Op een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de
ontbijttafel, waarin een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had,
haar vroeg, dien dag bij haar in Rotterdam te komen, waar ze op een
doorreis naar het Noorden van het land, één dag dacht te vertoeven, om
enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk en
was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar
vriendin nooit had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden
onmogelijk langer dan één dag van haar reis afnemen en zou dus geen
tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag.
Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei:
„Neen, dat gaat niet.”
„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?”
Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over.
„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet
gaan.”
Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande?
Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang,
hunne vroolijke stemmen drongen door in de huiskamer.
Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei:
„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een
dagje van huis, niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?”
Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze
antwoordde dadelijk:
„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?”
„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief
door.
„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn,
die goede vriendin van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?”
„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te
laten, ik durf het niet goed.”
Thea keek een beetje beleedigd.
„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al
een heel mensch.”
„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de
kleintjes plaagt en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te
scheiden en daarenboven zullen ze veel te druk zijn voor Vader.”
Haar man greep haar hand en zei lachend:
„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte
kan en me dunkt, al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor
ze maar eens.”
Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later
stormde Bets naar binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar
schort vasthield.
„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.”
Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van
het harde loopen.
„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze.
„Welk kraantje?”
„In de gang.”
Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug.
„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is
ondergeloopen.”
Moeder was ondertusschen ook gaan kijken.
„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.”
Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht.
„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in
de gang open?”
Bets begon te huilen.
„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg
Nico met zijn hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er
bij kwam en het dus niet dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en
nu bent u boos op mij.”
Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde
beschuldigd had en wendde zich nu tot Nico.
„Heb jij dat kraantje geopend?”
„Ja,” knikte Nico.
„Waarom?” vroeg zijn vader.
„Zoo maar.”
„Wou je de gang eens laten onderloopen?”
De jongen begon te lachen.
„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te
draaien en toen wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.”
Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij
slaagde er in, zijn ernst te bewaren en zei:
„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk
er eens over na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje
nog langer open had gestaan.”
Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei.
Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan.
„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.”
Zich toen tot haar man wendend:
„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.”
Deze laatste lachte eens witjes.
„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.”
Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen.
„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita
en Jan, waren die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets.
„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet
ik niet.”
„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu
maar eens op zij.”
„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.”
„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je
mag wel eens een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat
je ons allen nog heelhuids terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat
het dak nog op het huis zal staan.”
„En het eten?”
„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea.
Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te
gaan en nu haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden.
Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en
hoed, tot niet geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden
kwamen en niets van de zaak wisten.
„Gaat u uit, Moes? Vanmorgen al?” vroeg Ita.
„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.”
„Uit de stad?” herhaalde Jan.
Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit!
„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg
geven, ik moet nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief
zul je zorgen, dat het Vader aan niets ontbreekt? En kinderen, wees
jullie niet te druk, beloof je het me? Mag die kleine zondaar weer uit
den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder kuste haar
benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn.
Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep
dadelijk naar Bets, met wie hij als de beste maatjes het wonder begon
te bespreken, van Moeder, die uit de stad ging.
Ita had zich intusschen vlug aangekleed.
„Ik breng u weg, Moes,” zei ze.
„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar
weer vlug naar huis gaat en Thea wat helpt.”
„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo
leuk vinden.”
Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea:
„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over
vier weken jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als
vandaag, komt misschien nooit meer terug.”
Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan.
„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij.
„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten
maken van ons allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes
merkt er dan niets van en het is juist mooi weer. Mina is er ook nog en
u blijft dus niet alleen in huis. Zou u het niet aardig vinden, zoo’n
portret?”
„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.”
„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het
in de vacantie te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen
gaan, Vader, wilt u met Mina alleen blijven?”
„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig
idee van je.”
„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u
dan aan Iet, als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze
zich dadelijk wil opknappen?”
Haar vader beloofde het.
Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het
vijftal opweg naar den photograaf.
Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was
met een ander bezig.
Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de
verschillende portretten te bekijken, die hier en daar neergezet waren.
Spoedig echter begonnen ze zich te vervelen en werden lastig.
„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea.
Bets ging wat netter zitten en geeuwde.
„Ik verveel me zoo,” zei ze.
„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks
zoo’n gezicht zet, zal het wel lief staan.”
Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te
trekken.
„Schei uit,” zei Jan.
„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den
spiegel gestaan?”
„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan.
Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het
haar van zijn broertje halend, plaagde hij:
„Wil ik het nog eens voor je opkammen?”
Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn
meestal verwarden bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen
hij nu voelde, dat Nico de met moeite verkregen scheiding in de war
bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf hij Nico een klinkende
oorvijg.
Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te
huilen.
Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was
geschrokken en niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan
een standje maakte, over de scène, die hij verwekt had.
Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur.
„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?”
Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, dat het niets was, haar
broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te beduiden.
„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de
jongeheer gilde zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u
dadelijk helpen.”
Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze
binnen komen. Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk
gevormd was!
Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf.
„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer
ziet er uit, of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.”
Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat
hij zijn haar niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist,
dat hij er nu veel aardiger uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd,
keek nog knorriger.
„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij.
„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,”
veronderstelde de photograaf.
Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter
pret van houding veranderde en de groep in de war bracht.
Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet.
„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf.
Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets
zachtjes.
De photograaf begon zijn geduld te verliezen.
„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?”
Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig
gezicht, ze zei dus niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon
ze niet zoo dadelijk ophouden en lachte door.
Ita werd boos.
„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de
groep in de war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan
moeder verteld worden, waarom er een niet op het portret staat.”
„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil
zijn, ik kan het echt niet helpen.”
Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname
eindelijk gedaan.
„Heel goed,” zei, de photograaf, „nu nog eens, als ’t u blieft.”
„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?”
„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te
doen.”
Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita
naar huis, terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was
naar een vriend gegaan, onder protest van Thea, omdat hij zijn beste
pak aan had.
Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet
weinig pret in het verhaal had.
„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war
gemaakt werd,” lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of
er een ongeluk gebeurd was, het was eenig.”
„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op.
„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits.
„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal
worden, Ita boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en
Thea, als gevolg van dat alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.”
Bets sloeg hare armen om zijn hals.
„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school
vragen wel eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt
en nooit met ons wandelen of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch
heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever een gewonen Pa hebben, maar
het kan mij niks schelen, hoor.”
Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de
woorden van het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets,
ze wilde juist haar liefde voor haar vader uiten.
Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige
uitdrukking, die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze
bijzonder aan zijn invaliditeit werd herinnerd.
„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al
de balletjes van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.”
Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader
toe, en boog zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te
zeggen, iets, dat hem zou opwekken, maar ze wist zoo gauw niet wat.
„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch
wat te zeggen.
Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten.
„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de
vriendinnetjes van Bets over mij spreken.”
Thea zette zich bij hem neer.
„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is
geweest, die goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms,
dat niet juist uw leven, zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat
we juist van u leeren, hoe verdriet te dragen en om te zetten in iets
goeds?”
„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.”
„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren,
„als ik zoo leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld,
dan zou ik al blij zijn,” zei ze hartstochtelijk.
Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en
vroeg aan Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het
was meer dan tijd.
Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever
had ze nog wat met Vader gepraat en getracht zijn gedachten een andere
richting te geven. Maar het was waar, Jan zou ook dadelijk thuiskomen
en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit dus maar.
Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid.
„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij.
Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op
zijn gemak in zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als
een wildeman opstrijken.
„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita.
Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond
op.
„Wat ga je vanmiddag doen?” vroeg Vader.
„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.”
„En werk je dan vandaag niets?”
Jan keek mistroostig.
„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.”
„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt
voor de vakken, waar in je onvoldoende hebt.”
„Nou ja, ’s morgens, maar vanmorgen moest ik voor dat lamme portret
uit.”
„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie
heeft laten maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.”
Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een gemakstoel en schopte
ongeduldig met zijn eene been.
„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op
me.”
„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat
portretmaken was nu juist niet voor zijn pleizier, vooral niet dat
lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af
geven, het weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink
werken, niet waar Jan?”
„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat
Thea het voor je vraagt.”
Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong
op en liep de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend.
Thea keek hem lachend na.
„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem
geen enkelen heelen vacantiedag te hebben.”
„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo
onverschillig opneem, komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je
soms, dat ik het prettig vind, hem zoo te moeten behandelen, veel
liever gunde ik hem een vrije vacantie.”
Ita knikte hem eens toe.
„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea,
weet je wat we doen moesten, vanmiddag samen de wasch doen, dan vindt
Moes die klaar, als ze thuis komt.”
Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen lust in, maar vond het
toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje met
een dubbel drukken dag betalen.
Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht
helpen bandjes uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige
bezigheid vond. Ita was in een dolle bui, zooals ze het noemde en vol
gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds klaar, tot niet geringe
verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over haar
uitstapje, thuis kwam.