Hoe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij
den slaap kon vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende
merkte ze niet, dat omstreeks zeven uur in den morgen een kleine
gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd te hebben, dat
zijn zusje nog gerust sliep. Hij ging voorzichtig op zijne teenen
loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was.
Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel,
waarop Thea ’s avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en
greep, angstig naar het slapende meisje omkijkend, naar den armband.
Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en liet den bracelet vallen.
Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit de voeten maken met het
in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even schuw naar
Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig
doorsliep. Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit.
Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld
had. Hij was ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en
hem gezien had, wat had hij dan moeten zeggen.
Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan
dacht juf, dat ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het,
wat hij wilde; hij had een hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder
had willen zwartmaken en blijkbaar meer van die nare Stans hield, dan
van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, maar die was
tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk
tegen zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen.
Maar nu zou hij haar eens lekker plagen!
Waar zou hij het braceletje laten?
Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam
niemand aan, dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden
lang vergeten in de kast staan.
Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog
sliepen.
Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de
verbindingsdeur naar Stans, luisterde, of hij ook iets hoorde in de
kamer van juf en kroop daarna op handen en voeten naar de
speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte het
armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop
van den dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug
weer in bed en trok de dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud
geworden en voelde zich niets pleizierig. Hij wilde blij zijn, omdat
hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje
rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich
angstig en heel niet op zijn gemak.
Als het eens uitkwam!
Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats
terug te leggen, misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu
eigenlijk spijt, dat hij het gedaan had, en reeds stak hij een been uit
bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, toen hij juf hoorde
opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok.
Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de
gedachte, dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had.
Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te
helpen met aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde
het meisje af, dat de hulp van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw
te bewegen, uit bed te komen. Schertsend dreigde Thea haar met een
natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje
stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur.
Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, zoodat ze aan het
ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom ze
gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien.
Opeens greep Thea naar haar pols.
„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb
mijn armband vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.”
Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de
ontbijttafel af te nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij
elkaar.
Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel
interessants te zien, ten minste hij had geen oog van de straat af.
Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen
vinden.
„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op
de tafel, dat weet ik zeker.”
„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de
kamer op te ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel
geslierd had, maar hij ligt niet op den grond, hij is echt nergens.”
Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring
deed en zei, zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet
verder gezocht hebben, dan haar neusje lang was.
„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij,
„ik ben dadelijk terug.”
Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze
bleef een heel poosje weg en Conny, die juf had willen verrassen door
netjes aan de tafel te gaan zitten en tot haar groote verbazing Armand
daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was bang, dat deze weg
zou loopen. Maar hij was vanmorgen bijzonder tam en zoo stil, dat Stans
vroeg, of hij misschien ziek was.
„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend.
„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!”
Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt
gezicht.
„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van.
Jullie weet er toch geen van beiden iets van?”
„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een
gekke vraag deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te
begrijpen, ze kon hem onmogelijk verloren hebben, ze had hem
gisterenavond nog afgelegd.
„Weet u dat zeker?” vroeg Stans.
„Ja zeker..... ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.”
Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond
afgedaan had. Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale
handeling geworden was en gisteren was ze zoo vervuld geweest van haar
verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren kon, of ze bij het
uitkleeden den armband nog bezeten had.
Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet gewoon was te
zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de
gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch
eigenlijk de eenige mogelijkheid.
Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben
kon, maar dat denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet
gelooven. Annette was een eerlijk meisje en een gouden armband stelen
is geen kleinigheid.
Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den
tijd en het onderwijs der kinderen mocht er niet onder lijden.
Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het
lukte haar niet erg. Gelukkig waren de kinderen bijzonder gezeggelijk
en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald
opgevallen zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar
niet over na.
Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband
terug te krijgen. Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een
advertentie zetten, een belooning uitloven. Ze zou er alles voor over
hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart kromp ineen bij de
gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder
niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo
nonchalant was, zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen.
Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem,
dat hij het verdriet van de juffrouw niet verergerde door lastig en
ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst in langen tijd, dat ze toch
wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met hem te kibbelen.
Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer,
ondervroeg Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar
niets gevonden en vroeg daarna bij mevrouw van Gendringen belet, om
haar van haar verlies op de hoogte te brengen en haar te vragen, in
welke bladen ze adverteeren zou.
Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist,
wanneer die armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat
nu mogelijk, om zich niet te herinneren, of men ’s avonds zijn armband
afdeed, of niet.
Had ze soms verdenking op de bedienden?
Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan
Annette en dat ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was.
„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar
ze in uw kamer geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch
in uw bijzijn ondervragen.”
Ze schelde en beval Annette te roepen.
Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig,
daar ze wel begreep, waarom ze geroepen werd.
„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen
een kostbaren armband mist. Ze beweert die gisterenavond afgedaan en op
tafel gelegd te hebben.”
„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.”
„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met
Annette spreek.”
Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar
zoo op haar plaats te zetten, waar het meisje bij was.
Kalm ging mevrouw van Gendringen voort:
„Weet je iets van dien armband af, Annette?”
Het meisje begon te schreien.
„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze,
„als mijn moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd,
dan zou...”
„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand
beschuldigt je van diefstal”.
„En u zegt het.”
„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen,
weet je iets van dien armband af, ja of neen.”
„Als ik nou toch.....”
„Ja of neen.”
„Mijn moeder zou.....”
„Ja of neen, Annette.”
In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze
vergat, dat ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen
aan het komische tafereel, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw
van Gendringen, rechtop, kalm, streng een volmaakt rechter van
instructie en Annette zenuwachtig huilend, met haar schort voor hare
oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde stem van den
rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen.
Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van
Gendringen had het toch opgemerkt.
Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar.
„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het
verlies van dien armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet,
waarom u er dan zoo’n drukte over maakt.”
Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze:
„Ja of neen, Annette.”
Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en
antwoordde nu:
„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk
meisje en....”
„Dus neen, goed, je kunt gaan.”
„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf
beschuldigt....”
„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in.
„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje
verliet de kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend.
Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea.
„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden,
juffrouw?”
„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te
beschuldigen, wanneer het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn
kamer geweest dan Annette.”
„En die houdt u voor onschuldig?”
„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.”
„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw
armband verloren te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in
die richting te werken. Ik zal een paar advertenties voor u plaatsen in
de meest gelezen bladen.”
„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar.
„Moet ik een belooning uitloven?”
„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?”
„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het
bezit van uw armbandje te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de
zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, daar anders het onderwijs der
kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen eens een les komen
bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven de
kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben,
alleen moeten ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n
vacantietje mij van hun vorderingen te komen overtuigen. Reken er dus
op, overmorgen.”
Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de
gedachte aan haar verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer
Mevrouw de les zou komen bijwonen en, daarvan was ze overtuigd,
onbarmhartig kritiseeren.