Oudejaarsavond.
Vanavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan
minder eenzaam en verlaten.
Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een bijzonder gevoel,
dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me
ernstig stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid
bij mij opwekt.
En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn
dagboek en de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik
alle voor mij op tafel gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die
lieve gezichten en dat maakt, dat ik me niet zoo eenzaam voel, want,
wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens op de wereld
zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen,
zooals ik naar hen en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen
zit?
Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van
Gendringen gegeven, zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar
ook kinderen van dien leeftijd zijn. Ze worden echter om een uur of
tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare volwassen dochters
oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat ze mee
mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo
zelden iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik
thuis moest blijven, ze had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was,
tot groote verbazing van Armand, die meer oprecht dan beminnelijk
vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee
gevraagd.
Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet
wel, dat ik er niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een
wezen van een ander soort, dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb
nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. Zoo’n gezegde doet me pijn,
al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe men mij hier in
huis beschouwt.
Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de
minste afwijking van mijn plicht haalt me een berisping op den hals,
waardoor ik me vernederd voel en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe
mijn best te voldoen, aan wat er van mij verwacht wordt, dat is
trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van
eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit
gesproken, ik heb een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de
gedachte niet kunnen verdragen, dat ik verplichting aan haar had. Ik
wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij quitte, zij betaalt dan
de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs.
Als mevrouw van Gendringen me maar wat sympathieker was, zou ik me niet
zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht en
ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht
heb. Het kind hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd
lief is, ze heeft een slecht humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig
liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat ik haar bederf, misschien ben
ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden met haar en kan
niet nalaten haar een beetje te vertroetelen.
Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en
innemend zijn, maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb
hem al meer dan eens op een leugentje denken te betrappen, maar hij
weet er zich altijd uit te redden en voelt zich sterk tegenover mij,
door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem gelooven,
haar overdreven liefde maakt haar blind.
Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik
werkelijk te jong ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke
moeielijke karakters te helpen vormen. Ik doe mijn best, maar ben wel
eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik zie er niet meer
zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk moe,
lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf zoo iets nooit naar huis, maar
Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg mij tenminste in
zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve te
schrijven.
Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven
steeds zoo hartelijk, tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje
zendt mij van tijd tot tijd briefjes.
Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben?
Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde
tafel in de huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje
met een rood gloeiend gezicht van het bakken der oliebollen, Ita vol
grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat ze op mogen blijven en
spelletjes doen.
Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig
met smullen. Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de
tafel vullen, wel mijn portret, zooals ik de hunne voor mij gezet heb
en zeker denken allen wel eens even aan hun Thea. Ik weet zeker, dat ze
hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat is goed, want
als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar
vergallen.
Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets
krijgt de slaap niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en
als ze weer terug komt, is er iets ernstigs gekomen in de gesprekken,
het middernachtuur nadert, de joligheid van straks heeft plaats gemaakt
voor een afwachten en luisteren, want ieder wil graag de eerste zijn,
die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen.
Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem
met tranen in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de
kinderen en allen voelen meer dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en
in ieders hart is het voornemen, het volgend jaar zijn best te doen in
alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht er bij te
kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb
ik een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben
in tranen losgebarsten. Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen
en ontsteld vroeg Conny me, of ik ziek was. Ik stelde haar gerust, ik
verzekerde haar, dat het niets was en trachtte vroolijk te informeeren,
of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden
verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek
mij van tijd tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen
haar te glimlachen, maar had moeite mij goed te houden, ik was
zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, die ze bij me
opgewekt had.
Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van
gezelligheid te denken, dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en
dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben nu veel kalmer en ga straks naar
bed. Waarom zou ik nog langer opblijven?
Toch moet me nog één ding van het hart.
Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te
worden op de meisjes hier?
Nu, ik ben jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze
jeugd, ik vond het onrechtvaardig, dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd
leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, hier werken moest voor
mijn brood, hard werken zelfs.
Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te
helpen met haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en
ik haar dan moest helpen optooien voor een of ander feestje en daarna
in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer terugkeeren en de kinderen
bezighouden.
Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes,
dinertjes en bals, vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje
zijn en niet enkel onderwijzeres. Ik zou mezelve zoo dol graag eens
zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat zou me ook wel goed
staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. Zou het
erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk?
Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was,
zou ik dat ook niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou
zijn van bals en diners, maar dan had ik dat alles niet zoo in mijn
nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten en was geen getuige van de
triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, mij zoo van
tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die
feestjes, de mooie Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet
op, met tegen mij te praten. Bella is veel liever en eenvoudiger en
denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het een en ander te
vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om
jaloersch op haar te zijn.
Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat
gevoel te onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als
ik me afvraag, zou ik Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s
moeder hebben, in plaats van mijne lieve ouders, dan moet ik immers
dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen.
Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik
niet eens met haar zou willen ruilen!
En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen..... heelemaal vrij van
jaloezie ben ik nog niet.