Op raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen.
Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te
storten, zei tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea,
laat ik je een goeden raad geven, leg een dagboek aan. Je hebt in
Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk praten kunt en
ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.”
„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader
kent me, hij weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren
voor mij zal houden, om hen geen verdriet te doen en het ontvangen van
mijne brieven tot een genoegen voor hen te maken. Hij trok mij dus naar
zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield was, zei hij met
zijn lieve stem:
„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat
in haar omgaat. Heb ik geen gelijk?”
Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen
opgewekte brieven te schrijven.
„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en
begin een dagboek, waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt
kunt neerschrijven. Je zult eens zien, dat de dingen, wanneer je ze in
een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus meer rekenschap van
geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek nooit
aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.”
Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte
gevoelde, mijn hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier
ben, weet ik, dat Vader gelijk heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne
indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader later alles laten
lezen, als ik weer bij hem ben.
Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls
’s nachts niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral
naar hem, mijn besten vriend, mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel
begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief gezicht, waarop zooveel
lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, waaruit
zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me
troostte, als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen
was, die me sterkte als ik zwak was en met me juichte, als ik blij was.
Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet
niemand, dan ik alleen, een held, dien ik bewonder om zijn geduld in
lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig liefheb.
Zou ik meer van Vader dan van Moes houden?
Och neen, alleen maar anders.
Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het
huishouden, zonder haar zouden wij het veel slechter gehad hebben,
neen, ik houd evenveel van Moeder, maar, zooals ik zei, anders. Met
Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt me niet zoo goed
als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den
materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet,
opgewekt bent en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel
andere eischen stelt. Vader heeft graag dat je tracht, je geest te
verrijken, door het lezen en bespreken van mooie, ernstige boeken, door
goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de beslommeringen
van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft en
toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen
genade voor alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader
eigenlijk strenger dan Moeder en toch.... als ik iets gedaan had, dat
niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, dan aan Moeder
kunnen bekennen.
Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar
vergelijk bij de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom,
dan kom ik daar geheel van terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar
praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik mevrouw van Gendringen heb
leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is.
Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is,
Armand misschien uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van
hare kinderen tot hare bedienden, vliegen op haar wenken, ik geloof
niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn.
Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind
wist te maken, dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van
haar uitgaat. Maar als ik eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand
veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen te bang voor haar. Armand
zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, dien zij
oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters
houden, tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet,
die moeten net zoo goed naar hare pijpen dansen, als de andere
huisgenooten.
Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde
voor gevoelt. En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde!
Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel,
dat ik haar goed kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar
treurig kinderleven. Veel kan ik ook al niet voor haar doen, want
mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, die hare kinderen
maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en ze
heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf.
Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar
zoontje behandelt. Wat dat kind doet, is goed gedaan, zij ziet in hem
een ideaal, een engel in kindergedaante, en ik zie in hem.... een zeer
bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht ventje,
dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder
hem toedraagt. Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind
bedrogen.
Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke
aardige maniertjes. Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert
kennen, hij is meestal lief tegen mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik
vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje is, steeds er op uit, of
hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren en dat hij
haar dan vertellen kan.
En daarin stijft zijn moeder hem!
Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met
hand en tand tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles
vertelt, zoodoende blijft ze op de hoogte van de kleinste zaken, die er
in de leerkamer voorvallen.
Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer,
daar ik al gemerkt heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid
neemt. In navolging van zijne moeder, houdt hij niet van Conny en
plaagt haar, waar hij kan.
En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk!
Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten te vrijwaren. Armand had
met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het gedaan
had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook
Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed
stuurde, omdat ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de
ruit gebroken had, kon ik haar niet onschuldig laten straffen en raapte
ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde meesteres des huizes te
gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak.
Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze
me heel beleefd, maar als altijd op een afstand.
„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?”
Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor
het breken van die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet
gedaan had.
Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler.
„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk
haar misnoegen te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij
beslist had, durfde bemoeien.
„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje
van Conny, dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed.
Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken.
„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna
den moed benamen. Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou
vinden, als ik het kind onschuldig liet straffen en met vaster stem dan
daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk niet, mevrouw, ik zag de
ruit breken en Constance deed het niet.”
Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over
mijn lafheid, maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo
groot, zoo imposant, zoo koud, en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze:
„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie
dan wel de schuldige is.”
Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik
Armand zou noemen en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat
waagde.
Ik kleurde en zei zacht:
„Het was Armand.”
Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als
aanklaagster.
„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.”
Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl
Armand vrij rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken
van een ruit, aan leugen en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die
zich over mij schamen zou, als ik mijn plicht zoo verzaakte. Ik voelde,
dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid beschermen moest,
maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn
onoprechtheid op de hoogte bracht.
Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik
staan en hield vol.
„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, ik zag hem den bal
er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens
onderzoekt.”
Mevrouw van Gendringen ging zitten.
„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat
Constance de ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt,
dat hij het gedaan heeft en opdat u in zult zien, dat u zich vergist
moet hebben, zal ik hem hier laten komen, dan kunt u uit zijn eigen
mond hooren, dat Constance de schuldige is.”
Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen.
Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met
een lachend gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag
staan.
„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend,
„lieveling, vertel nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.”
Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat.
Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.”
Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen:
„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.”
Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes
grif geloofd werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij
verlegen.
„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig.
„U hoort het,” zei zijn moeder.
Maar ik wilde het niet opgeven.
„Heb jij dat gezien?” vroeg ik.
„Ja.”
„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.”
„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.”
„Met je bal?”
„Ja.”
„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?”
„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.”
Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen.
„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee
dagen geleden haar bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee
raakte, toen u door de gang liep en dat u hem weggesloten hebt.”
Dat kon mevrouw niet ontkennen.
„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer
van.”
Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van
verlegenheid, daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide
zich schreeuwend op me en begon me met zijne kleine vuisten te slaan.
„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch
mensch!”
Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe.
„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.”
Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren
en te troosten.
„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik.
Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds
voorspelde, zei ze:
„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.”
Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik
niet, hoe ik durfde evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei
ik:
„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed
gaat, of wilt u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.”
Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond.
Vernietigend keek ze me aan en beet me toe:
„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel,
hoe ik mijne kinderen moet opvoeden.”
Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat
ik Conny de goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel
voldaan.
Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed
ging, zijn moeder heeft hem verder bij zich gehouden.
Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik
denk, dat ze er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind
heeft mij mijn inmenging niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik
gewoon ben, nog eens kwam instoppen, weerde hij me af met de woorden:
Gaat u maar naar Stans.