HET EXAMEN.

Mijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij

daar nu al jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van

zijn paard, zijn rug bezeerd had, welk ongeval een eind gemaakt had aan

zijn carrière als officier. Hij was toen nog jong, nog geen vijf en

veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, had

naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .... en

ineens maakte die val een eind aan alle verwachtingen.

Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en

niet dan met de grootste moeite eenige stappen loopen kon.

En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn

huis gedaan hadden, de geldzorgen vooral.

Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien,

de jongste twee jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en

buiten zijn pensioen had hij niet veel. Toen hij in zooverre hersteld

was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk was en hij zijne dagen

weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds

liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van

militaire schetsen en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel

dikwijls werd hij gekweld door pijn, die hem het werken belette, zoodat

hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig vermeerderen kon. Toch was

hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd karakter en

dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat

daar dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen.

Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de

handen uit de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen

beiden hun lot te dragen.

En dan zijne kinderen!

Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen

vijf kinderen op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen

van allen willen missen, ze maakten immers het geluk en de gezelligheid

van het huis uit.

En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu

negentien jaar, een klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als

geschapen om het echte jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te

genieten van haar jeugd. En wat had ze niet gewerkt om maar zoo spoedig

mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen doen, zijn dapper

meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om zijne

zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar

hulpakte gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds

trachten haar akte Engelsch te halen, waar ze al voor gestudeerd had,

toen ze nog voor haar akte lager onderwijs werkte.

Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed

of slecht nieuws en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo

gekweld, als juist heden. Hij was te rusteloos, om zich met iets bezig

te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep niet, wat er stond,

werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita,

zijn tweede dochter, had wel geen school vanmiddag, maar was haar

zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen

dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine

Nico meegenomen en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school.

Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger

worden.

Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een

oogenblikje bij hem kon blijven.

„Ben je daar, beste,” riep hij.

De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen.

„Riep je, Johan?”

„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt,

het is al half drie.”

Zijn vrouw zette zich naast hem neer.

„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn.

Valt de tijd je zoo lang?”

„Ja, jou niet?”

„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw

voorbij. Ik heb advocaat gemaakt, wat zeg je daarvan?”

„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.”

„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.”

„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel

bekwaam genoeg zijn. Ik ben er niet zoo gerust op.”

In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te

kijken en verzekerde hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van

Thea.

„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de

lieveling moet dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er

smalletjes uit in den laatsten tijd.”

Haar man zuchtte.

„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn,

als ze zich weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om

zulke jonge kinderen les te geven, ik weet de methoden niet en

daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig genoeg. Het is

miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.”

Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem.

„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, wat je kunt. Dat

je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap

bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het

dadelijk weer van je te zullen overnemen.”

„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor

haar genoegen leven.”

„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een

betrekking heeft en dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld

betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.”

Weer zuchtte mijnheer van Welderen.

„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de

gedachte dat zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet

verdienen, terwijl ik hier nutteloos neerlig! Als je eens wist, hoe me

dat kwelt.”

Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd.

„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,”

voegde ze er bij, naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig

te worden. Daar komen Jan en Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?”

„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar

man, maar ze viel hem in de rede:

„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te

treuren. Ik ga de jongens even opendoen.”

Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico

naar binnen.

„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, dat we te laat

waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet

voorhoofd af.

Zijn vader schudde glimlachend het hoofd.

„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem

zijne krullen uit zijn gezichtje.

„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en

je haar die rozen geeft?”

Nico knikte van ja.

„Wat dan?”

„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou

weer van Thea les?”

„Ja, vin’ je dat niet prettig?”

„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel

liever naar school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.”

Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het

hem moeilijk viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen

hem al zooveel kostten.

Toen hervatte hij:

„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en

je zult lief zijn en je best doen, niet waar?”

Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit

niet naar zijn zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn

moeder binnen en ziende, hoe vuil hij zich op straat gemaakt had, nam

ze hem mee, om hem eens flink te wasschen.

Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten.

„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader.

Jan schudde ontkennend.

Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig.

„Jan,” zei hij weer.

Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee

gedaanten, die in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden

het de zusjes zijn?

„Jan,” zei nog eens zijn vader.

Doch Jan keek niet om.

„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de

ruiten, om beter in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij:

„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier,

hoezee, ze is er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich

zenuwachtig had opgericht, vloog hij de gang in, naar de voordeur,

roepend:

„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!”

Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook

naar voren. Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een

paar huizen ver, kleine, blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit

papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige Ita danste

letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar

haar keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan.

Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur.

„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de

deur der huiskamer openend, duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar

vader en stak zijne armen naar haar uit. Zijne oogen waren gevuld met

tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, hoe

gespannen zijn zenuwen waren.

Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander

hartelijk.

„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk

geluk gewenscht, het is haast al te heerlijk.”

Nog een kus en Thea richtte zich op.

„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan

verrukkelijk” en ze vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens

flink.

Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een

mooien bouquet rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje

oprichtte, om gekust te worden.

„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader.

„Wel gefeliciteerd,” zei het kind.

„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.”

Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar

gevraagd hadden, en hoe aardig de examinator geweest was.

„Het ging heerlijk,” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later

niets meer, ik voelde, dat ze tevreden waren. O, ’t is zalig om door je

examen te komen,” en in verrukking sloeg ze haar handen in elkaar.

Moeder had intusschen even de kamer verlaten en kwam weldra terug met

een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, benevens

een schaaltje met bisquits.

„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk.

„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter

vreugde zoo’n luchtsprong, dat de vaas met bloemen bijna omver viel.

„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot

antwoord vloog Ita op hem aan en omhelsde hem zoo onstuimig, dat haar

moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild

met Vader moet zijn.”

Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht.

„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn

wildeman,” zei hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem

had neergezet, stootte hij met Thea aan.

„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n

feestje vieren mogen!”

Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat

er gebeld werd. Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig,

klom tegen den bel op en gaf er nog eens een flinken ruk aan. Ze

brandde van verlangen om te weten, hoe het examen was afgeloopen.

„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.”

„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet

er ook bij zijn.”

Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt:

„ze is er door.”

„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t

me verteld voor ik naar school ging.”

Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds

geleegde glazen.

„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze.

Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht.

„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je

toch zeker het goede nieuws verteld?”

„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten

had, Thea was immers zoo knap.

Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje.

„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op

school al verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was,

was het toch erg gek geweest, hè, dan had ik het morgen weer moeten

tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. Nou hoor, ik ben blij,

dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze haar

glaasje leeg.

Het onderwijzeresje · 第 2 / 40 题