NAAR HUIS.

Acht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou

en ze dacht aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had

afgelegd, maar in omgekeerde richting.

Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar

weldra weer te kunnen omhelzen.

En Vader, Ita, Bets en de jongens!

Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien,

hunne stemmen hooren.... ze zou thuis zijn.

Weer thuis, wat een heerlijke gedachte!

En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden

zou ze dat niet mogelijk geacht hebben, maar nu.... werkelijk, haar

vreugde over haar wederkeeren naar haar familie was niet onvermengd. Er

was een bitter droppeltje in, een niet weg te cijferen feit: ze verliet

haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle

moeilijkheden liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar

niet langer houden.

Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken?

Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze

was hun toch misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo

goed over haar dacht.

Had ze dit kunnen voorkomen?

En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor

oogen en had ze berouw, dat ze zich door haar drift had laten

meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan en hem ook niet een dief mogen

noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar plagen, ze had

moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch

geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het

weggenomen met het voornemen, het haar eens terug te geven.

Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging

te zijn gekomen, dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem

altijd gehouden had, tenminste, Bella had haar gister bij het

afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool zou gaan.

„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde

opvoeding, die de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had

ze er lachend bijgevoegd, „en ze wil het nu niet meer met een nieuwe

gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt Mama het beter voor

hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.”

„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd,

waarop Bella geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw

moeten komen, om zich buiten de schooluren met hem te bemoeien. Op den

duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, dat het haar die laatste week

al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten letten. Ook

geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen

wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor

haar eenig zoontje, hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo

streng geweest, dat ik nooit begrepen heb, hoe ze voor hem zoo verblind

kon zijn.”

Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw

van Gendringen blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig

had en dus erkende, dat het kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof,

die zou het op kostschool allicht aangenamer hebben, dan thuis, en voor

haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn.

Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking

had. Ze zou dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen,

iets in de stad van haar inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte,

wat zou dat heerlijk zijn!

Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis.

Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem

verloren zou hebben.

Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook

iemand zag.

Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze

hartelijk.

Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had

gezien en een oogenblik later kusten de zusjes elkaar, zooals ze

misschien nog nooit gedaan hadden.

„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij

was.

„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als

altijd en de kinderen maken het uitstekend.”

„En jij?”

„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.”

„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.”

„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren

wangen, kunnen niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit

door afwezigheid van kleur en verdere schoonheid.”

Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan

hare oprechte, donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne

donkere wenkbrauwen er boven. Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog

magerder geworden, in den tijd, dat ze haar niet gezien had.

Toen ze in de tram zaten, zei Ita:

„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je

daar niet genoeg te eten?”

Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad.

Toen fluisterde ze:

„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?”

„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van op aan.”

„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.”

Ita deed kwasi onverschillig.

„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er

lang blijven zou.”

„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?”

„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.”

„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te

schrijven.”

„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er

niet prettig, dat voel ik.”

„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te

lezen. O, Iet, als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd

heb,” en Thea’s oogen vulden zich met tranen.

Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan

huilen?

„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze.

Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af.

Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van haar, ging tegenover

haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd:

„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?”

Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een

betrekking was geweest, ze had haar nog niet lang geleden geschreven,

dat ze met Paschen thuis hoopte te komen voor de vacantie. Natuurlijk

was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien.

„Ja, zie je”, zei ze, „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom

weer thuis.”

„Weer thuis? voor goed?”

„Ja.”

„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.”

Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van

haar, ofschoon ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief

beantwoord had. Ze had geen lust, haar een uitleg van de zaak te geven

en wist niet goed, wat nu te zeggen.

Ita kwam haar te hulp.

„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het

was een drukke betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een

poosje thuis kwam.”

Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder

jokken, want ze was niet goed in den laatsten tijd en ze had het

vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand,

bij wijze van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren,

waardoor het gesprek een andere wending kreeg.

Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een

handdruk met Marie gewisseld te hebben en een paar minuten later waren

ze in de Columbusstraat.

Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat

omsloegen.

Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar

snoetje omhoog, om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt

wilde worden, daarna wat langzamer Jan, die het met een stevigen

handdruk afdeed.

„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk.

Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en

overwoog druk met Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten.

Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar

negentien jaren, vloog naar haar toe.

„Moesje!”

„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo

naar je.”

Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als

vanouds naast de rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en

voelde zich voor het eerst na vele maanden recht gelukkig.

„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader.

„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver

weg.”

„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op

het punt gestaan, je te schrijven, maar liever terug te komen, maar

Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf moesten

overlaten.”

„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid

uit hare oogen en zacht zei ze:

„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?”

„Neen kindje, dat niet.”

„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.”

„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen

over.”

„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan

had.”

„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed,

dat je maar weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.”

„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten

opknappen. Zeg nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar

school, dan drinken wij gezellig met ons drietjes koffie, we hebben op

je gewacht.”

De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een

teleurgesteld gezicht op te merken:

„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?”

„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!”

Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het

kind maakte een luchtsprong.

„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!”

„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes,

dat ik wat uit Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal,

verheugd door het vooruitzicht, wat uit die vreemde stad te zullen

krijgen.

Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te

doen gebruiken, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast

niets naar binnen kon krijgen.

„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit.

Waarom eet je niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd,

omdat je daar veel van houdt.”

Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst

was meer, dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in

den laatsten tijd geweest was.

„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd.

„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze.

„Boos?”

„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even

erg.”

Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een

beetje onhandig hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend:

„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik

begrijpen wel, dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een

volgend maal beter, eerst struikelen en vallen en daarna stevig blijven

staan.”

„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.”

„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken

trek niet onderdrukken kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven

was, „dat komt terecht. Vooreerst heb je nog je honorarium, dat je pas

gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed verloren, al verloren,

je zult zien, alles komt best terecht.”

Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan.

„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door

haar tranen, „maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw

beginnen en dan trachten het er beter af te brengen.”

„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons

zitten en vertel ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader.

Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met

Armand, dan met Constance.

„Hè Vader, waarom?”

„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere

meisjes komt, maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te

kraken hebben, voor hij is, zooals hij worden moet. Het is heel

verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het huis uit te

sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.”

„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is

van die geschiedenis met mijn armbandje,” antwoordde Thea.

Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand

grijpend, zei ze met een zucht van voldoening:

„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.”

Het onderwijzeresje · 第 23 / 40 题