Dat Mobray's zonden hem den boezem drukken,
Zoo hevig, dat zijn schuimend ros den rug breekt.
En over hals en kop zijn ruiter neêrsmakt
In 't strijdperk,--den afvall'gen schurk!
Richard II.
Ons verhaal keert nu terug tot den omtrek van het kasteel of
Preceptorij van Templestowe, omtrent het uur toen het lot beslissen zou
over het leven of den dood van Rebekka. Het was een tooneel van drukte
en leven, alsof de bewoners van de geheele buurt op een landelijk
feest verzameld waren. Maar de begeerte om bloed en dood te zien,
is niet alleen eigen aan die duistere eeuwen; ofschoon men toen door
de zwaardvechtersoefeningen van tweestrijd en toernooi gewoon was aan
het bloedig tooneel van dappere mannen door elkanders hand te zien
vallen. Zelfs in onze dagen, nu men een hooger begrip van zedelijkheid
heeft, verzamelen eene terechtstelling, eene vechtpartij, een oploop,
of eene bijeenkomst van radicale hervormers, tallooze toeschouwers,
met groot gevaar voor hen, die zelven weinig ander belang daarbij
hebben, dan om te zien hoe het toegaat, en of de helden van den dag,
van welken aard ook, hun verkregen roem waardig zijn.
De blikken van eene zeer aanzienlijke menigte waren dus op de poort
van de Preceptorij van Templestowe gevestigd om den optocht te zien,
terwijl een nog grooter aantal reeds het toernooiplein omringde, dat
tot het kasteel behoorde. Dit plein lag dicht bij de Preceptorij,
en was met zorg ingericht voor krijgshaftige en ridderlijke
oefeningen. Het besloeg de bovenste vlakte van een zacht hellenden
heuvel, was zorgvuldig met palissaden omgeven, en daar de Tempeliers
gaarne toeschouwers hadden om getuigen te zijn van hunne behendigheid
in het gebruik der wapens, had men er talrijke galerijen en banken
ten behoeve der menigte opgericht.
Bij de tegenwoordige gelegenheid was er aan het oostelijke einde
een troon opgericht voor den Grootmeester, omringd met eereplaatsen
voor de Preceptoren en ridders van de Orde. Hierover fladderde de
heilige standaard, _le Beau-Séant_ genaamd, het vaandel en tegelijk
het veldgeschrei der Tempeliers.
Aan het tegenovergestelde einde van het strijdperk was een brandstapel,
zoodanig rondom een paal, die diep in den grond zat, opgericht, dat er
plaats genoeg overbleef voor het slachtoffer, om in den noodlottigen
kring te treden, om met de boeien, welke gereed hingen, aan den paal
geklonken te worden. Naast dit toestel des doods stonden vier zwarte
slaven, wier kleur en Afrikaansche trekken, toen weinig in Engeland
bekend, de menigte verschrikten, die hen beschouwde als duivels, die
met hun helsch werk bezig waren. Deze mannen verroerden zich niet,
behalve nu en dan, op bevel van een mensch, die hun opperhoofd scheen,
om de gereed liggende brandstoffen te schikken en op te stapelen. Zij
zagen niet naar het volk; zij schenen zelfs zijne tegenwoordigheid
niet te bespeuren, en evenmin op iets anders te letten, dan op het
verrichten van hun eigen verschrikkelijk ambt. En wanneer zij in
gesprek met elkander hun dikke lippen openden en hun witte tanden
toonden, alsof zij grijnsden uit blijdschap over het verwachte
moordtooneel, kon het verschrikte volk nauwelijks nalaten te gelooven,
dat zij wezenlijk de booze geesten waren, met wie de tooverheks
gemeenschap had gehad, en welke thans, nu haar tijd om was, gereed
stonden om de vreeselijke straf aan haar te voltrekken. Men fluisterde
elkander toe, en deelde elkander al de daden mede, welke de Satan
in dat woeste en ongelukkige tijdvak verricht had, natuurlijk niet
nalatende den duivel meer op zijne rekening te zetten, dan hem toekwam.
"Hebt gij niet gehoord, vader Dennet," zei een boer tegen een ander,
die reeds vrij gevorderd in jaren was, "dat de duivel den grooten
Saksischen Thane, Athelstane van Coningsburgh, gehaald heeft!"
"Ja, maar hij heeft hem toch ook teruggebracht, dank zij God en den
heiligen Dunstan!"
"Wat is dat?" zei een jong, vroolijk gezel, gekleed in een groen
wambuis, met goud geborduurd, en gevolgd door een grooten jongen,
die een harp op den rug droeg, en dus zijn beroep te kennen gaf. De
minnezanger scheen van geen lagen stand te zijn; want zonder nog op
den glans van zijn rijk geborduurd kleed te letten, droeg hij om den
hals een zilveren keten, waaraan de stemsleutel zijner harp hing. Op
zijn rechterarm blonk een zilveren plaat, waarop, in plaats van,
zooals gewoonlijk, het wapen van den edele, tot wiens huisgezin hij
behoorde, slechts het woord _Sherwood_ gegrift was.--"Wat wilt gij
daarmede zeggen?" vroeg de vroolijke minnezanger, zich in het gesprek
der boeren mengende: "Ik ben hier gekomen, om één onderwerp voor een
lied te zoeken, en bij onze Heilige Maagd, ik zou dubbel verheugd
zijn er twee te vinden!"
"Het is volkomen bewezen," zei de oudste boer, "dat Athelstane van
Coningsburgh, na vier weken dood geweest te zijn--"
"Dat is onmogelijk," hernam de minnezanger; "ik heb hem levend gezien
bij het toernooi van Ashby-de-la-Zouche."
"En toch was hij dood, of ten minste begraven," hervatte de jongere
boer; "want ik heb de monniken van St. Edmunds klooster den lijkzang
over hem hooren zingen; en buitendien was er een prachtig lijkmaal
en rouwfeest te Coningsburgh, zooals het behoorde; en ik zou er heen
gegaan zijn zonder Mabel Parkin, die--"
"Maar uw verhaal, vrienden, uw verhaal!" viel hem de minnezanger een
weinig ongeduldig in de rede.
"Ja, ja, de geschiedenis maar," zei een dikke monnik, die naast
hen stond, op een stok leunende, die het midden hield tusschen een
pelgrimsstaf en een strijdknots, en waarschijnlijk voor beide diende,
naar dat de gelegenheid eischte,--"uw geschiedenis," zei de kloeke
geestelijke, "laat den dag er niet over verloopen;--wij hebben niet
veel tijd te verliezen."
"Als het uw eerwaarde behaagt," zei Dennet, "een dronken priester
kwam den Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken.--"
"Het behaagt mijn eerwaarde niet," antwoordde de geestelijke, "dat er
zulk een dier als een dronken priester zijn zou; of, als er een is,
dat een leek hem zoo noeme! Wees beleefd, vriend, en verbeeld u den
heiligen man alleen in gepeins verzonken, wat het hoofd duizelig
en den voet onzeker maakt, even alsof het lichaam met nieuwen wijn
gevuld ware.--Ik heb het zelf ondervonden!"
"Goed dan," hervatte vader Dennet; "een heilige broeder dan kwam den
Sacristijn van St. Edmunds klooster bezoeken; de bezoeker was een
soort van verloopen priester, die de helft van het wild, dat in het
woud gestolen wordt, velt, die den klank van een beker liever hoort,
dan dien van de misklok, en een stuk ham boven tien gebedenboeken de
voorkeur geeft; voor het overige een goede, vroolijke vent, die een
strijdknots zwaait, een boog spant, en het in de danszaal volhoudt
tegen den beste in Yorkshire."
"Dit laatste gedeelte van uwe rede, Dennet," zei de minnezanger,
"heeft u een paar ribben gered!"
"Stil maar; ik vrees hem niet!" hervatte Dennet; "ik ben wat oud en
stijf, maar toen ik bij Doncaster in het worstelperk trad,--"
"Maar het verhaal,--het verhaal, vriend!" riep weder de minnezanger.
"Wel, het verhaal komt hierop neder: Athelstane van Coningsburgh werd
in St. Edmunds klooster begraven,"--
"Dat is een grove leugen," zei de monnik; "want ik heb hem naar zijn
eigen kasteel van Coningsburgh zien dragen."
"Nu, verhaal dan de geschiedenis zelf," zei Dennet, zich knorrig
over dit herhaalde tegenspreken afwendende; en het was met eenige
moeite, dat de boer overgehaald werd, op verzoek van zijn makker en
den minnezanger, om zijn verhaal te hervatten.--"Deze twee _matige_
broeders dan," zei hij eindelijk, "dewijl deze eerwaarde man volstrekt
hebben wil dat zij dit waren, hadden goeden wijn en goed bier, en
ik weet niet wat al meer, gedurende het grootste gedeelte van een
zomerschen dag gedronken, toen zij opgewekt werden door een zwaar
gezucht en het gerammel van ketens en de gedaante van den overledenen
Athelstane trad in het vertrek, zeggende: "Gij onwaardige herders!"
"Dat is gelogen," riep de monnik driftig, "hij sprak geen enkel woord!"
"Ha, ha! broeder Tuck," zei de minnezanger, den monnik ter zijde
nemende; "wij hebben een nieuwen haas opgejaagd, zooals ik zie!"
"Ik zeg u, Allan-a-Dale," hervatte de heremiet, "ik heb Athelstane
van Coningsburgh even goed gezien, als ooit vleeschelijke oogen een
levend mensch gezien hebben. Hij had het grafkleed aan, en bracht
een graflucht mede.--Een vat wijn zal het mij niet uit het geheugen
spoelen."
"Bah!" antwoordde de minnezanger, "gij schertst!"
"Geloof mij nooit weder," hervatte de monnik, "zoo ik hem niet een
slag met mijn knots gegeven heb, die een os zou ter neêr geveld hebben,
en die door zijn lichaam heen ging, evenals door een rookwolk."
"Bij St. Hubertus!" zei de minnezanger, "het is een wonderbaar
verhaal, en geschikt om op rijm gebracht te worden naar de oude wijs:
"de Smart kwam bij den ouden monnik!""
"Lach maar, als gij lust hebt," hervatte broeder Tuck; "maar als gij
mij op het zingen van zulk een liedje betrapt, dan moge de eerste de
beste geest of duivel mij hals over kop met zich meênemen.--Neen,
neen, ik vatte aanstonds het voornemen op, om bij het een of ander
goed werk tegenwoordig te zijn, zooals het verbranden van eene heks,
een Godsgericht, of een soortgelijke Gode welgevallige verrichting!"
Terwijl zij aldus spraken, brak de zware klok der kerk van St. Michiel
van Templestowe, een eerwaardig gebouw, te midden van een gehucht op
eenigen afstand van de Preceptorij, hun gesprek af. De sombere tonen
volgden elkander zoo snel op, dat iedere klank slechts genoegzamen
tijd had om in een verafgelegen echo weg te sterven, eer de ijzeren
klepel zich dadelijk weder hooren liet. Dit geluid, dat de naderende
plechtigheid aankondigde, vervulde het hart der aanschouwers met
schrik, terwijl hun oogen zich naar de Preceptorij wendden, om
de aankomst van den Grootmeester, van den kampvechter en van de
aangeklaagde te zien.
Eindelijk viel de ophaalbrug, de poorten werden geopend en een ridder
die den grooten standaard der Orde droeg, reed uit het kasteel,
voorafgegaan door zes trompetters en gevolgd door de ridders en
Preceptoren, twee aan twee; de Grootmeester kwam het laatst, op een
vurig paard, welks tuig van de eenvoudigste soort was. Achter hem kwam
Brian De Bois-Guilbert, van top tot teen in glinsterende wapenrusting;
maar zonder lans, schild of zwaard, welke twee schildknapen hem
nadroegen. Ofschoon zijn gelaat gedeeltelijk verborgen was door een
langen vederbos, welke van zijn baret nederhing, zag men er toch eene
sterke en gemengde uitdrukking van hartstochtelijkheid op, waarin
hoogmoed met besluiteloosheid scheen te strijden. Hij was doodsbleek,
alsof hij in verscheidene nachten niet geslapen had; evenwel bestierde
hij zijn moedig strijdros met al de bevalligheid en gemakkelijkheid,
aan den besten ridder van de Tempelorde eigen. Zijn voorkomen was
bij den eersten oogopslag trotsch en ontzagverwekkend; maar wanneer
men hem met oplettendheid beschouwde, was er iets in zijne sombere
trekken, dat het oog van zijn gelaat deed afwenden.
Aan weerskanten van den kampvechter reden Conrad De Mont-Fitchet
en Albert De Malvoisin, als zijne beste vrienden. Zij hadden hunne
vredeskleederen aan, het witte gewaad der Orde. Achter hen volgden
andere ridders van den Tempel, met een langen stoet schildknapen
en pages, in het zwart gekleed, die naar de eer streefden om eens
ridders der Orde te worden. Na deze nieuwelingen kwam eene wacht
van voetknechten, in dezelfde zwarte kleeding, in wier midden men
de ranke gedaante der aangeklaagde ontwaarde, die met langzame maar
onverschrokken schreden het tooneel, waar haar lot beslist zou worden,
betrad. Zij was van al haar sieraden beroofd, uit vrees dat er een
of ander dier amuletten onder mocht zijn, welke men veronderstelde,
dat de Satan aan zijne slachtoffers schonk, om hen te beletten iets
te bekennen, zelfs wanneer zij op de pijnbank lagen. Een grof, wit
gewaad, van het eenvoudigste maaksel, had haar Oostersche kleeding
vervangen; maar in haar blikken schitterde zulk een uitstekende
vereeniging van moed en onderwerping, dat zij zelfs in deze kleeding,
en zonder eenigen anderen tooi dan haar lange, zwarte lokken, tranen
lokte uit ieder oog, dat haar aanschouwde; en zelfs de verhardste en
bijgeloovigste mensch betreurde het lot van een zoo schoon schepsel,
dat een werktuig der zonde en eene slavin van den Satan geworden was.
Een menigte personen van minderen rang, die tot de Preceptorij
behoorden, volgden het slachtoffer, allen gingen in de grootste orde,
met gekruiste armen en neergeslagene blikken.
Deze optocht besteeg langzaam den kleinen heuvel, op welks top de
toernooiplaats lag, trad in het strijdperk, trok het eenmaal van de
rechter naar de linker zijde rond, en maakte halt, zoodra dit gebeurd
was. Hierop ontstond er een kort gedruisch, daar de Grootmeester
en allen, die hem vergezelden, behalve den kampioen en zijne twee
vrienden, van de paarden stegen, welke de schildknapen, die gereed
stonden, dadelijk buiten het strijdperk brachten.
De ongelukkige Rebekka werd naar den zwarten stoel, welke bij den
brandstapel stond, geleid. Bij de eersten blik op de verschrikkelijke
plek, waar men toebereidselen tot een dood maakte, even vreeselijk
voor het gemoed als pijnlijk voor het lichaam, bespeurde men, dat
zij sidderde en de oogen sloot, zonder twijfel zacht biddende, want
hare lippen bewogen zich, ofschoon men geen woord hoorde. Na verloop
van eene minuut opende zij de oogen, zag strak naar den brandstapel,
alsof ze zich met dit voorwerp wilde gemeenzaam maken, en toen wendde
ze het hoofd langzaam en ongedwongen af.
Intusschen had de Grootmeester zijne zitplaats ingenomen, en toen
de ridders der Orde, weder volgens hun rang, rondom en achter hem
geschaard waren, kondigde een luid en lang trompetgeschal aan, dat de
rechters zitting genomen hadden. Daarop trad Malvoisin voorwaarts,
en legde den handschoen der Jodin, als het pand van den strijd,
voor de voeten van den Grootmeester.
"Dappere gebieder en eerwaarde vader," zei hij, "hier staat de ridder,
Brian De Bois-Guilbert, Preceptor van de Orde des Tempels, die door
het opnemen van het strijdpand, hetwelk ik thans voor uwe voeten
leg, zich verbonden heeft, om heden in het gevecht zijn plicht te
doen, en te bewijzen, dat dit Joodsche meisje, Rebekka genaamd, te
recht het vonnis verdiend heeft, dat door een Kapittel van deze zeer
heilige Orde van den Tempel van Sion tegen haar is uitgesproken, en
waardoor ze veroordeeld is als tooveres te sterven;--hier, zeg ik,
staat hij, om ridderlijk en eervol voor dat oordeel te strijden,
zoo dit uw edele en heilige wil zij!"
"Heeft hij den eed gedaan, dat zijne zaak billijk en eerlijk is?" zei
de Grootmeester. "Breng het crucifix en het _Te igitur_."
"Heer, en zeer eerwaarde vader," antwoordde Malvoisin dadelijk,
"onze broeder heeft de waarheid zijner beschuldiging reeds bezworen
in handen van den Ridder Conrad De Mont-Fitchet; en op eene andere
wijze mag hij niet zweren, daar zijne tegenpartij, een ongeloovige
is en niet tot den eed kan worden toegelaten."
Deze verklaring was tot Alberts groote vreugde voldoende; want de
listige ridder had de groote moeielijkheid, of liever de onmogelijkheid
voorzien, om Brian De Bois-Guilbert over te halen dezen eed voor de
vergadering te doen, en hij had deze uitvlucht bedacht, om hem de
noodzakelijkheid daarvan te besparen.
Nadat de Grootmeester de verontschuldiging van Albert de Malvoisin
aangenomen had, beval hij den heraut voorwaarts te treden en zijn
ambt te verrichten. De trompetten lieten zich weder hooren, de
heraut kwam te voorschijn en riep met luider stem: "Hoort, hoort,
hoort!--Hier staat de dappere ridder, Brian De Bois-Guilbert, gereed
om te strijden tegen iederen vrijgeboren ridder, die de zaak van de
Jodin Rebekka wil verdedigen, aan wie het vergund is door middel
van een kampvechter te strijden, daar ze in eigen persoon niet in
het strijdperk verschijnen kan; en aan dezen kampvechter vergunt de
eerwaarde en dappere Grootmeester hier tegenwoordig, een vrij veld,
en gelijk voordeel van zon en wind, en al wat er verder tot een
eerlijken strijd behoort!" De trompetten lieten zich nog eens hooren
en er heerschte gedurende eenige minuten doodsche stilte.
"Er verschijnt geen kampioen voor de aangeklaagde," zei de
Grootmeester. "Ga, heraut, en vraag haar, of zij iemand verwacht,
om de wapens voor haar in deze zaak op te nemen." De heraut ging naar
den stoel, waarop Rebekka zat, en Bois-Guilbert plotseling zijn paard
naar dat einde van het strijdperk wendende, was, in weerwil van de
wenken van Malvoisin en Mont-Fitchet, even schielijk als de heraut
naast Rebekka's stoel.
"Is dit in den regel en naar de wet van den strijd?" vroeg Malvoisin,
den Grootmeester aanziende.
"Dat is het, Albert de Malvoisin," antwoordde Beaumanoir; "want in
het beroep op een Godsgericht mogen wij de partijen niet beletten
die gemeenschap met elkander te hebben, welke het best dienen kan,
om de waarheid aan het licht te brengen."
Intusschen sprak de heraut tot Rebekka in deze woorden: "Meisje,
de geëerde en hoogeerwaarde Heer Grootmeester vraagt, of gij een
kampvechter hebt, om op dezen dag voor u te strijden, dan of gij het
tegen u uitgesproken vonnis voor rechtvaardig erkent?"
"Zeg aan den Grootmeester," hernam Rebekka, "dat ik mijn onschuld
staande houd, en mij niet als rechtvaardig veroordeeld erken,
omdat ik niet schuldig mag worden aan mijn eigen dood. Zeg hem,
dat ik zulk uitstel vorder, als zijne wetten toelaten, om te zien,
of God, die dikwijls in den uitersten nood uitkomst schenkt, mij een
verlosser zenden zal; en als die tijd verloopen is, dan geschiede
Zijn heilige wil!"
De heraut verwijderde zich, om dit antwoord aan den Grootmeester over
te brengen.
"God verhoede!" zei Lucas Beaumanoir, "dat Jood of Heiden ons van
onrechtvaardigheid zou beschuldigen.--Tot de schaduwen inplaats van
westwaarts, oostwaarts vallen, willen wij wachten om te zien, of een
kampvechter voor die ongelukkige verschijnt!"
De heraut deelde het besluit des Grootmeesters aan Rebekka mede, die
het hoofd onderdanig boog, de armen kruiste, en naar den hemel ziende,
die hulp van boven scheen te verwachten, welke zij zich van de menschen
nauwelijks meer beloven durfde. Gedurende deze ijselijke stilte, trof
de stem van Bois-Guilbert haar oor;--het was slechts een gefluister,
en toch verschrikte het haar meer, dan de opeisching van den heraut.
"Rebekka," zei de Tempelier, "hoort gij mij?"
"Ik heb niets met u te doen, wreed, hardvochtig man!" antwoordde het
ongelukkig meisje.
"Maar verstaat gij mijn woorden wel?" vroeg de Tempelier; "want de
klank mijner stem is verschrikkelijk in mijn eigene ooren. Ik weet te
nauwernood op wat grond wij staan, of waarom men ons hierheen gebracht
heeft.--Dit strijdperk,--deze stoel,--deze takkenbossen,--ik weet de
beteekenis van dit alles, en echter komt het mij als iets onwezenlijks
voor, als een verschrikkelijke nachtelijke verschijning, welke mijn
geest met afgrijselijke beelden vervult, zonder mijn verstand te
overtuigen."
"Mijn verstand en mijn zinnen erkennen den wezenlijken tijd en de
plaats," antwoordde Rebekka, "en zeggen mij duidelijk, dat deze
takkenbossen bestemd zijn om mijn lichaam te verteren, en mij een
smartelijken, maar korten weg naar een betere wereld te openen."
"Droomen, Rebekka, droomen!" hernam de Tempelier. "IJdele
verbeeldingen, welke de wijsheid van uwe eigene Sadduceërs verworpen
heeft. Hoor mij, Rebekka," vervolgde hij met vuur; "gij hebt eene
betere kans op leven en vrijheid, dan gindsche schurken en die
domkop zich verbeelden. Stijg achter op mijn paard,--op Zamor, het
dappere ros, dat zijn ruiter nooit teleurstelde. Ik heb het in een
tweegevecht met den Sultan van Trebizonde gewonnen.--Stijg achter mij
op, zeg ik; in een klein uur zijn wij aan alle vervolging en nasporing
ontkomen:--een nieuwe wereld van genot opent zich voor u,--en voor
mij een nieuwe loopbaan van roem. Laat hen het vonnis uitspreken,
dat ik veracht, en den naam van Bois-Guilbert van de lijst hunner
kloosterslaven uitschrappen! Ik zal iedere vlek, waarmede zij mijn
wapen bespatten, met bloed afwasschen!"
"Verzoeker!" hervatte Rebekka, "Wijk van mij!--Zelfs in dezen uitersten
nood kunt gij mij geen haarbreed doen wijken.--Door vijanden omringd,
zooals ik nu ben, houd ik u voor den ergsten en doodelijksten van
allen; wijk van mij in den naam van God!"
Albert Malvoisin, die ongeduldig en onrustig werd over de langdurigheid
van haar gesprek, naderde thans om het af te breken.
"Heeft het meisje hare schuld bekend?" vroeg hij Bois-Guilbert;
"of blijft ze bij haar ontkenning volharden?"
"Zij _volhardt_ inderdaad!" antwoordde Bois-Guilbert.
"Dan moet gij uwe plaats weder innemen om den uitslag af te wachten,
edele broeder," zei Malvoisin;--"de schaduw rukt verder op den
zonnewijzer;--kom, dappere Bois-Guilbert,--kom, gij steun van onze
heilige Orde, gij die weldra ons opperhoofd zult zijn!" Terwijl hij
dit op vleienden toon zeide, legde hij de hand op den teugel van den
ridder, alsof hij hem naar zijne plaats terug leiden wilde.
"Valsche schurk! wat beteekent die hand op mijn teugel?" riep
Bois-Guilbert op toornigen toon. En, de hand van zijn makker
terugstootende, reed hij naar het bovenste einde van het strijdperk
terug.
"Er zit nog moed in hem," zei Malvoisin ter zijde tegen Mont-Fitchet,
"zoo het maar goed geleid wordt;--maar, evenals het Grieksche vuur,
verbrandt het alles, wat in de nabijheid komt."
De rechters hadden nu twee uren in het strijdperk getoefd, te vergeefs
op de aankomst van een kampvechter wachtende.
"Ik begrijp de reden zeer goed," zei broeder Tuck; "het is, omdat ze
eene Jodin is,--en evenwel, bij mijn orde, het is hard, dat een zoo
jong en bekoorlijk schepsel sterven moet, zonder dat er één slag tot
hare verdediging gedaan wordt. Al ware ze tienmaal eene heks, als
ze maar een droppeltje Christenbloed in de aderen had, dan zou mijn
knots op den stalen helm van gindschen trotschen Tempelier dansen,
eer hij er zoo gemakkelijk afkwam!"
Het was echter het algemeen geloof, dat niemand voor eene Jodin
die van tooverij beschuldigd werd, kon of wilde verschijnen, en de
ridders, aangezet door Malvoisin, fluisterden elkander toe, dat het
tijd werd Rebekka's pand voor verbeurd te verklaren. Op dit oogenblik
verscheen er een ridder, die zijn paard tot haast aanspoorde, op de
vlakte, die tot het strijdperk leidde. Honderd stemmen riepen: "Een
kampvechter! een kampvechter!" en in weerwil van de vooringenomenheid
en vooroordeelen van de menigte, juichten allen luid, toen de ridder
op de toernooiplaats reed. De tweede blik echter diende om de hoop,
die zijne aankomst, zoo juist op het rechte tijdstip, verwekt had,
te vernietigen. Zijn paard, dat verscheidene mijlen met den uitersten
spoed geloopen had, scheen van vermoeidheid te struikelen, en de
ruiter, hoe onverschrokken hij zich in het strijdperk vertoonde,
scheen door zwakheid, of vermoeienis, of door beide, nauwelijks in
staat, om zich in den zadel te houden.
Op de opeisching van den heraut, die naar zijn rang, zijn naam en
zijn voornemen vroeg, antwoordde de vreemde ridder vlug weg en stout:
"Ik ben een goed en edelgeboren ridder; en kom hier, om met lans
en zwaard de rechtvaardige en goede zaak van dit meisje, Rebekka,
de dochter van Izaäk van York, staande te houden; om het tegen
haar uitgesproken vonnis voor onrechtvaardig en waarheidschendend
te verklaren, en om den ridder Brian De Bois-Guilbert uit te dagen
als een verrader, moordenaar en leugenaar; wat ik in dit veld met
mijn lichaam tegen het zijne staande wil houden, met behulp van God,
onze Heilige Maagd, en van St. George, den heiligen ridder!"
"De vreemdeling moet eerst bewijzen," zei Malvoisin, "dat hij een edele
ridder en van eervolle afkomst is. De Tempel zendt zijne kampioenen
niet tegen naamlooze mannen af."
"Mijn naam," antwoordde de ridder, zijn helm afnemende, "is bekender
en mijn stam edeler dan de uwe, Malvoisin. Ik ben Wilfrid van Ivanhoe."
"Ik wil niet met u vechten," zei de Tempelier, met een veranderde,
holle stem. "Laat uwe wonden heelen, verschaf u een beter paard, en
dan zal ik het misschien niet beneden mij keuren om uwe kinderachtige
snoeverij te tuchtigen!"
"Ha! trotsche Tempelier," hervatte Ivanhoe, "hebt gij vergeten, dat
gij tweemaal voor deze lans bezweken zijt? Denk aan het strijdperk
van Accre,--denk aan het toernooi van Ashby,--denk aan uw trotsche
snoeverij in de zalen van Rotherwood, en aan het pand van uw gouden
keten tegen mijn reliquie, dat gij met Wilfrid van Ivanhoe strijden
en uw verloren eer herwinnen wildet! Bij dit kistje en de heilige
reliquie, die het bevat, zal ik u, Tempelier, aan ieder hof van Europa,
in iedere Preceptorij van uw Orde, voor een lafaard verklaren, zoo
gij niet zonder verder uitstel met mij strijdt!"
Bois-Guilbert wendde zijn hoofd besluiteloos naar Rebekka, en riep
toen, met een woesten blik op Ivanhoe: "Hond van een Sakser, neem uw
lans, en wees voorbereid op den dood, welken gij u berokkend hebt!"
"Vergunt de Grootmeester mij het gevecht?" vroeg Ivanhoe.
"Ik mag niet weigeren, wat gij gevorderd hebt," antwoordde de
Grootmeester, "mits het meisje u tot haar kampvechter aanneemt. Echter
wenschte ik, dat gij u in een beteren toestand bevondt om te kunnen
vechten. Gij zijt altijd een vijand van onze Orde geweest; maar ik
wilde toch gaarne, dat gij eervol streedt."
"Zoo als ik ben, en niet anders," hernam Ivanhoe; "het is een
Godsgericht;--in Zijn hoede beveel ik mij aan!--Rebekka," zei hij,
naar den noodlottigen stoel rijdende, "neemt gij mij tot uw kampvechter
aan?"
"Dat doe ik, dat doe ik!" antwoordde zij, met eene aandoening, welke
zelfs de vrees voor den dood niet bij haar had kunnen opwekken;
"ik neem u als den kampvechter aan, welken de hemel mij gezonden
heeft. Maar neen, neen,--uwe wonden zijn nog niet genezen!--Vecht
niet met dezen woesten man,--waarom zoudt gij op deze wijze omkomen?"
Maar Ivanhoe was reeds op zijn post, en had zijn vizier gesloten
en zijn lans opgenomen. Bois-Guilbert deed hetzelfde, en zijn
schildknaap bemerkte, toen hij zijn vizier sloot, dat zijn gelaat,
dat niettegenstaande de verschillende aandoeningen, door welke hij
geschokt werd, den geheelen morgen doodsbleek geweest was, nu eensklaps
vuurrood geworden was.
De heraut, beide kampvechters op hun plaats ziende, verhief zijn stem
en herhaalde drie malen; "_Faites vos devoirs, preux chevaliers!_"
Na den derden uitroep begaf hij zich naar de andere zijde van het
strijdperk en maakte opnieuw bekend, dat niemand, op straf van een
oogenblikkelijken dood, door woorden, geschreeuw of daden dezen edelen
strijd mocht verhinderen of storen. De Grootmeester, die het pand voor
den strijd, Rebekka's handschoen, in de hand hield, wierp dien thans in
het strijdperk, en sprak de noodlottige woorden uit: "_Laissez aller!_"
De trompetten klonken en de ridders renden in volle vaart tegen
elkander. Het vermoeide paard van Ivanhoe en zijn niet minder afgematte
ruiter vielen, zooals allen verwacht hadden, voor de welgerichte
lans en het sterke paard van den Tempelier ter neêr. Dezen uitslag
van het gevecht hadden allen voorzien; maar ofschoon Ivanhoe's speer
als het ware maar even het schild van Bois-Guilbert aangeraakt had,
wankelde deze, tot verbazing van alle aanschouwers, in den zadel,
verloor de stijgbeugels, en rolde in het strijdperk.
Ivanhoe, zich van zijn gevallen paard losmakende, sprong ijlings
op, om zijn geleden nadeel door het zwaard weder te vergoeden; maar
zijn vijand bleef liggen. Wilfrid zette zijn voet op zijn keel, hem
bevelende zich over te geven, zoo hij niet dadelijk des doods wilde
zijn. Bois-Guilbert gaf geen antwoord.
"Dood hem niet, heer ridder!" riep de Grootmeester; "dood hem niet,
zonder biecht en aflaat;--dood niet lichaam en ziel tegelijk. Wij
erkennen hem voor overwonnen!"
Hij trad in het strijdperk, en beval dat men den overwonnen kampioen
den helm afnemen zou. Diens oogen waren gesloten;--de donkerroode
gloed lag nog op zijn gelaat. Toen men verbaasd op hem zag, openden
zich zijn oogen;--maar ze waren verglaasd en zonder uitdrukking. Het
rood verdween van zijn aangezicht en maakte plaats voor een doodsche
bleekheid. Ongekwetst door de lans van zijn vijand, was hij gevallen
als een slachtoffer van het geweld zijner eigene woeste driften.
"Dit is inderdaad een Godsgericht!" zei de Grootmeester, naar boven
ziende:--"_Fiat voluntas tua!_"