkt door het teeken van het kruis, en al de bezweringen, welke hij

zich kon te binnen brengen zocht hij de deur te bereiken, waardoor hij,

ongezien, alles kon gadeslaan, wat er binnen het gewelf voorviel.

Terwijl hij dus, met wankelende schreden, schroomvallig naderde,

eindigde het droevig gezang, en een diep stilzwijgen volgde. Zoodra hij

de deur bereikt had, bood deze hem een zonderling schouwspel aan in het

binnenste der sakristij. Een open graf, met vier groote fakkels, elk

zes voet lang, geplaatst aan de vier hoeken, – eene doodkist, en een

lijk in doodsgewaad, de armen over de borst gekruist, rustte op den

rand, van het graf, als gereed, om daarin te worden nedergelaten; – een

priester, in zijn gewonen tooi, hield een opengeslagen boek in de hand;

– een ander geestelijke, mede in priesterlijk gewaad, hield de

wijkwast, en twee jongens, in witte koorhemden, zwaaiden wierookvaten:

– een man van eene gestalte, die vroeger forsch en gebiedend moest

geweest zijn, maar nu door de jaren of lichaamsgebreken gebogen was,

stond alleen bij het lijk, in diepe smart gedompeld. Dit waren de

voornaamste figuren van de groep. Op een kleinen afstand bevonden zich

een paar menschen van beiderlei kunne, met groote rouwhoeden en

mantels; en vijf of zes anderen, in hetzelfde treurgewaad, stonden nog

meer verwijderd, langs de muren van het gewelf in orde geschaard, elk

met eene zware toorts van zwart was in de hand. Het walmend licht van

zoo vele flambouwen, gevoegd bij den rooden, somberen glans, welken zij

verspreidden, gaf een onduidelijk, onbepaald en, als het ware,

spookachtig voorkomen aan deze zonderlinge verschijning. De stem van

den priester – helder, duidelijk en welluidend, hief nu uit het

gebedenboek, dat hij in de hand hield, de plechtige woorden aan,

waarmede, volgens de gebruiken der Roomsch-Katholieke kerk, het stof

aan het stof wedergegeven wordt.

Intusschen bleef Dousterswivel, wegens het uur, de plaats en het

verrassende van het tooneel, steeds onzeker, of hetgeen hij zag,

wezenlijk bestond, dan of het eene bovennatuurlijke voorstelling was

van die plechtigheden, welke, in vroegere tijden, binnen deze muren

menigvuldig, maar thans zelden in Protestantsche landen, en bijna nooit

in Schotland, plaats vonden. Hij wist nog niet, of hij tot het einde

toe zou blijven, of trachten om weêr in het koor te komen, toen hij,

van houding veranderende, door de traliën, voor een der rouwenden

zichtbaar werd. De persoon, die hem het eerst opmerkte, gaf zijne

ontdekking aan den man, die alleen naast de kist stond, door een wenk

te kennen; en op een anderen wenk, welken deze tot antwoord gaf,

zonderden zich twee van de groep af, met zachte treden, als vreesden

zij den dienst te storen, en ontsloten en openden de traliëndeur, die

hen van den goudzoeker scheidde. Zij namen hem elk bij een arm, en een

geweld gebruikende, waaraan hij niet zou hebben kunnen weêrstaan, ook

wanneer hem de vrees veroorloofd had, eenige poging daartoe te

beproeven, plaatsten zij hem op den grond in het koor, en zich zelven

aan weerskanten, als om hem in bewaring te houden. Overtuigd dat hij

zich in de macht van stervelingen bevond, wilde de goudzoeker hun

eenige vragen doen; maar, terwijl de één naar het gewelf wees, waaruit

men de stem van den priester duidelijk hooren kon, legde hem de ander

den vinger op den mond, tot teeken dat hij zwijgen moest, en de

goudzoeker achtte het voorzichtig aan dien wenk te gehoorzamen. In

dezen toestand hielden zij hem, tot een luid Hallelujah, door de

eenzame bouwvallen van St. Ruth weêrgalmde, en de zonderlinge

plechtigheid besloot, die hij aanschouwd had.

Zoodra de lofzang met al zijne echo’s uitgestorven was, zei een der

zwartgekleeden, onder wiens bewaring de goudzoeker gebleven was, op

gemeenzamen toon: „Mijn tijd, mijnheer Dousterswivel, zijt gij het?

kondt gij het ons niet hebben laten weten, dat gij bij de plechtigheid

wildet zijn? – Milord zou het wellicht kwalijk kunnen nemen, dat gij

ons zoo kwaamt bespieden.”

„In den naam van alle goedheid, zeg mij, wie ge zijt?” hernam de

goudzoeker op zijne beurt.

„Wie ik ben? wel, wie zou ik anders zijn, dan Ringan Aikwood, van

Knockwinnock. – En wat doet gij hier op dit uur van den nacht, zoo gij

niet kwaamt om de begrafenis van de dame bij te wonen?”

„Ik verklaar u, mijn goede Aikwood,” zei Dousterswivel, opstaande, „dat

ik heden nacht vermoord, beroofd en in doodsangst geweest ben!”

„Beroofd! wie zou zoo iets hier doen? – Vermoord! wel, gij spreekt vlug

genoeg voor een vermoorde! – Verschrikt geweest! wat verschrikt u hier,

mijnheer Dousterswivel?”

„Ik zal het u zeggen, meester Ringan Aikwood! juist die oude

ongeloovige hond, die blauwrok, dien gij Adam Ochiltree noemt.”

„Dat geloof ik nooit!” antwoordde Ringan. „Ik en mijn vader vóór mij

hebben Adam altijd gekend als een eerlijk, rechtschapen, goed mensch;

en wat meer is, hij slaapt nu ginds in onze schuur, en is sedert tien

uur van avond dáár geweest. – Zie je, wie u ook aangevallen heeft,

mijnheer Dousterswivel, als dat iemand gedaan heeft, ben ik zeker, dat

Adam er niet bij is geweest.”

„Meester Ringan Aikwood, ik weet niet, wat gij er niet bij zijn noemt;

maar hij mag zoo goed zijn als hij wil, ik zeg u, dat ik heden nacht

van vijftig pond beroofd werd, door uw ouden, goeden vriend, Adam

Ochiltree; hij is niet meer in uwe schuur, dan ik in het koninkrijk des

hemels komen zal.”

„Wel, mijnheer, als gij met mij gaan wilt, zoodra de lijkvolgers naar

huis gaan, zullen wij u bij ons een bed geven, en wij zullen zien, of

Adam zich in de schuur bevindt. Toen wij hier naar toe kwamen met het

lijk, waren er twee kerels, die er vreemd uitzagen, aan den linker kant

van de oude kerk, dat is zeker, en de priester, die ongaarne heeft dat

de ketters onze plechtigheden begluren, zond twee knechts te paard op

hen af, – zie je, wij zullen er wel van hooren.”

Dit zeggende, ontdeed zich de vriendelijke schim, met behulp van zijn

zwijgenden makker, die zijn zoon was, van den rouwmantel, en maakte

zich gereed, om Dousterswivel te begeleiden naar de rustplaats, die hij

zoo zeer behoefde.

„Ik zal mij morgen tot den magistraat wenden,” zei de goudzoeker; „en

ik wil de wet tegen het geheele volk inroepen!”

Terwijl hij dus wraak zwoer over de beleediging hem aangedaan, wankelde

hij van tusschen de bouwvallen uit, leunende op Ringan en zijn zoon,

wier bijstand in zijn zwakken toestand hoogst noodzakelijk was.

Zoodra zij uit de abdij gekomen waren, en de kleine weide bereikt

hadden, waarin ze stond, kon Dousterswivel de toortsen zien, die hem

zoo zeer verontrust hadden, in ongeregelde orde uit de bouwvallen te

voorschijn komen en hare stralen als dwaallichtjes over de oevers van

het meer verspreiden. Na een tijdlang met eene golvende en

onregelmatige beweging langs het pad gezweefd te hebben, werden zij

eensklaps uitgedoofd.

„Wij blusschen altijd onze flambouwen in de bron van het heilige kruis

uit, bij zulke gelegenheden,” zei de boschwachter tot zijn gast; en

Dousterswivel zag dan ook verder geene zichtbare teekens van den

optocht, ofschoon zijn oor den verwijderden klank van hoefslagen kon

opvangen in de richting, welke de rouwdragers volgden.

De oudheidkenner · 第 30 / 54 题