Twee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die
haar nog van de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze
zou naar huis gaan. Hoe verlangde ze er naar, allen terug te zien!
Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en
haar bij tijden zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide
terugzien.
Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis
geschreven, ze had niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat
ze dat kostbare familiestuk verloren had. Ze had steeds gehoopt, dat ze
het vóór de vacantie op een of andere wijze terug zou krijgen en hoewel
die hoop nu nog maar zeer gering was, ja eigenlijk niet meer bestond,
kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. En toch, het
zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst
vergallen, dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich
verheugd had, al van den eersten dag af aan, dat ze in Brussel was.
Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch
wilde ze wachten tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg
en men kon toch nooit weten, ze wilde alle hoop nog niet opgeven.
Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een
ieder beschouwde het, als op straat verloren en geen der huisgenooten
dacht er meer aan, zelfs Armand vergat, dat hij zich voorgenomen had,
het armbandje na een poosje weer terug te leggen, waar hij het gevonden
had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken.
Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje
nog altijd onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot,
als de gelegenheid zich voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog
veilig opgeborgen was. Hij zou het nu wel willen terug geven, juf had
verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu het er op aan kwam,
wist hij niet goed, hoe te handelen.
Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht
worden, hoe het daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou
kunnen komen, dat hij de schuldige was. In lang had hij niet aan de
zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten hem eensklaps te plagen en
kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor hem zelf aan
verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje
minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het
voor hemzelf veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst
hartje liet hem meestal doen, wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch
wilde hij graag weten, of het braceletje nog op zijn plaats lag en op
een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance zat en hij
doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit
de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit
te pakken en naar het armbandje te zoeken.
Daar lag het nog net als hij het verstopt had.
Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer
eigenaardig maaksel, met een mooi bewerkt familiewapen als slot en
Armand raakte zoo in de beschouwing verdiept, dat hij niet merkte, dat
Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen zoeken, eensklaps achter
hem stond.
„Armand!”
Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn
hand.
En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer
naar het kind en wist niet, wat ze er van denken moest.
Een groote vreugde kwam over haar, daar was de verloren gewaande schat,
haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen zien.
Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig
begon te lachen.
Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan?
Waar had hij het gevonden?
Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd
hij er uitzag. Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat
ineengedoken op den grond, geheel het uiterlijk van een kind, dat iets
heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad betrapt wordt.
In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door
het hoofd, die haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind
indertijd het armbandje hebben weggenomen en verstopt, zou dat mogelijk
zijn? Maar waarom?
Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers
onzin.
Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel
van haar, dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny
tegenover hem verdedigde.
Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken.
Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te
blijven en hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze
schijnbaar bedaard:
„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?”
Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan.
„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger.
Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er
over na, hoe zich uit die moeielijkheid te redden.
Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer hoe driftiger.
„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?”
Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen.
Hij keek Thea boos aan en zei:
„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het
immers terug.”
Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig
verdwijnen van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen
schuld had, had hij haar immers eenvoudig geantwoord, waar hij het
gevonden had.
Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was.
„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?”
Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe
te kijken.
Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en
gilde:
„Ik heb het niet weggenomen, dat is niet waar!”
„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.”
Na een oogenblik aarzelen zei het kind:
„Ik heb het gevonden.”
„Waar?”
„In de kast.”
„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die
kast opgeruimd.”
„In een doos.”
„In een doos? In welke?”
„In die.”
„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?”
De jongen begon te huilen.
„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf,
om tegen Maatje te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje
gelooft er toch niets van!”
Dat was te erg.
Thea ziedde van drift.
Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde
nooit gedaan zou hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen.
Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen.
Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de
uitwerking van haar drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven
als een oordeel en wonder was het niet, dat hun moeder, die juist
thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar ze de kinderen zoo
hoorden aangaan.
Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand vloog op haar af en
hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen had.
„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?”
Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om
kinderen op te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich
door haar drift laten beheerschen.
„Nu juffrouw, is dat waar?”
Thea boog het hoofd en zei:
„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat
Armand mijn armband gestolen had, dan....”
„Juffrouw!”
„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!”
„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen,
ga dan de kamer uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?”
„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij....”
Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur.
„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.”
Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer.
„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten
motiveeren. U heeft mijn zoon van niets minder dan van diefstal
beschuldigd.”
„Ik vond hem spelend met den armband.”
„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan,
Armand?”
Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot
genomen. Ze streelde zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren.
„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand.
„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde
Thea te zeggen.
„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u
blieft. Vondt je hem zoo maar los in de kast, ventje?”
„Ja.”
„Maar mevrouw....”
„Wanneer Armand?”
„Vanmorgen.”
„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?”
„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb
weggenomen, wel Maatje?”
Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan.
„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je
begrijpt wel, dat het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets
van je te moeten denken.”
Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te
huilen.
„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?”
Het kind huilde door.
Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan.
„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en
zelfbeheersching. Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die
armband is natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of
andere manier in de kast terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is
blijven liggen.”
„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden
opgeruimd en Armand heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos
gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij
niet vanzelf gerold zijn.”
„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot
zooiets in staat zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent
je en gelooft je.”
„Dus gelooft u mij niet?”
„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was,
zou u zoo iets niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het
algemeen genomen is uw optreden tegenover de kinderen taktloos. U
bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel durft, overtuigd van
uw bescherming.”
Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu
wat te gaan spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken.
Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou
worden, omtrent het voorgevallene.
„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon,
maar met een booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze
gelegenheid gebruik maken, om u te zeggen, dat u werkelijk ongeschikt
is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. U is te jong, te
onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng
aangepakt moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat
een lief, gemakkelijk te leiden karakter heeft.”
Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar
wegzonk: ze werd haar betrekking opgezegd.
Mevrouw van Gendringen vervolgde:
„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante
bij mijne kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen,
geeft den doorslag. U heeft mijn zoontje geslagen en voor dief
uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. U kunt zich met
Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang zal
ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo
spoedig mogelijk vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan
toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat hij mishandeld wordt.”
„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon.
„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het
kan niet anders. U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen
rekken, totdat u uwe ouders van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen,
maar Armand zal ik zoolang onder mijn persoonlijke leiding houden.
Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben van plan haar
naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op
haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.”
In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. Haar invloed op
Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was
zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het
verdwijnen van den armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster
stond, werd ze smadelijk weggezonden.
Het bloed steeg haar naar het hoofd.
„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen,
was haar meesteres opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar
haar om te zien.
Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven
gehoord had.
Ze moest weg.... had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu
wel niet zoo heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd.
Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou
hen ook niet verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze
voor het eerst haar bijdrage in de opvoeding der kinderen naar huis had
kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare brieven had ze toen van
hare ouders gekregen.
Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden,
dat ze zich had laten meesleepen door haar drift, die drift, waar
moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd had, en dat ze afgedankt
was.
Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel
aannemen, kon ze dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die,
hoe men het ook nam, haar toch allesbehalve mooi behandeld had.
Ze moest er nog eens over denken.
Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu?
Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand,
die te kort was gekomen in zijn plicht.
Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins,
toen ze eensklaps twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde
zeggen:
„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is
nu al weer voorbij.”
„Voorbij, kind? Ik moet weg.”
Van schrik liet Stans haar los.
„Weg, moet u weg? Och neen!”
„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.”
„Voor goed?”
„Ja, voor goed.”
„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen.
Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich
tenminste bij iemand bemind had weten te maken.
Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend,
begon ze het kind te troosten.
Maar Stans was ontroostbaar.
„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.”
„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig
leventje je nog eens krijgt.”
Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal
niet rooskleurig.
„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze.
Thea beloofde het.
Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten.
„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze,
„we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.”
Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige
dagen alleen met haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea
ging dien avond met een bezwaard hart naar bed.
Wat zou de toekomst brengen?