EEN MOEIELIJK BEGIN.

De zesde klasse van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in

spanning: er zou een nieuwe juffrouw komen.

Louise Terlaag, de belhamel der klasse, verheugde er zich bijzonder op.

Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf

haar een zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg,

wendde ze dien invloed niet ten goede aan, integendeel, ze werd door de

onderwijzeressen een beetje als het zwarte schaap van de kudde

beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze

vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls

amuseerde. Toch waren er onder de meisjes ook, die haar wat al te

brutaal vonden en die gevoelden, dat ze de geest in de klasse bedierf,

maar dezen vormden de minderheid en konden er niet veel aan veranderen.

Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een

wees en de menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had,

toonden haar niet veel liefde en hartelijkheid. Ze kregen steeds

klachten over haar en daar ze het vermogen misten, dieper te zien dan

de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat

zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden.

De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler

werd, ze hield niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig

schelen, of ze boos op haar waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo

onverschillig mogelijk, ze beweerde er met genoegen iets voor over te

hebben, als ze maar pret kon maken.

Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de

meisjes, maakte haar overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar

geweten begon te spreken, onderdrukte ze dat gevoel zoo spoedig

mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde en verdriet

deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk,

maar niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet

met haar behoefde te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel

aan haar, dus.... en Louise haalde hare schouders eens op en schudde

het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, maar haar mond

behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom

gegroefd hadden.

Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan

les zou moeten geven.

„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet

je wel, wie we krijgen?”

„Neen, jij?”

„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel,

uit de vierde.”

„Och neen!” en Louise schaterde het uit.

„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.”

„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel

grooter is dan jij, peuter.”

Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op.

„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?”

Toen lachte ze en zei:

„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een

gezichtje.”

„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna

Verloef, „ik heb zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze

heeft zulke echt vriendelijke oogen en wat komt het er nu op aan, of ze

groot of klein is.”

Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het

hoofd.

„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze

klasse geweest en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.”

Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit.

„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret

hebben, jongens, maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons

heeft. Het is natuurlijk, zij de baas, of wij en ik behoef jullie niet

te zeggen, wat ik verkies. Hoera!”

Anna Verloef trok haar aan haar mouw.

„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?”

Louise keek haar weer spottend aan.

„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft

er buiten hoor, pas op, als je ons verraadt.”

„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen

lijkt me zoo’n zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk

lastig te maken.”

„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.”

Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw

Lettinga en Thea.

„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.”

De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea

kijkend, die het een vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die

op haar gezicht waren.

Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan.

„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is

er zelfs geen kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal

jullie natuurlijk erg spijten en ik hoop met jullie, dat haar ziekte

haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug te komen. Ondertusschen

zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en

verwacht, dat je allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam

mogelijk te maken. Dat beloven jullie me allen, jij ook, nietwaar

Louise?”

Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon,

waarvoor ze respect had.

„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal

ik de klasse maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles,

zooals u weet.”

Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van

stemmen brak los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen

elkaar, terwijl ze naar Thea keken. Deze voelde zich heel verlegen,

maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest zien te verkrijgen.

Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei:

„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.”

De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door.

„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een

oogenblik, tot er werkelijk stilte was.

Daar stak Louise haar vinger op.

„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?”

„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon,

„ik wilde vragen, of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een

stoof.”

Thea keek vreemd op.

„Waarom Louise, ik ga niet zitten.”

„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op

zoudt willen gaan staan, ik kan u niet goed zien.”

Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze

heel rood werd.

Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen.

Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te

beheerschen.

„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer

vooraan komen zitten.”

Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel.

Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze:

„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.”

„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart,

maar voor het uiterlijk bedaard en kalm.

Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik,

Louise haar vinger weer op.

„Wat is er nu weer, kind?”

Louise zette een heel dom gezicht.

„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.”

Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek

gehouden te worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke

flauwe vragen te antwoorden en wilde dus met de les voortgaan.

Maar dat was niet de bedoeling van Louise.

„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol.

„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.”

„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?”

Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig.

„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de

beginselen.”

Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht.

„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze.

Toen Meta, die naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze:

„Nou jij.”

Meta stak nu haar vinger op.

„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.”

Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde.

Als het niet de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige

vraagster gezegd hebben, dat ze haar na twaalven dat wel zou uitleggen,

maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters hebben, te meer, daar

juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest trachten

de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was

de directrice niet.

Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet.

Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en

terwijl ze daar mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en

toen ze omkeek, stond Meta buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan

zitten, maar Thea zei:

„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te

hebben.”

Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was.

„Waar is Louise?” vroeg ze.

Meta lachte.

„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze.

Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou

kunnen vertrouwen.

Haar oog viel op Anna Verloef.

„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar.

Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had

nergens meer hekel aan, dan aan jokken.

Toch fluisterde ze:

„Neen juffrouw.”

Thea keek haar aan en zag haar kleuren.

„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?”

„Anna Verloef.”

„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje.

Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan

voor leugenachtig aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet

voor klikspaan spelen en zeggen, dat Louise zich onder de bank had

laten glijden.

Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven.

Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag,

Louise, die met een doodonschuldig gezicht in haar bank zat. De meisjes

lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden over haar lessenaars,

andere van Thea naar Louise kijkend.

Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten

inspannen, om niet driftig te worden.

„Waar ben je geweest, Louise?”

Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen

en begon hevig te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om

Louise te zien.

„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang

uithoesten, je maakt een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet

verstaan kan. Nu Louise, waar was je zooeven?”

„Ik, juffrouw, wel hier.”

„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in

je bank.”

Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare

medeleerlingen verwekte.

„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de

deur hooren openen en dicht gaan.”

Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten

was.

„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet.

Waarom vondt u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.”

Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach.

Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten

ochtend de hulp der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen

en toch, hoe moest ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen,

Louise was niet brutaal, deed zich alleen maar heel dom voor.

Na eenige oogenblikken zei ze:

„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise

gewoon is voor clown te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het

voornaamste deel van haar schooltijd mee doorgebracht, daarom zit ze nu

nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.”

Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise

lachten, vonden ze het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd.

Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend

aankeken, werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht

een oogenblik, dat ze misschien heel onverstandig gehandeld had, met

zich dat meisje tot vijandin te maken. Maar ze kon toch niet met haar

mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die het er blijkbaar op

toegelegd had, haar bespottelijk te maken.

Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden

voelden, dat de strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de

overwinning zijn?

Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog

uithouden en nu was ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan

wel naar den geest.

Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar

een deel harer klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig

ging haar kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over,

waaronder Anna Verloef.

Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken

waren.

„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.”

Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei:

„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, vanmorgen sprak je toch geen

waarheid.”

Anna kleurde weer.

„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat

niet weer, ik weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het

vreeselijk om te jokken, maar klikken wil ik toch ook niet.”

Thea bedacht zich een oogenblik.

„Toch vind ik niet, dat je neen mag zeggen, als het antwoord ja zou

moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever niet zegt.”

Anna keek haar verrast aan.

„En vindt u dat dan goed?”

„Beter, dan dat je jokt.”

„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat

geantwoord had, maar als u het goed vindt, ben ik heel blij.”

Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze

nu goed gehandeld, met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou

het vanmiddag eens aan Vader vragen, ze had nog zoo weinig ervaring.

De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat

met een uitdagend gezicht in haar bank, maar hield zich gelukkig kalm

en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen hadden, waren

ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren

en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze

thuis kwam, te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de

belangstellende vragen van Vader en Moeder antwoorden, terwijl Ita er

ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat opgewekt en zei enkel,

dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een groote

inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel,

alleen toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind

was, antwoordde ze een beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de

meisjes dol.”

Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben?

Maar als zij er niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze

moest het moeilijke begin zelf doorvechten, dat was het beste.

Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep,

dacht ze, hoe graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop

zag, weer te moeten beginnen. Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo

moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als ze uitgerust wakker

werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding

en met die gedachte sliep ze in.

Het onderwijzeresje · 第 31 / 40 题