Nog een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde
onder de kap van het station uit.
Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van
haar moeder te onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet
te onderdrukken zucht, trok ze haar hoofd terug en zette zich in haar
hoekje neer.
Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar
gingen ze nu verschillende richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader
en de kinderen en zij naar een vreemde stad, naar een haar onbekende
familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo dapper bedwongen
had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden
hardnekkig langs hare wangen, hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar
gezicht naar het raampje en alsof daar iets heel bijzonders te zien
was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen
afvegend. Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare
wangen en eindelijk gaf ze den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met
haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze zich aan haar verdriet over.
Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt
moederlijk gezicht. Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een
innig medelijden met haar. Arm klein ding, wat had ze een verdriet,
kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die haar weggebracht
had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian.
Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar
of zeventien gaf ze haar niet.
Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om
weg te moeten, het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren,
die je op zoo’n kostschool leerde, wogen niet op tegen het verdriet,
dat het schepseltje er van had.
Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar
met haar zakdoek voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er
geen andere reizigers waren in deze coupé, ze moest maar eens
uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen er zeker weer
passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en
dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor
ze het wisten.
Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan.
Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt.
„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame
tegenover haar.
De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken,
zoo vriendelijk en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte
aan een medevoelend hart, dat ze zonder aarzelen antwoordde:
„O, vreeselijk.”
Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis
moest en ze vroeg, terwijl ze de laatste tranen afdroogde:
„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?”
De dame begon te lachen.
„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel
reist en daarenboven nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel
moeielijk om te begrijpen, dat ze naar een kostschool gaat.”
Thea keek haar verbaasd aan.
„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga?” vroeg ze.
„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo
bedroefd niet zijn.”
Thea begon te lachen.
Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik
haar verdriet vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les
te gaan geven en nu dacht haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest.
Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei:
„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar
niet zijn op die school.”
Thea had pret in ’t geval.
Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen
twintig, maar ze had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje
zou worden aangezien.
„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze.
„Een jaar of zestien, zeventien misschien.”
„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje
ouder.”
„Achttien dus?”
„Neen, negentien.”
Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd.
„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan
nu nog naar kostschool?”
„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.”
„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?”
„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”
Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing.
„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!”
Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor
bespottelijks aan was.
„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf.
De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden.
„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg
jong uit, veel meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als
een vrouw, die voor de opvoeding van kinderen moet gaan zorgen. Maar
daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, iemand kan wel
anders zijn, dan hij er uitziet.”
Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.”
Thea keek stil voor zich.
Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu
dubbel bezwaard. Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden
die kinderen dan respect voor haar kunnen hebben!
Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op!
Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw
er verdrietig onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk
woordje toevoegen, toen de trein te Rotterdam stopte. Nu kwamen er
eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong mensch, dat zich
naast Thea neerzette.
Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s
hand en fluisterde:
„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.”
Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren,
dat de feestdagen zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van
hare woorden was heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen
te beven en hoewel ze haar zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte,
ontsnapte haar toch een snik.
Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan.
Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en
bood het haar aan.
Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich
gevestigd te zien, wat niet verminderde, toen haar overbuur met een
goedgemeend: Kassian, hare medereizigers meewarig aankeek, terwijl ze
haar hoofd schudde.
Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar
tegenwoordigheid van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare
tranen, hield hare snikken in, veegde hare oogen af en deed haar
uiterste best onverschillig te kijken.
„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch.
„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg.
Dat ellendige blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan
doen, maar wat moest die mijnheer nu wel van haar denken.
Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging
schijnbaar ijverig het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken,
die op haar gericht waren, ze zag ze, als ’t ware.
Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar
en haar buurvrouw. Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel
verstaan, maar ze hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en
van: zoo’n arm schepseltje, dat nu al haar eigen brood verdienen moest
en de gedachte, dat het jongemensch naast haar die woorden evengoed zou
verstaan, maakte haar boos en verlegen.
Men naderde de grens.
Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar.
„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij
een genoegen zijn,” zei hij.
Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de
grenzen geweest, en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de
douanen, maar kon ze van een haar geheel onbekend jongmensch wel hulp
aannemen?
Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in:
„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus
bedankt voor uw beleefdheid.”
Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte,
maar was blij nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al
of niet aannemen van zijn hulp.
Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte
terug.
Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was
nog zoo weinig bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden
moest.
Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar
koffer en toen men weer in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea
zitten, in plaats van tegenover haar.
Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat
verwonderd, maar ging zwijgend op een andere plaats zitten.
„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s
beschermster, „maar ik wilde liever vooruit rijden.”
„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord.
Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „vis-à vis
faut mieux qu’ à côté.”
Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te
zoeken.
Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé
toch niet, voordat hij Thea een specialen groet geschonken had.
Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie
afgehaald werd, keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van
Gendringen had haar geschreven, dat ze iemand aan het station zou
vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, die uitkeek naar een
verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou die
soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de
knecht scheen te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand
anders zag, die meer aan zijn voorstelling van een gouvernante voldeed
en kwam toen op haar af.
„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend.
Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen.
Mocht hij haar bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer
zorgen. Hij bracht haar naar een net coupétje, Thea steeg in en weldra
reed ze door Brussel’s straten.
Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze
zat zoo heerlijk in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de
straten, die ze doorreed waren zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar
Thea was te veel onder den indruk van de dingen, die komen zouden, om
pleizier in dit alles te kunnen hebben.
Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe
voornaam was hier alles, de ruime marmeren vestibule en de statige
bediende, die de deur geopend had en haar nu verzocht hem te volgen,
mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar te brengen.
Thea voelde een rilling door hare leden gaan.
De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van
zenuwachtigheid, als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had
toegestaan, dan zou ze plotseling overgeplaatst zijn in de nauwe gang
van haar ouders’ woning en zou ze het volgend oogenblik bij Vader en
Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van in de
deftige salon van mevrouw van Gendringen.
De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn
gladgeschoren gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij
was gewend zijn trekken de strakheid van een masker te geven, maar
daarom werkten zijne gedachten toch wel.
En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem
volgde, kwam de gedachte bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had
voor een gouvernante, ze leek nog wel een kind.
„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe
mevrouw zal kijken, als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel
van een grenadier en nu zoo’n pop.”
Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar
uitging, de lange vestibule door en de breede trap op.
Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij
gaand, om haar te laten passeeren, zei hij:
„Mademoiselle van Welderen.”
Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten.
In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte
op, groot en statig.
Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel,
alsof ze aan het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze
veronderstelde, dat ze zich dan even weinig op haar gemak zou gevoeld
hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der wenkbrauwen keek mevrouw
van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea erg benauwend
vond.
Toen met een handgebaar naar een der stoelen:
„Neemt u plaats.”
Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles,
de deftige omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht
en de stilte rondom haar en als in een droom hoorde ze vragen:
„Heeft u een goede reis gehad?”
Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven.
„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem
klonk haar als die van een vreemde in de ooren.
„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer
aanbevolen, daarom heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien
en gesproken te hebben.”
De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen.
Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van
Gendringen bleef zwijgen, haar steeds aankijkend.
„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes.
„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig
jaar was, dat is u immers?”
Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel,
alsof ze inkromp, ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein
tenger persoontje te zijn, als nu.
„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend.
„U ziet er bijzonder jong uit, jonger nog, dan u is. Ik vond negentien
al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen
van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te
wagen.”
Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg.
Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede
familie, als haar toekomstige meesteres.
Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen
recht aan.
Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een
mooi kopje, dat was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter
en bleek binnenkwam. Het was een intelligent gezichtje ook, misschien
zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was eerst werkelijk geschrokken
van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige gouvernante
harer kinderen.
„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste
van hopen. Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar,
Constance, de oudste, is nog al een lastig kind, maar Armand, mijn
zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste dochters zijn de leerkamer
ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige gouvernante
heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar,
zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.”
Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo
verlegen meer en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de
kinderen te hooren, die voortaan aan haar leiding zouden zijn
toevertrouwd. „Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van
Gendringen voort, „dan kan ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u
zich zeker wel even verfrisschen voor het diner.”
Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij
haar te brengen.
„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook
wel met hem ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er
trotsch bij.
Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen.
Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van
blonde krullen, een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk
volkomen, dat zijn moeder trotsch op hem was.
Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang, meisje, blijkbaar te
veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager gezichtje
had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit
eenigszins schuw naar de nieuwe juffrouw.
„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand.
Constance, houd je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd
worden. U zult zeker wel streng op haar houding letten, nietwaar
juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.”
Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden
met haar.
Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe.
„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?”
zei ze vriendelijk.
Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van
Gendringen.
„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er
haar voor straffen zult,” zei ze koel.
Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon,
dien deze nog niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en
liefde:
„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden.
Niet waar lieveling, hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.”
Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje,
goed op te passen.
Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan.
„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea.
„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw
gaat zich nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner
weer. U eet met de kinderen om twee uur.”
Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te
brengen.
„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich
daarna tot haar zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea
verliet de kamer, na nog eens vriendelijk tegen Constance geknikt te
hebben, die haar verwonderd aankeek en niet terugknikte.