Den volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich
zoo vast voorgenomen, het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat
het, naar ze dacht, niet anders kon, of ze moest daarin slagen.
Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al
verscheidene meisjes bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag
had ze rechtsomkeert gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op
viel, was een caricatuurteekening op het bord, een heel klein
persoontje voorstellend, dat op een bankje stond.
Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over
het bord, want het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen.
Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal geen notitie van
het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren.
Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de
meeste deden, alsof ze niets hoorden.
„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea.
Met een overdreven haast vloog Louise de bank in.
„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet
kwalijk,” en recht als een kaars met hare handen voor zich op den
lessenaar, zooals de kindertjes in de bewaarschool wel zitten, trok
Louise een heel zoetsappig gezicht.
Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea
had zich voorgenomen, zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise
te letten, dan zou ze er het eerst uitscheiden, wanneer ze er geen eer
van had, zou het haar wel vervelen.
„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je
les.”
„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo
netjes.”
Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had.
„Kom Anna, begin,” zei ze.
Louise trok een meewarig gezicht.
„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar.
„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea.
Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen
zei ze op een toon van de uiterste verbazing:
„Ze durft.”
Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er
niet aan denkend, dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school
les gaf en dat de directrice het misschien niet goed zou vinden, als ze
nu al een meisje naar haar toe stuurde, zei ze driftig:
„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en
zeg, dat ik je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.”
Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was
iets, dat op deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond,
dat de onderwijzeressen het zelf klaar speelden met hare leerlingen.
Als het een enkelen keer gebeurde, kwam de schuldige er niet
gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef dus
kalm in haar bank zitten.
Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er
gebeuren zou.
„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea.
„Jawel, maar ik ga niet.”
Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze
drukte hare nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar
drift meester te blijven.
„Je gaat direct,” zei ze streng.
„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in
hare handen, keek brutaal rond.
Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar
toch niet bij een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en
dat wilde ze trouwens ook niet.
Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend:
„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de
directrice er kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.”
De morgen verliep verder bijzonder rustig. Louise, die best begreep,
dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig rond te kijken, maar
voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze zich,
daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet
was. De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze
vonden dat Louise al te brutaal was geweest en voelden medelijden met
Thea, die nu heel bleek zag. Een paar konden niet nalaten te
fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse bijzonder
rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam
kijken, hoe het ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg.
Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam
en vertelde, wat er dien morgen was voorgevallen.
„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist
wel, dat ze een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou
ze dat toch niet gedurfd hebben.”
Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het
haar, hare tranen in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te
antwoorden. De directrice keek een beetje medelijdend naar het kleine
meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar stond.
„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen.
Je hebt een fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo
kort, nadat je in die klasse gekomen waart. Je moet trachten, zelf de
orde te bewaren, dat steunen op mij, dient tot niets. Natuurlijk zal ik
Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal haar dat
kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen
worden, moet je zelf veroveren.”
Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein.
Ze wist maar al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden
invloed op de meisjes uitoefenen, dan moest ze dien door eigen kracht
veroveren.
Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der
lessen! De meisjes wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en
ze begrepen, dat ze daar wel meer van zouden hooren.
Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de
juffrouw en de klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise:
„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je
je dezen morgen gedragen hebt. Ik wil nu niet in bijzonderheden treden,
ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis
stuur en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven,
zoodat ze weten, dat je de twee volgende dagen niet op school moogt
komen en dus hunne maatregelen kunnen nemen.”
Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu
sloot mijnheer Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze
kende dat. En dat hield ze niet uit, alles liever, dan haar vrijheid
missen. Weet je wat, ze ging voorloopig niet naar huis.
Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde.
„Maak je klaar,” zei ze, „de conciërge wacht er op, om je naar huis te
brengen.”
Met een ruk richtte Louise zich op.
„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze.
„De conciërge brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee
en maak geen onnoodige drukte, want dat verergert de zaak maar.”
Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze
gehoorzamen, dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar
nog het meest kon schelen, dat die boos op haar was.
Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee.
Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog
niet was, zooals het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel
inspanning zoo ver, dat er niet al te veel rumoer in de klasse
heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst op bevel van
de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had
ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen,
waardoor ze zoo in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was
uitgeslapen in allerlei kleine plagerijen, waardoor de geest in de
klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen.
De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die
Thea ooit beleefd had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen,
de klasse had steeds iets rumoerigs, er was geen rust te verkrijgen,
straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid wist, wie de
eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer
inhalen, bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en
dan eens kijken, dan was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare
voetstappen op de gang hoorden, zwegen ze als muizen.
De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat
het in de school bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze
had het, tot haar groote vernedering, van Bets gehoord.
En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar
betrekking moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen
krijgen, als ze maar geschikt had gebleken te zijn.
Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen
spreken, ze moest zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste
hoop gevestigd had, maar waarvan ze niet zeker wist, of ze er goed mee
handelde.
„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar
aangehoord had en hij kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen
invloed ten goede heeft, dan moet je die betrekking maar opgeven, ze is
waarschijnlijk te zwaar voor je.”
„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan
natuurlijk niets goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe
plaats. O, waarom zijn die meisjes toch zoo wreed, ik wil zoo graag
goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar een beetje wilden
meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!”
Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was
binnengekomen, boog zich over haar heen.
„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van
worden.”
Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei:
„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe
moeielijker de strijd, hoe heerlijker de overwinning.”
Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend
hart, dan anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed
onmogelijk maken, of zou ze overwinnen en zich een vaste plaats
veroveren?
Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord,
er werd met proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig
niet naar toe keek en er heerschte een geroesemoes van belang.
Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze
slikte eens en nog eens, trachtte het trillen van hare lippen te
bedwingen, tikte met een lineaal op haar tafeltje en zei:
„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.”
De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de
aandacht op zich vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil
en keek vol verwachting naar de juffrouw, benieuwd wat er komen zou.
Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en
toen ving ze aan met spreken.
„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een
onderwijzeres tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de
reden is, waarom zooveel meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun
onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk maken. Ik kan niet gelooven, dat
je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, als je er je den
schijn van geeft.”
Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare
wangen gloeiden en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en
luisterden gretig.
„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter
plezier is, dat ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar,
je begrijpt heel goed, dat zelfs in een lievere klasse dan deze, de
onderwijzeres toch altijd nog een zware taak heeft. Het spreekt
vanzelf, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig
vinden te mogen meewerken tot de ontwikkeling van het opgroeiend
geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed ten goede te hebben
op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Wij komen
de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te
gemoet, waarom ons dan tegengewerkt? Je begrijpt toch wel, dat het in
de eerste plaats in je eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt,
waarom dan de rust verstoord en gemaakt, dat er niets uitgevoerd kan
worden?
„Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij
kunnen heel goed samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest
in de klasse vind ik iets heerlijks. Ik hoop, dat jullie me tot zoover
begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een anderen kant bezien.”
Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan.
Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine
juffrouw goed, je moest naar haar luisteren, of je wilde of niet.
„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten,
dat de meeste menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men
onderwijzeres wordt, is dat dus ook bijna altijd, om geld te verdienen
en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al heeft men nog zooveel
liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer jullie het
me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk
niet zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat,
niettegenstaande groote werklust, en veel goeden wil, mijn brood te
verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? Als jullie je verbeeldt,
dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden te plagen, heb
jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent?
„Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker
van. Je wilde alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een
treurig soort genoegen en ik moest daar het slachtoffer van zijn. Maar
nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek je dringend, mij niet
meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn betrekking
zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over
mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter
zullen begrijpen en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat
ons nu aan ons werk gaan.”
Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong
gezichtje zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd
was, dat er iets was, dat die jeugdige hoofden bezighield.
Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag
vrijaf hadden en er dus niemand over behoefde te blijven.
Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde
van dien ochtend druk besproken. Bijna allen waren het er over eens,
dat juffrouw van Welderen gelijk had en namen zich voor, voortaan beter
bij haar op te passen.
„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat
ze doet, met haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het
haar niet veel helpen.”
Nu werden een paar meisjes bepaald boos.
„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee uitscheiden. Het is
grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik schaamde
me vanochtend geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van
Welderen, dat ze zoo ronduit voor de zaak uitkwam.”
„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch
is, we hebben ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen,
het begon me zelf al te vervelen.”
„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier
letterlijk niets. En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk
aan, maar net als ze zei, wij hebben er nooit over nagedacht.”
„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise,
die voelde, dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht,
liep met opgericht hoofd en spottend gezicht weg.
„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu
zoo over denkt en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen,
zal ze wel aan het kortste eindje trekken, één meisje zal de juffrouw
best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat zeggen, morgen ga ik naar
juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam beterschap.
Vin’ jullie dat goed?”
Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat,
gaat het ook met de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze
werkelijk schuldig waren geweest en wilden het nu goed maken.
Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan
goed zouden oppassen en hun best doen en van dien dag af had Thea
weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte Louise de orde van
tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de andere
meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de
klasse voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om
een troep sufferds, zooals ze het uitdrukte, te amuseeren.
Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea
voor vast aan te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde
naar huis ging, om haar ouders de goede tijding te brengen van haar
benoeming.