Dien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde
klasse ziek was geworden en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af
hadden gehad.
„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd
kijkend dat men zou denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was
gevallen.
„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei
Ita lachend.
„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea.
„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op.
Maar Moes nam Bets’ partij.
„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best
op school, haar rapport is wat goed dezen keer.”
Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar
humeur te geraken, keek weer vroolijk.
„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico
op.
Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms
zoo plotseling van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om
Nico’s gezegde lachen moest.
Bets werd verlegen.
Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand
vloog.
Nico stompte dadelijk terug.
„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten
aan tafel?”
Bets kreeg een kleur.
„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze.
„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in.
„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.”
Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico
nog even gestompt, maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel
gestuurd worden, dus zat er niets anders op, dan zich stil te houden.
„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader.
Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat
met zijn eten te knoeien, hij zag er neerslachtig uit.
„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor voortaan goed je
best te doen en laat het verleden voorbij zijn.”
„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je
te groot wordt en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt
en dat het dan beter moet zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij
het gebeurde wel wat al te gauw vergeten zou. Ze kende dat van Jan,
eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet over de
resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude
leventje weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag.
Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken.
„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die
altijd zoo met haar keel sukkelt?”
„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt
is en dat ze misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik
hoorde het van onze juffrouw.”
Weer verzonk Thea in gepeins.
„Ik ga er eens heen,” zei ze toen.
„Waarheen?” vroeg Vader.
„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij
haar op school was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe
onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw Jansen na de vacantie niet
terug kan komen.”
Moeder knikte haar vriendelijk toe.
„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n
korten tijd herstellen en al nam ze je maar voor een poosje, dan was
dat toch al iets.”
Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de
gedachte, dat Thea in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan,
waar ze eens leerling geweest was.
Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek.
„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon.
„Ja, vin’ je het soms niet goed?”
„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor,
je eigen zuster, juffrouw op je eigen school!”
Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets
had opgewekt.
„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze.
„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik
heelemaal niet weten, wat ik doen moest.”
„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven,
stel je voor je eigen zus voor de klasse, wat eenig!”
Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds
zijn bord met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van
den tafel getrokken te worden.
Bets keek bedenkelijk.
„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan
vertelde ze misschien alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou
je danken.”
Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten
luisteren, nam nu het woord.
„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt
gelijk, dat als Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op
school, Moeder en ik daar heel boos over zouden zijn, maar je zoudt
niet stout durven zijn en ook niet willen, als Thea je onderwijzeres
was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, en je
net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat
je veel bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en
Vader gaf Thea een knipoogje.
Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze
haar toekomstig prestige op school niet verloor en ze was er nog niet
eens en zou er misschien nooit komen.
Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar
zouden zijn.
„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je
maar aan en dan durf je niks,” zei hij.
„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en
toen zei meneer, toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te
vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk niet zeggen en toen zei
meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, wat voor
aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens
pret hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over
meneer en toen moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.”
„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten
laat. Willen we nu maar eens opstaan?”
„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik
juffrouw Lettinga dan wel thuis.”
„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te
laat.”
Thea maakte zich dus klaar en vertrok.
Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze
liefst dadelijk gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den
heelen avond aan moeten denken en er misschien niet van kunnen slapen,
ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, wat was er nu aan, om eens
met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar hart
onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde.
„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de
deur opende.
Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze
zich in gezelschap van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar
twaalfde jaar bezocht had.
„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik
dacht, dat je in Brussel in betrekking was.”
Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk
vertellen, waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote
kans, dat juffrouw Lettinga haar niet zou willen hebben.
Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort:
„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met
Bets niet in orde?”
„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.”
„Voor jezelve?”
„Ja juffrouw.”
Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde,
ze wist toch, dat ze een paar examens gedaan had en les gaf.
„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend.
Thea raapte haar moed samen.
„Ja ziet u, ik hoorde vanmiddag van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.”
„Dat is zoo. En?”
„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u
misschien tijdelijk iemand noodig had.... of voor vast.... u mij
misschien zou kunnen gebruiken.”
Oef, het was er uit.
Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar
bril.
„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei.
Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw
was, om iets te zeggen, of te vragen.
Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen.
„Hoe oud ben je?” vroeg ze.
„Bijna twintig.”
„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.”
En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze
er toch maar uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits,
dan zou ze veel gemakkelijker een betrekking vinden.
„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik
studeer voor Fransch.”
„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd
in Brussel geweest?”
Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel
geweest, dat was waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had
ze daar niet gehad. Enfin, ze had er in ieder geval wel wat geleerd.
„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?”
Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden?
„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden
moeielijke karakters.”
„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?”
„Neen, gouvernante.”
„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?”
Thea moest bekennen van niet.
Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer
waarschijnlijk zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs
zou mogen geven, maar ze wilde haar, over wie ze altijd tevreden was
geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze
haar betrekking weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een
tijdelijke onderwijzeres noodig hebben en dat wel dadelijk na de
Paaschvacantie.
Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te
doen, ze had haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke
leerling. Ze geloofde wel, dat ze een energiek persoontje was, maar
haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar ze les zou moeten
geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij waren
er grooter dan zij zelf.
„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen
af, „zoo heel graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat
ik geld verdien,” voegde ze er kleurend bij.
Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van
Welderen gesteld was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar
met haar wagen, misschien viel het mee, ze zou haar wel wat steunen in
den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze voorloopig geholpen en deed
ze meteen een goed werk.
„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren.
Het is misschien maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor
langer zal zijn, zoo’n keelquestie geneest zoo gauw niet, te meer daar
juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de zaak daardoor veel
verergerd is.”
Thea’s hart klopte wild van vreugde.
„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.”
„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje
verwaarloosd in den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen,
die zich te onlekker voelde, om flink op te treden. Ik dacht er een
oogenblik over, je een lagere klasse te geven en de onderwijzeres
daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo iets
stoort toch altijd den gang van het onderwijs.”
„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea.
Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach.
„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen
zijn het goede kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je
moet oppassen. Je weet, het salaris is zeshonderd gulden, omdat je een
taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.”
Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat
het was.
Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze.
„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze.
„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als
juffrouw Jansen soms niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor
vast nemen, als ik u beviel?”
„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen
van onderwijzerspersoneel. Het komt er maar op aan, of je voldoen
kunt.”
Thea stond op.
„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand
grijpend, „ik dank u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel
gaan, het moet gaan.”
Lachend schudde de juffrouw haar hand.
„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je
moet in de vacantie nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en
ander, ik ga alleen de feestdagen uit de stad. Dat is dus afgesproken,
groet je ouders van me en tot ziens.”
Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze
rende letterlijk en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had.
Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals.
„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!”
„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat
ben je toch een gelukskind.”
Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws
mededeelde.
„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de
juffrouw dacht wel voor langer en misschien wel voor altijd, als
juffrouw Jansen niet terug kan komen.”
Haar vader lachte om haar enthousiasme.
„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te
vast in je hoofd, want dan eindigt het maar in een teleurstelling.
Daarenboven is het voor het meisje zelf te hopen, dat ze terug kan
komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan denken.”
„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les
gegeven hebt bij juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat
anders. Stel je voor, zeshonderd gulden te verdienen en bij u thuis te
kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.”
„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook
niet vooruit weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent,
juffrouw Lettinga zei zelf, dat het een lastige klasse was, je zult het
dus niet heel gemakkelijk hebben.”
„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een
rooskleurigen bril zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te
worden, niet waar Vader?”
Deze trok haar naar zich toe en kuste haar.
„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed moet gaan,
dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.”
Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek.
„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet
waarachtig, of het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten
regeeren.”
Thea lachte maar.
„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve
meisjes bij waren.”
„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat
meisjes haast nog erger zijn dan jongens. Je mag wel beginnen met ze
dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.”
„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om
raad, is dat goed?” en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een
scheef gezicht deed trekken.