Mijn Tybalt, mijn Tybalt, och, wek mij nog niet,
Terwijl mij de slaap zoete droombeelden biedt;
Want wat wij genieten al wakende, is bij
Die toovergestalten van luttel waardij.
Laat zingen de vooglen als d' ochtend zich meldt,
Laat klinken den horen der jagers in 't veld,
Veel lieflijker tonen verblijden mij nu,--
Maar denk niet, mijn Tybalt, ik droomde van u!
"Een aardig lied," zei Wamba, toen zij gedaan hadden; "en, bij mijn
zotskap, er zit een goede les in!--Ik was gewoon het te zingen met
Gurth, eertijds mijn speelmakker, en nu door God en zijns meesters
genade een vrij man, en wij kregen eens stokslagen, omdat wij zoo
betooverd waren door de melodie, dat wij twee uren na zonsopgang nog
te bed lagen, en het liedje tusschen slapen en waken zongen;--de rug
doet mij sedert dien tijd steeds zeer, als ik eraan denk! En toch heb
ik de rol van Anna Maria vervuld, om u genoegen te geven, edele heer!"
Hierop hief de nar een ander gezang aan, een soort van kluchtig liedje,
waarop de ridder, de wijs vattende, antwoordde: