Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten hebb is 44 guldens
in alles.
Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven iets omtrent zijne
ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de zinnen vloeiden hem
gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij zuiver, te rekenen voor de
zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs was niet verwaarloosd, al wijdde
hij zich reeds vroeg aan de kunst. Dat hij in den laatsten zin schreef:
"daer _met_ laeten contenteeren" in plaats van "daar_mee_", kan men op
rekening stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die
dat in Friesland zoo had geleerd.
Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog aangehaald worden, om
grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof in Den Haag met de
uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel vlug is geweest.
_Mijn Heer!_
Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn schrijvens kom
besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger Wttenboogaert die ickt
tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe dat den tresoorier Volbergen
dat lochgent als dat daer jaerlicks intresse getrocken werden soo heeft
mij den ontfanger Wttenboogaert nu voorleden woondach daer op geantwoort
als dat Volbergen allen halven jaer die selvij intressen heeft gelicht
dat tot nu toe soo dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den
selvij kantooren verscheenen is ende bij desen waerachtijge
geleegentheijt soo bidde ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn
ordonnansij nu in den eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn
wel verdiende 1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx
aen ue met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken
te rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete ende
wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter saelicheijt
spaeren werde.
UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,