WAT GEEN HOOFDZAAK IS.

Vele eeuwen geleden leefde in Griekenland een schilder, van wien men de

ongeloofelijkste dingen verhaalt, en wiens naam bij het nageslacht is

blijven voortleven als die van een der grootste kunstenaars. Zeuxis, zoo

heette hij, wist niet slechts de menschen, maar ook de dieren met de

voortbrengselen van zijn penseel in verrukking te brengen. Dit blijkt

uit het volgende.

Hij schilderde eens een vruchtenstuk; in bevallige wanorde lagen bessen,

druiven, noten en appelen door elkander, met hier en daar een groen blad

er tusschen. Ieder, die het zag, stond verbaasd over de juistheid,

waarmee elk onderdeel bewerkt was. En kijk, toen de toeschouwers zich

verwijderd hadden van de muurschildering, kwamen de vogelen toevliegen

en pikten naar de druiven. Misleid door den schijn, hadden ze deze voor

echt gehouden.

Een verhaal, dat er gaat van een paardenstuk, komt hier vrij wel mee

overeen. Dit gaf de afbeelding van een paard te zien, en zoo

bedriegelijk juist, dat het vurig strijdros van Alexander den Groote,

toen het voor de schilderij werd gebracht, aan de teugels rukte en tegen

zijn gewaanden natuurgenoot begon te hinneken.

We hebben hier het oordeel van redelooze dieren over kunst van menschen.

Het volk kende daar eene zekere waarde aan toe; het oordeelde zoo: "wie

heeft beter kijk op paarden dan een paard, wie beter op vruchten dan

een vogel? Als nu door dezen de gelijkenis in een schilderstuk wordt

opgemerkt, moet ze wel bijzonder juist wezen; geene goedkeuring van

menschen kan voor den kunstenaar zoo vleiend zijn als die van dieren,

mits deze met het onderwerp in betrekking staan."

Er is nog een oud verhaal van een beroemd schilder.

Apelles had eene menschelijke figuur geschilderd en stelde die ten toon,

terwijl hij zelf in een verborgen hoekje naar het oordeel der

beschouwers luisterde. Een schoenmaker kwam daar langs en bleef staan.

Zijn blik rustte onderzoekend op de voeten, en hoorbaar mompelde hij

voor zich heen: "Ze zijn te groot, wat zou je een leest moeten hebben,

om daarvoor schoenen te maken."

Appelles nam den wenk ter harte, en den volgenden dag had hij de

gelaakte lichaamsdeelen iet of wat kleiner gemaakt.

Weer kwam de schoenmaker voorbij. "Kijk", dacht hij, "Appelles heeft

zijn fout ingezien en verbeterd. Jammer, dat hij nu ook in houding en

gebaar niet wat meer de fierheid van eenen krijgsman heeft uitgedrukt."

Nu werd het den schilder te kras. Hij kwam te voorschijn en voegde den

schoenmaker toe: "Over houding en gebaar zwijg je! Een schoenmaker

blijve bij zijne leest."

Met deze terechtwijzing is het volk het geheel eens geweest, zoo zeer,

dat de uitdrukking in den vorm van een spreekwoord is blijven

voortleven. De schoenmaker kreeg hetzelfde recht van meepraten als de

vogel en het paard, een recht, dat aan iedereen stilzwijgend is

toegekend: wie door zijn vak verstand heeft van het onderwerp, dat op

een schilderstuk is voorgesteld, heeft bevoegdheid om een oordeel uit te

spreken.

Dit komt dus hierop neer, dat het stuk pas goed is, wanneer het de

menschen voldoet, die als vaklui verstand hebben van de dingen, die er

op staan. Bijgevolg heeft de beschouwer meer met de dingen dan met den

kunstenaar te maken.

Grooter dwaling dan deze opvatting is niet denkbaar. Bij elk kunstwerk

is juist de persoon van den maker de hoofdzaak. Hij is het eenige,

waarop men te letten, waaraan men te denken heeft. De vraag is niet, wat

staat er van het ding of van de gebeurtenis op, maar waaruit bespeur ik

den kunstenaar; wat zie ik er in, dat door hem alleen is gezien en

gevoeld; dat ik nu ook wel zie en voel, doch alleen doordat _hij_ het

mij zoo voorhoudt. Alles wat ik van te voren al wist van het ding of van

de gebeurtenis, is op de schilderij bijzaak. Want het is kennis, die

iedereen heeft. En de kunstenaar gaat niet in zijn werk op, om datgene

te vertoonen, wat alle oogen wel zien en alle harten wel voelen. Hij is

juist kunstenaar door iets, wat een ander ontbreekt, door

gewaarwordingen, die een ander alleen door hem kan krijgen.

Het onderwerp is maar onderwerp. Natuurlijk geeft het den beschouwer

reden tot tevredenheid, als hij met het onderwerp niet in de war zit,

als hij alles een naam kan geven en van alles de gedaante en den vorm

herkent. Maar van meer belang is het, dat hij zich rekenschap geeft van

datgene, wat niet het onderwerp, maar wat de kunstenaar laat zien. Het

verwondert ons daarom van Apelles, dat hij zooveel aandacht schonk aan

de opmerkingen van eenen schoenmaker over de voeten van zijne figuur.

Eerder zou men verwacht hebben, dat hij luisterde, toen die een oordeel

uitsprak over dingen, die buiten zijn vak en zijnen werkkring lagen.

Bij het beschouwen van werk van Rembrandt zullen wij goed doen, als we

deze onderscheiding in het oog houden: wat stelt het voor, en waaraan

bespeur ik, dat een buitengewoon oog dit onderwerp bekeken heeft.

* * * * *

Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn Leesboek voor het Lager en Voortgezet Onderwijs · 第 10 / 33 题