De laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis
doorbreng!
Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch
drukt de gedachte aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik
veel terug te krijgen, ik laat ook heel veel achter.
Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden
heb, hoeveel opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen
getroost hebben, dan bekruipt mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar
genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in opstand, als andere meisjes
zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik ook meer
genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen
konden. Ik was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet
alles opnoemen, laat ik de laatste bladzijden van dit boek liever
gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor alles, wat het leven mij
gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, ik was ook
al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven
afsluit, liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven
aan verschillende gevoelens, die mij bestormden. Slapen kon ik toch
niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn trouw dagboek voor den dag
gehaald.
In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun
liefde, hun zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst
heeft bijgedragen, tot hetgeen goed in mij is.
En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n
heerlijk vertrouwelingetje is geweest. En kleine Bets en de broertjes,
die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu niet begrijpen, dat ik soms zoo
driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als ik mij verbeeldde,
dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn
ondeugendheidjes zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan
nu eenmaal niet gemakkelijk leeren.
O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn.
En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander
kunnen zijn en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals
Vadertje laatst zei, terwijl hij Moeders hand greep, elkanders lief en
leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te
doen schijnen.
Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te
wachten staat. In welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij
dunkt, dat het niet zwaar te dragen zal zijn, met zoo’n besten man om
je te helpen en ik zal het als een geluk beschouwen zijn leed te mogen
verzachten.
En alle menschenleed!
Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart,
die wij ontmoeten, te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn,
maar verminderen, dat zal wel kunnen. Hij komt door zijn beroep met
zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn trouwe helpster, zeker
in staat zal zijn veel goed te doen.
Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd
in het weldoen zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat
hoorde opperen, dat men soms met een vriendelijk woord en waarachtig
medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling was zoo dwaas te
beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad was
en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt
niets, die ziet nu eenmaal enkel goeds in mij.
Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook
maar een mensch ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het
ideale wezen te lijken, waar hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig
voor.
Het eigenaardigste is, dat hij bang is mij tegen te vallen!
Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een
door en door goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog
liever zijn, dan de deugden van anderen.
Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk
waren de meisjes op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe
ongelukkig mijn arme Louise. Wie had kunnen denken, dien eersten zwaren
tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen van diezelfde klasse
afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise moet
maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende
opwellingen te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een
sterken wil, als we dien maar op het goede kunnen richten, komt alles
in orde.
Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet
naar verlang, Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding
der kinderen. Ik heb Vader natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in
mijn onderhoud kon voorzien en had mij altijd voorgenomen, dat zooveel
mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste kinderen te
helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik
daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven
geven, totdat Ita volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel
was zoo ongelukkig, toen ik dat voorstelde, dat Vader medelijden met
hem had en zei, dat ik hem zijn zin maar moest geven en alle
bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen totdat Ita
volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te
worden.
„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik.
„Zonder mij?” zei Karel verwijtend.
Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch
niet af te staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden,
dat Karel zijn zin moest hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af
moest zetten.
„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps.
„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal
kindje, denk je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming
te volgen, omdat ik door hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig
denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.”
Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet
alles voor zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te
bevorderen. Maar één ding heb ik toch bedongen. Karel en ik blijven
voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader Ita’s verdere opvoeding
nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat door te
zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader
overwonnen en kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk
daarin ten minste geen verandering brengt.
Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik
morgen niet frisch.
Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in
schrijven. Ik zal nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik
mijn hart kan uitstorten, als ik daar behoefte aan heb.
Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd,
alles alleen te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader
en Moeder niet verontrusten wilde, door hen mijn verdriet te vertellen
en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten tot klaarheid te brengen.
Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend toch
eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar
toen vond ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden?
Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had
pleizier in mijn werk en de troostende gedachte, voor mij zelf te
kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk geweest, ik had hem dan niet
gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen mijn leven,
zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal.
Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op
aarde voor mij is weggelegd, morgen.....