EEN KLOEK BESLUIT.

Thea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen.

Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen,

die den mensch zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en

moeielijkheden, die men op een zonnigen dag als bagatellen zou

beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken.

Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit,

hare meestal lachende oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de

rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, waren in tegenspraak met haar

jong gezichtje.

Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn

zuster hem had opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat

krabbels op zijn lei teekenen, die een of ander produkt uit het

dierenrijk moesten voorstellen.

Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij,

dat ze niet op hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en

teekende veel liever een beetje.

Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een

gesalarieerde betrekking te krijgen, als ze gedacht had. Ze had

gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig slagen zou, doch nu was

ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe was het haar

niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden.

En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende!

De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze

zag, dat hare ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders

toestand was minder goed, dan van den zomer, hij was zoo zenuwachtig en

dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje liet den moed nooit

zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, zag

toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt

ging.

Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende,

zag ze, dat Nico verdwenen was.

Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het

nadenken, over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het

naast lag en inplaats van haar broertje bij zijn werk te houden, liet

ze hem maar aan zich zelf over en nu was hij weggeloopen.

Waar zou hij zijn?

Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze

zag hem niet, maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: „Thea

slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me

naar school moet laten gaan, zoo leer ik niks.”

Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare

wangen gloeiden van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken.

Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde:

„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof

er niets van, je bent zeker weer stout geweest en van de les

weggeloopen.”

Toen Nico’s stem:

„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea

heelemaal niet op me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze

heeft er echt niks van gemerkt, dat ik wegliep. Mag ik nou naar

school?”

Daarna weer haar vader:

„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd,

dat je naar Thea luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als

Moeder en mij. Ga nu dadelijk naar haar terug en vanavond ga je een uur

vroeger naar bed. Begrepen?”

Nico begon te huilen.

„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea

niet op me let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.”

„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever dadelijk naar bed?

Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat je

weggeloopen bent.”

Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had

zeker weer pijn en door haar schuld werd hij lastig gevallen.

Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig

op hem gelet had, hij had dus geen straf verdiend.

Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop

om en trad binnen.

Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea?

Is Nico weer ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond

vroeg naar bed moet.”

Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder.

„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout

geweest, hij had wel niet mogen weg loopen, maar....”

Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan.

„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.”

Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich

open latend.

Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht.

Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken

en bezorgd boog Thea zich over hem heen.

„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig.

„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij

me zitten en vertel me, wat er gebeurd is.”

Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht:

„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo

afgedwaald, dat ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het

dichtslaan der deur.”

Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij:

„Hoe kwam dat zoo?”

Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat

ze over de toekomst aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde

zich altijd zoo opgewekt mogelijk voor Vader, die al zoo veel te dragen

had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar hoofd tegen zijn

schouder, zei ze:

„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig,

maar het is natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat

beloof ik u.”

Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog

zoo goed, hoe blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat

hij ze zoo vervelend gevonden had, was natuurlijk een bewijs, dat hij

geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, dat Thea dat wel zou

blijken te zijn.

„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een

jongen van dien leeftijd bij zijn werk te houden, maar dat is des te

meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een

gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen

jongen les te geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en

ofschoon ik het sterk in hem afkeur, dat hij op die wijze van je

afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, dat hij naar school moet,

geheel ongelijk heeft hij niet.”

De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden

lag opgesloten. Hare oogen vulden zich met tranen.

„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen

broertje les te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij

hebben en dan zou het vanzelf beter gaan.”

Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge

plichtsbetrachting geweest en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort

was geschoten, door haar leerling zoo aan zijn lot over te laten, al

was die leerling haar broertje.

„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat

je een goed onderwijzeres bent.”

Thea begon te schreien.

„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af

en doe je best maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten,

dat je door ondervinding veel leeren zult. Ik zou nu maar eens naar

Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.”

Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar

het kamertje, waar ze ’s morgens haar broertje les gaf.

Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond

lag er al mee bezaaid.

„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is

je som af?”

Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan

haar nog zoo kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze

gehuild had.

„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan

moet je maar niet zitten suffen.”

Nu keek zijn zuster werkelijk boos.

„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je

oogenblikkelijk naar bed te sturen.”

Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het

werk te gaan, hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien.

Toch kon hij niet nalaten nog even binnensmonds te mompelen:

„Je hebt toch een lekker standje gehad!”

Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van

merkte.

„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk.

Vader heeft gemakkelijk praten, als hij zegt, dat een leerling, een

leerling is, broertje of niet, een vreemd kind zou toch zoo niet durven

spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen toonde hij

triomphant zijn som aan Thea.

„Al af,” zei hij.

„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.”

„Nou ja..... maar nu had ik haar toch gauw af. Zeg Thea, als ik nu

verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?”

„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar

straks.”

Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande,

zei hij tusschen twee kussen door:

„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit

meer wegloopen, al let je heelemaal niet op me, hoor.”

Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel.

„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je

van op aan. Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren

en als het niet gaat, doe je Vader zoo’n verdriet.”

De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag

goed te willen maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren

kon, als hij maar wilde, ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten

te zeggen, toen de les was afgeloopen:

„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.”

„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend

wegholde.

Thea keek hem hoofdschuddend na.

„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken

en zijn lei wegbergend.

Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar

Fransche akte, kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had,

of de juffrouw eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets

spreken. Verwonderd keek Thea op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen

er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei ze tegen het meisje en haar

boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. Daar vond ze

Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad.

Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar,

eens kalm bij hem te gaan zitten.

„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven

ontvangen, dat vooral voor jou van belang is.”

„Voor mij, Vader?”

„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als

gouvernante.”

„Is ’t echt?”

Thea had een kleur gekregen van verrassing.

„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik

onlangs eens over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij

kennissen van hem en nu vraagt hij, of je er lust in zoudt hebben.”

Thea bloosde alweer.

„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u

immers?”

Toen eensklaps haar vader angstig aanziende:

„Het is toch extern, niet waar?”

Nu nam haar moeder het woord.

„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn,

maar je zoudt van ons af moeten, het is een interne betrekking.”

„Maar dan toch hier in de stad?”

„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het

is een Hollandsche familie, die daarom graag een gouvernante uit haar

eigen land bij de kinderen wil hebben. Zou je het aandurven?”

Hier viel haar vader in:

„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen,

die zouden dus geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen

hebben, een meisje van tien en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij

wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, driehonderd gulden

salaris krijgen.”

Thea keek verbaasd.

„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze.

„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die

familie aan mijn vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten

gaan. En dan is er nog een voordeel aan verbonden, denk eens hoe goed

het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel gaat.”

Thea was stil geworden.

Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn,

die gelegenheid tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar

toch....

„Moet ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem.

Haar vader schudde zijn hoofd.

„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel

onze toestemming, maar je moet zelf beslissen.”

Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken.

Haar moeder trok haar naar zich toe.

„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg

ze zacht.

Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan

haar borst.

„Vreeselijk,” zuchtte ze.

„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar

toch moeten we geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi

aanbod. Denk er eens kalm over na.”

„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens

beslist te worden. Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er

over nadenken.”

„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten.

Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur

liep, dat haar vader haar terugriep.

„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.”

Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende,

waarop liefde en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze

zich eensklaps in zijne armen en snikte het uit.

„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo

vreeselijk vindt, hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons

aller bestwil zou zijn, maar je moet het niet doen, als je er zoo tegen

opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever bij me.”

Thea glimlachte door hare tranen heen.

„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.”

Haar moeder maakte een ontkennende beweging.

„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je

zoo door je gevoel te laten overheerschen. Het lijkt me een goede

betrekking, je hebt al ondervonden, dat die niet opgeschept liggen en

dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, vóór we zoo’n aanbod

afslaan.”

Thea droogde hare oogen af en richtte zich op.

„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let

er maar niet op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van

geschrokken, denk ik. Nu zal ik er eens kalm over nadenken en u straks

zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?”

Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach,

het was zoo’n droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook

haar moeder zich de oogen af en haar vader zuchtte: „Arm kind.”

Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico

haar tegen het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde:

„Heeft ze nu al weer een standje gehad.” Ze sloot haastig de deur

achter zich en wierp zich voorover op het bed. Daar liet ze haar tranen

den vrijen loop.

Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes.

Ze had altijd gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een

betrekking in de stad harer inwoning zou vinden. Ze had wel begrepen,

daar alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk

gemakkelijk zou vallen, les te geven en de orde te bewaren op een

school, of bij leerlingen aan huis, maar ze had zich getroost met de

gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis wachtte en

harten, die haar begrepen.

En nu?

Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet

kende, waar zelfs een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig

was.

En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat

durfde, zooals er tegenwoordig zooveel zijn.

Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch

moest het. Ze voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren

mocht, niet weigeren kon, zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als

haar eersten plicht beschouwde, te trachten de drukkende zorgen van

hare ouders te verlichten.

Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan.

Het snikken was nu bedaard.

Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen

kamde ze haar kuif wat op en besloot ineens door den zuren appel heen

te bijten. Ze wilde dadelijk haar besluit aan hare ouders mededeelen,

dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen direct te schrijven, ze

wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven

uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan

verzoend was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat

zij haar eigen brood moest verdienen. Dat mocht niet.

En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem

opgewassen, met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou

dadelijk heel streng zijn en laten merken, dat er niet met haar te

spotten viel. Toen keek ze toevallig in den spiegel en moest lachen om

het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich voornam een

strenge onderwijzeres te worden.

Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel

veel van haar hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou

kunnen uitoefenen.

Maar Nico hield ook veel van haar en toch....

Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar

besluit mededeelen.

Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze

verstandig zou zijn, maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg:

„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je

eenmaal je woord gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat

goed.”

Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou

haar best doen en alles zou goed terecht komen, moest goed terecht

komen.

Haar vader greep haar hand.

„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij.

„Doe het liever straks nog,” verzocht ze.

Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in

orde zouden krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet

geschreven was, wanneer men haar precies noodig had, kon men toch uit

den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten zou.

Het onderwijzeresje · 第 4 / 40 题