Reeds in zijne studiejaren had Rembrandt in Den Haag zaken gedaan. Toen
hij, nog vóór 1632, bij zijne ouders te Leiden woonde en ijverig
schilderde en teekende om de kunst machtig te worden, deed eens een
bezoeker hem aanwijzing voor een heer in Den Haag. Een zeker stukje, dat
hij juist voltooid had, moest hij dien eens gaan vertoonen en te koop
aanbieden. Te voet trok de jonge schilder er op uit, bereikte na eene
wandeling van vier uren de Residentie en smaakte de voldoening zijn stuk
voor honderd gulden te verkoopen. Wonder in zijn schik met dit succes,
en nog niet gewoon zooveel geld in zijn buidel te hebben, voelde hij
behoefte, om zoo gauw mogelijk naar Leiden te gaan met zijn schat, en
zijne ouders in kennis te stellen met het fortuintje.
Een weg van een kleine vier uur gaans weer te voet af te leggen, dat
kwam, dunkte hem, niet te pas voor iemand, die schilderijen met honderd
gulden betaald krijgt. De trekschuit, daar ging Jan en alleman mee. Hij
deed als een groote m'nheer en nam parmantig plaats bij het logement,
"De Leidsche wagens" op den wagen naar Leiden. _Op_ den wagen naar
Leiden, aldus vertelt een oud schrijver, niet _in_.
Wat genoot hij van dat ritje! Eerst voerde de weg hem door het Haagsche
bosch met zijne gladde, rijzige, groene, beukenstammen, die hunne takken
breed en vlakweg met lichtdoorlatende, fijne blaadjes uitgespreid
hielden; verspreide eiken stonden zwaar en donker daartusschen met
diepgefronste schors, en takken, die in moeilijke kromming zich wrongen.
Machtig en breed stond de voet uit in de zandige duinhellingen; het trof
hem, hoe ze hun wortels uitlegden over den bodem als een reuzig
gedierte, dat krampachtig met uitgeslagen en wijdgeopende klauwen zich
vast wil klemmen.
Nog anders dan in Leiden op het bolwerk, zag je hier, hoe de natuur een
beeld van kracht kan zijn. Hier, waar werkelijk eeuwen-heugende eiken en
beuken stonden. Maakte niet een medereiziger hem attent op een drietal
forsche exemplaren, met dooreengestrengelde takken, die het volk het
Jacobaprieel noemde, omdat er de landsvrouw Jacoba tweehonderd jaar
geleden gaarne verwijld had? Heerlijk wonen moest het in Den Haag zijn
voor eenen kunstenaar. De oude stad nog net plaats vindende op het
uiteinde van de reeks binnenduinen, waarop ook het Haagsche bosch stond,
en waarover de Leidsche weg hem Noordoostelijk voerde; de nieuwere
straten de venen ingaande. De omstreken, in Noordelijke richting,
klingen en dalen met laag en opgaand hout, in zuidelijke richting lage
weiden, vol slooten en plassen; hier en daar moerassen, met ruigten van
wilgbeschot en oeverplanten; de verre horizonnen onderbroken door
watermolentjes, die men reeds in gebruik begon te stellen van de
grondverbetering.
Terwijl hij voortmijmerde, passeerde de koetsier niet ongemerkt het
liefelijke Huis Ten Bosch (wijl dit er nog niet was, en eerst over
twintig jaar ter eere van den vrede van Munster zou verrijzen) maar reed
door tot, en hield stil voor het huis Ten Deil, eene herberg, die den
weg van Den Haag naar Leiden in nagenoeg gelijke helften deelt (deilt).
Eene onoogelijke waardin kwam buiten met een zwartberookt tabakspijpje
in den mond, en zette den paarden eene krib met voer voor. De reizigers
stegen uit en traden, evenals de wagenbestuurder, de herberg binnen,
boven welks deur, tusschen rankend wijnloof, aan een eind lat een groote
aarden bierpot bungelde. Rembrandt voelde geen lust, het voorbeeld te
volgen en mede uit te stappen. Hij bleef bij zijn vollen buidel op den
wagen zitten. Na eenige oogenblikken wordt de krib weggenomen, en komt
het volk met den wagenaar naar buiten, om ieder zijn plaatsje weer in te
nemen. Hun al te groote luidruchtigheid jaagt den paarden een schrik op
het lijf: ze gaan er van door en rennen met den schilder voort. Het gaat
langs den hun bekenden weg huiswaarts; ze storen zich aan niets, hollen
voort, bereiken de Wittevrouwenpoort, sleuren den wagen over de
Drentsche keien van het Noordeinde en houden in voor de deuren van den
gewenden stal. Het stalpersoneel stormt naar buiten, helpt den schilder
uitstijgen, betast zijn leden, of er geen gebroken is, en toont zich
benieuwd om te vernemen, hoe hij dus, alleen op den Haagschen wagen
gezeten, de stad komt binnenrijden. Maar hij. Zonder veel praatjes maakt
hij zich weg en spoedt zich naar de Weddesteeg, die het rijtuig
gepasseerd was zonder hem af te zetten. Behouden en wel brengt hij zijn
honderd gulden thuis, en is gelukkig, dat hij op Den Deijl zoo weinig
verteringskosten heeft behoeven te maken.
Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den Haag, die zijn stuk
honderd gulden waard achtte, niemand minder dan Constantijn Huygens is
geweest.
Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd en een grooten naam
begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den stadhouder, prins Frederik
Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk kon doen, omdat hij, als diens
geheim-secretaris, dagelijks met den vorst verkeerde.
Er volgde eene bestelling van eenige stukken, misschien om er het
stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te versieren. De levering, en
daarna de betaling, hebben nog al voeten in de aarde gehad. Men is dit
aan de weet gekomen uit eigenhandige brieven van Rembrandt, die bewaard
zijn gebleven in families, welke van Huygens afstammen. Uit een van deze
blijkt, dat hij zelf zeer goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn,
dien men goed moest betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was,
om waarde te hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie
hier:
_Mijn Heer_!
Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken toesende die ick
meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat sijn Hoocheijt nu selfs
mij niet min als dusent guldens voor ider toeleggen sal doch soo sijn
Hoocheijt dunckt dat sijt niet en meerijteeren sal naer sijn eijgen
believen minder geeven mij verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en
discreesij. Sals mij danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende
blijvende neffens mijne groetenisse sijnen