Thea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit
den koffer halen, hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden.
Verder zou ze maar niet gaan, ze wilde het overige graag eens op haar
gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor had, bijvoorbeeld vanavond,
als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes in de daarvoor
bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens,
hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee
uur eten. Wacht, daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende
naar den greenwichtijd, dus was het hier nu net twee uur.
Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn.
Thea verliet haar kamer en ging een trap af.
Waar zou ze moeten wezen?
Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze
er ooit wennen?
Gelukkig, daar zag ze een bediende.
„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar
openend.
Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer,
ze zag ten minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond.
In het midden der kamer was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er
rond, maar van kinderen zag ze geen spoor.
Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door
Constance.
Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op
haar gemak scheen te zijn, als zij.
Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk:
„Laten we aan tafel gaan, kinderen.”
Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te
binden. Constance zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter
zijde opnemend.
Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi,
vroolijk gezichtje en Constance met haar onverschilligen mond en
onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea ook nu weer een soort medelijden
met haar, dat kind was niet gelukkig.
De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd.
Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten,
zonder iets te zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw
nieuwsgierig aan.
Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet.
Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets
te zeggen, vroeg ze aan Constance:
„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons
eten we om half zes.”
Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand:
„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om
half zeven.”
Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg
Thea:
„Je hebt nog twee zusters, niet waar?”
„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u
en Bella is nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker,
hè?”
Thea begon te lachen.
„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel
graag.”
Armand keek haar eens aan.
„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij.
„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.”
Het mooie kindergezichtje betrok.
„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou
houden, zoo zag u er net uit.”
Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel
ernstig te kijken.
„Dan heb je je vergist.”
Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!”
Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat een grappig
familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich
tot Constance.
„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?”
Constance antwoordde onverschillig: „Neen.”
„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je
nooit een flink meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het
misschien beter gaan,” en Thea trachtte met haar hand onder de kin van
het meisje, haar hoofd wat op te lichten.
Ruw duwde Constance die hand terug.
Thea kreeg een kleur.
„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei.
Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea
uitdagend aan.
„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u
dadelijk zeggen, streng tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u
kunt zoo streng tegen me zijn, als u wilt, het kan me niets schelen,
heelemaal niets.”
Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien.
„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de
vorige juffrouw had ze altijd straf en ze gaf er niets om.”
Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd,
maar Thea keek niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n
blijkbaar genoegen, zijn zusje aanklaagde.
„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal
zelf wel zien, hoe ze is.”
Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo
toegesproken te worden.
Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek
dadelijk weer voor zich.
Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig
over hem dacht, ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van
straks te verklaren.
„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt
Mama altijd. Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.”
Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar
broertje toe:
„Zwijg over Papa.”
Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen.
„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van
hem vertellen, als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook
wel.”
Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar
nieuwsgierigheid deed haar vragen:
„Wat bedoel je toch, Armand?”
„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van
Stans.”
„Och kom, je praat onzin, kind.”
„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die
hadden geen Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had
geen Ma meer en toen trouwden Maatje en Paatje en toen kochten ze samen
mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.”
Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind,
nooit een eigen moeder gekend en nu ook haar vader verloren.
Stiefmoeders kunnen soms innig lief en goed zijn, maar zooveel had Thea
al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen haar eigen
zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets
vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het
was of ze niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich.
Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan.
„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens.
„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen
trouwden, werd jou mama de moeder van Constance.”
Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht.
„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij
houden als van Armand.”
„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.”
Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd.
„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.”
Toen eensklaps van het onderwerp afstappend:
„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?”
„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.”
„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het
eten en lette heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en
toen moest ze lekker weg, ze was niks aardig, weet u.”
Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een
heldendaad verteld had.
Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend,
maar zoo met zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij
dingen zei en deed, die alles behalve lief waren.
Ze zuchtte eens.
Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide
kinderen zouden moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog
zoo weinig ervaring.
„Mogen we opstaan?” vroeg Armand.
Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu.
„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde.
„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea.
„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?”
Thea aarzelde.
„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze.
„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het
beter was, af te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de
dagverdeeling wel eens veranderd hebben, je was er nooit zeker van, wat
Mama in haar hoofd kreeg.
„Constance,” zei Thea.
„Wat is er, juffrouw?”
„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.”
„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.....” maar
eensklaps hield ze op, de deur was geopend en mevrouw van Gendringen
trad binnen, gevolgd door hare dochters.
Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche
gezicht, maar Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van
uiterlijk. Ze had vroolijke bruine oogen en een lachend mondje met
mooie, witte tanden.
„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,”
zei Mevrouw.
Thea boog.
Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven?
Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit,
maar trok die haastig terug, met een blik op haar moeder.
Constance had dit ook opgemerkt en mompelde:
„Bella is ook bang voor Mama.”
„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u
dagelijks na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet
wandelen in het Bois de la Cambre, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet
waar Armand, beste, je weet den weg wel?”
„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?”
„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.”
„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?”
Bella trok een komisch gezichtje.
„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je
wakker blijft en....” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en
de even opgetrokken wenkbrauwen schenen haar te waarschuwen, niet door
te gaan.
„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort,
niettegenstaande je achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen
indruk van je krijgen.”
Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een
snoesje en Gerardine een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze
meening voor zich.
„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de
kinderen wandelen. Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance
een half uur handwerken, terwijl Armand viool studeert. Daarna moet
Constance een uur piano studeeren en mag Armand doen, wat hij graag
wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna
wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar
bed.”
„Beiden te gelijk, mevrouw?”
„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?”
„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is....”
„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen
beslist. „Daarna kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis
natuurlijk. De slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me
dus verplichten den avond verder op uw kamer door te brengen, dan is u
in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten hebben. Ik zal u vóór
morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan wel aan
houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de
kamer, gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders
rug een knipoogje aan Constance gaf en haar een kushand toezond.
Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een
kushand terug gaf.
Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit.
Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus.
Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen,
begon ze te schreien.
„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend.
Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek
haar boos aan en zei:
„Waarom kust u Stans en mij niet?”
Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus.
„Ben je jaloersch?” plaagde ze.
Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een
minachtend trekje.
„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!”
Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde dat ze hem beknorren
moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, maar
hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op
zijn zusje te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had
eigenlijk ook al te lang gewacht en zei dus maar, dat zij zich klaar
moesten maken voor de wandeling.
Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde
omgeving en de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan
los.
Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het
toch met een zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer
ging, na de kinderen goeden nacht gezegd te hebben.
Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na
over alles, wat ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij
aan haar thuis en aan al de dierbaren, die ze daar had achtergelaten.
Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van
bewust was, lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken.
Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere
oogen keek door de reet.
Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar
Thea toe, een handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg:
„Heeft u ook verdriet, juf?”
Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere
kijkers, die ook vochtig waren.
Ze trok het kind op schoot en kuste het.
„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.”
„Huilt u, omdat u van huis bent?”
„Ja.”
„Heeft u een pa en een ma thuis?”
„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.”
Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.”
Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar
goed een levend wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde.
Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind opeens zei:
„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw
pa terug gaan, mijn paatje komt nooit weerom.”
Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden
uitgesproken.
„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,”
dacht ze.
Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden.
„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker
instoppen, dan ga je rustig slapen.”
„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma
en de zusters zijn uit dineeren,” voegde ze er bij.
Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet overvallen konden
worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze
zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug
anders te handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over
haar hart verkrijgen, haar zoo weg te sturen.
„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een
oogenblikje in dat stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal
het naast den haard zetten. Zit je zoo lekker?”
„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op.
Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen
kwam, was een trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje.
„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk
eens Constance, hoe heerlijk, wil je een stukje?”
„Als ’t u blieft. Dank u wel.”
Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd
tot tijd een zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten
verlaten.
Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid.
Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje,
slaperig begonnen te staan.
„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.”
Gewillig stond het kind op en greep haar hand.
„Stopt u me dan eens lekker in?”
„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een
puntje van je neus te zien is. Ga maar gauw mee.”
Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe.
„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij
altijd.”