HET ENGAGEMENT.

Karel wist er bescheid op.

Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd,

verklaarde hij zich ongevraagd voor den gelukkigsten mensch.

„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je

hoort het.”

Thea lachte en bloosde.

Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar

gezichtje wat oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg

hij:

„Waarmee legt mijn meisje het af?”

Thea bloosde nog sterker.

„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig

zijn.”

Maar hier was Karel niet mee tevreden.

„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?”

Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel:

„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze

en niet verliefde zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid

bedwingen.”

Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover

de questie ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in

het oor fluisterde, wat Ita vond, dat hij niet weten mocht.

Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de

dokter,” zooals Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan

hen voorgesteld werd, als hun aanstaande broer.

Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen.

„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan

meneer de dokter ons beter maken.”

„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte

Ita, „je hoort het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter

in de familie te hebben.”

Karel trok Nico zacht aan zijn oor.

„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te

krijgen?” vroeg hij.

„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze

haar arm om haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem

aanleunde.

Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden.

„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist

leuk, omdat hij ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet

lekker is en als hij het toch deed, zou ik tegen hem zeggen, dat ik het

niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter nooit durven.”

Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd.

„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het

jongste jongentje hier het hoogste woord?”

Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen

acht sloeg op zijn vaders woorden en er uitflapte:

„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en

dan ben ik lekker niet meer de jongste.”

Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas

met bloemen op den schoorsteenmantel.

Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde

laten zien, dat ze lachen moest.

Maar mijnheer van Welderen lachte niet.

„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist

binnenkwam, „dat Nico vanmiddag in de keuken at?”

Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik.

„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout

geweest?”

Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico op haar toegevlogen en

riep, zich aan haar vastklemmend:

„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken

eten.”

Zijn moeder weerde hem zacht af.

„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?”

„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken,

als dat zoo voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van

tafel gaan.”

Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend:

„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te

zeggen, mag hij dan binnen blijven?”

Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt

ging het gezin aan tafel.

Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over

den indruk, die het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar

nieuwen broer, zooals ze hem in gedachte noemde, maar aan te staren,

zoodat ze er zelfs haar eten door vergat.

„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons

klaar.”

Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen,

maar er kwam geen geluid uit.

„Wat is er, meiske?” vroeg Vader.

„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend.

Jan lachte hardop.

„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis,

of ze het op school mag vertellen.”

Bets keek boos.

„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk

vind ik het leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet,

dat er één in de klasse is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde

ze er vol enthousiasme bij. „Laatst had er één een broertje gekregen,

maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.”

Nu lachte het heele gezin.

„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen.

„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel

gemakkelijker in eens een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze

niet te wiegen en zoet te houden en misschien brengt zoo’n groote broer

wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.”

Bets’ oogen glinsterden.

„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend.

„Echt,” beloofde deze.

„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had.

„St,” zei Vader.

„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets....”

„Nico!” en Vader keek streng.

„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar.

„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere,

groote plak.”

Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van

plezier.

„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met

de kinderen te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van

krijgen.”

„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne.

Nu nam Jan het woord.

„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was....”

Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit.

„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend.

Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren.

„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij

niet goed was?”

„Och niks.”

„Jawel, toe zeg ’t nou.”

„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn

glas uit en begon over wat anders.

Karel keek Jan verrukt aan.

„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben

alleen maar bang, mijn schat niet waard te zijn.”

Thea legde haar handje op zijne lippen.

„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze.

Daar tikte haar vader tegen zijn glas.

Allen zwegen.

„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik

graag even wat zeggen. Hij heeft gelijk, wie onze Thea tot vrouw

krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.”

„Maar Vadertje,” fluisterde Thea.

Haar vader liet zich niet storen en ging door:

„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd

een liefhebbende dochter is geweest. Niemand, dan wij weet, niet waar

Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan

haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is,

zijn wij het ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees

altijd goed voor haar, ze verdient het.”

Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem

een beetje.

Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten,

om zich goed te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar

hem toe en verborg schreiend haar gezichtje aan zijn schouder.

„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf

toch immers uw eigen dochtertje.”

Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg.

„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk

klinken op ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij

stootte bij Karel aan.

Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje.

„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat

en ik beloof plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.”

Daar bromde Jan’s jongensstem:

„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou

altijd zien.”

Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men

schaterde het uit om Jan’s woorden.

„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem

plechtig beloven, dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen

zullen.”

„Dat beloven we,” riepen allen.

Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd.

„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten.

Enfin, het is nog zoo ver niet.”

Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of

het gek zou zijn, als ze met Karel even een straatje omging.

„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom?” vroeg haar vader, „heb je er

behoefte aan een luchtje te scheppen?”

Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte.

„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op

straat, ze kan niet tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.”

Thea werd nog verlegener en allen lachten.

„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe.

Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even

gepakt had, maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen.

„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een hoed en een mantel

voor haar, ze heeft gelijk, we moeten vanavond nog samen gearmd uit.”

Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje

zich op straat. Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat

donker begon te worden, want ze verbeeldde zich, dat iedereen naar haar

keek.

Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk

beantwoordde en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich

in den zevenden hemel.

Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje

volgden; de groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw

iedere beweging van het voor hen uitgaand paartje nadoend.

Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou

uitgaan, besloten ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje.

Nu hadden ze dolle pret.

„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets giechelend, „zóó,”

en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan.

„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan

zijn gewaand meisje.

„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons

zien, nou....”

„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet

goed, je moet rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed

ze vanmiddag den heelen tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.”

Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar ze kon geen kuiltjes

lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg.

Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s

gezichtje even naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of

niemand hen zien kon, maar had de kinderen niet ontdekt, die nog juist

tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden gevel te verbergen.

„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?”

„Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard.

„St,” fluisterde Bets.

Thea keek onrustig om.

„Hoorde je niets?” vroeg ze.

Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de

beschouwing van zijn meisje.

Ze liepen door.

Bets en Nico volgden hen.

„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.”

Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter

dan hij.

„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.”

Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte.

„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik

ben de grootste, net als Karel.”

„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik ben een jongen, en

ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.”

Dat was niet naar Bets’ zin.

„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.”

„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil

weggeloopen.”

„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.”

„In ieder geval heb jij het verzonnen.”

Dat was Bets te veel.

„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf

zal krijgen, daar....” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren,

die tamelijk hard aankwam.

Nico gilde het uit.

Hevig verschrikt keken Thea en Karel om.

Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf

gingen met schoppen en trappen.

„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze

scheiden.”

Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar

nauwelijks zag dit hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam

Karel bij Thea terug.

„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij.

„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe

zouden die hier in de straat komen.”

„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.”

Thea stond stil van schrik.

„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen

hebben?

„Best mogelijk.”

„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het

geweest waren. Stel je voor, al dien tijd achter ons aan!”

Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er

maar niet verder over denken, ze waren het bepaald niet geweest.

Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de

kleintjes waren nergens te vinden.

„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita.

„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,”

beweerde haar moeder.

„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, „waar kunnen ze anders

zijn.”

Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de

omliggende straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist

niet, wat te doen en besloot voorloopig nog een half uurtje te wachten.

Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men verder zien.

Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau

van politie zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar

hen uit te zien, terug kwam, de kleine zondaars voor zich uit duwend.

„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.”

Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf,

kuste hen, maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet

te doen.

„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch.

Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea

hadden nageloopen en hoe grappig deze gedaan hadden.

Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde.

„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader.

Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar

bed te gaan.

„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets.

„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er

zoo afkomt.”

Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder

prettig, dan ze gedacht hadden.

Het onderwijzeresje · 第 37 / 40 题