O meisje, koud en onverbid'lijk!
Mijn' ziel is even trotsch als de uwe!
Seward.
De avond schemerde op denzelfden dag, waarop Rebekka's proces,
als men het zoo noemen kan, had plaats gehad, toen er zachtjes aan
de deur van hare gevangenis getikt werd. Dit stoorde de bewoonster
niet, die juist bezig was met het avondgebed te verrichten, dat haar
godsdienst voorschreef, en dat met een lofzang eindigde, welken wij
gewaagd hebben aldus te vertalen:
Toen 't uitverkoren volk weleer
Egypte's slavernij ontkwam,
Verscheen der vaadren God, de Heer,
Aan Israël in rook en vlam.
Des daags, geleidde een wolkkolom
Hen door Arabiëns zandwoestijn;
Terwijl, des nachts, een vuurzuil glom,
Om hun een trouwe gids te zijn.
De blijde koorzang werd gehoord,
En Sions dochtren stemden 't lied,
Bij cymbaalspel en harp-accoord,
Te zaam met krijgsheld en Leviet.
Helaas! geen wonderwerken meer
Beschermen Abrahams geslacht;
't Viel van Uw wegen af, o Heer!
En 't werd verlaten door Uw macht.
Maar schoon onzichtbaar voor Uw volk,
Verschijne aan ons verheugd gemoed
In voorspoed, nog gelijk een wolk,
Die voor bedrieglijk licht ons hoedt;
En als op 't rampvol Isrel weer
Een nacht, door storm verduisterd, daalt,
Zij ons altijd barmhartig, Heer!
Een vuurzuil, die ons pad bestraalt.
Wij lieten binnen Babels stad
De harpen, 's vijands schimp en spot.
Geen hand ontsteekt het wierookvat,
Bazuin noch citer looft u, God!
Maar Gij beloofdet Juda's stam
Dat U, het hart in boete en rouw,
Nog meer, dan 't bloed van geit of ram
Een welkom offer wezen zou.
Toen de klanken van Rebekka's godsdienstig gezang weggestorven waren,
werd het zachte getik aan de deur hervat. "Treed binnen," zei ze,
"als gij een vriend zijt, en indien gij een vijand zijt, heb ik de
macht niet, om u het binnenkomen te beletten."
"Ik ben," zei Brian De Bois-Guilbert, in het vertrek tredende,
"vriend of vijand, Rebekka, volgens den afloop van dit gesprek."
Verschrikt op het gezicht van dezen man, wiens losbandige drift zij
als de bron van al hare rampen beschouwde, trad Rebekka achteruit, op
een wel voorzichtige en bedeesde, maar geenszins vreesachtige wijze,
tot in den uitersten hoek van de kamer, alsof zij besloten had zich
zoo ver mogelijk terug te trekken, maar wederstand te bieden als de
terugtocht niet meer doenlijk was. Zij nam dus een niet trotseerende,
maar moedige houding aan, alsof ze geen aanval wilde uitdagen, en
zich toch tot het uiterste toe verdedigen zou.
"Gij hebt geen reden om mij te vreezen, Rebekka," zei de Tempelier,
"of, om mij beter uit te drukken, gij hebt ten minste _nu_ niets van
mij te vreezen."
"Ik vrees u niet, heer ridder," hernam Rebekka, ofschoon hare angstige
ademhaling den heldenmoed harer woorden scheen te logenstraffen:
"Mijn vertrouwen is groot, en ik vrees u niet."
"Gij hebt er ook geene reden toe," antwoordde Bois-Guilbert ernstig;
"mijn vorige dolzinnige aanslagen hebt gij nu niet te vreezen. Er
staat in de nabijheid een wacht, die gij roepen kunt, en over welke
ik geen gezag heb. Ze is bestemd om u ter dood te geleiden, Rebekka;
maar ze zou u door niemand, zelfs niet door mij laten beleedigen,
zoo mijn razernij,--want razernij is het,--mij zoo ver dreef."
"God zij geloofd!" zei de Jodin; "de dood is het geringste, wat ik
in dit hol des Satans te vreezen heb."
"Ja," hernam de Tempelier, "het denkbeeld des doods heeft niets
verschrikkelijks voor een onbevreesd gemoed, als de weg daartoe open
en kort is. Een steek met eene lans, een houw met een zwaard, ware
voor mij eene kleinigheid.--Voor u heeft eene sprong van een hoogen
toren, een steek met een scherpen dolk niets ijselijks, vergeleken met
hetgeen wij voor schande houden. Let wel op.--_Ik_ zeg dit;--misschien
zijn mijne eigene gevoelens van eer niet minder dweepziek, Rebekka,
dan de uwe; maar wij weten beiden er voor te sterven."
"Ongelukkige!" riep de Jodin uit; "en zijt gij veroordeeld om uw leven
bloot te stellen voor grondbeginselen, wier deugdelijkheid door uw
gezond verstand niet erkend wordt? Zeker, dit heet uwe schatten voor
iets weggeven, dat niets waard is;--maar denk dat niet van mij. Uw
besluit moge heen en weer dobberen op de woeste, ongestadige baren
der menschelijke meening, het mijne ankert vast op de rots der eeuwen."
"Stil, meisje," antwoordde de Tempelier; "zulke gesprekken baten thans
weinig;--gij zijt veroordeeld om te sterven, niet door een snellen en
gemakkelijken dood, zooals de ellende en wanhoop verkiezen zouden, maar
door een langzame, ijselijke, lang gerekte pijniging, die toekomt aan
wat de duivelsche bijgeloovigheid dezer menschen uwe misdaad noemt."
"En aan wien, zoo dit mijn lot is, aan wien heb ik het te danken?" zei
Rebekka. "Zeker, alleen aan hem, die tot zijn eigen schandelijke
oogmerken mij hierheen sleepte, en nu nog, om eenige mij onbekende
beweegredenen, het ellendige lot, waaraan hij mij blootgaf, nog
ellendiger tracht te maken."
"Denk niet," hernam de Tempelier, "dat _ik_ u zoo blootgesteld heb;
ik zou u met mijn eigen boezem tegen zulk een gevaar beschermd hebben,
even zeker als ik mij prijs gaf aan de pijlen, die anders uw hart
zouden doorboord hebben."
"Ware het uw voornemen geweest de onschuld eerlijk te beschermen,"
hervatte Rebekka, "dan zou ik u voor uwe bezorgdheid bedankt
hebben. Maar zooals het nu is, hebt gij u zoo dikwijls op dezen dienst
reeds beroemd, dat ik zeggen moet, dat het leven mij niets waard is,
als het tegen den prijs, welken gij daarvoor vordert, behouden moet
worden."
"Stil met uw verwijten, Rebekka," zei de Tempelier; "ik heb mijn eigene
reden tot droefheid, en het is onnoodig, door uwe beschuldigingen ze
te vermeerderen."
"Wat is dan uw voornemen, heer ridder?" zei de Jodin. "Zeg het
kortaf.--Indien gij hier iets anders te doen hebt dan de ellende,
die gij mij berokkend hebt, te aanschouwen, doe het mij dan weten,
en laat mij verder, ik bid u, aan mij zelve over;--de schrede van
den tijd in de eeuwigheid is kort, maar verschrikkelijk, en ik heb
slechts weinige oogenblikken, om mij daarop voor te bereiden."
"Ik zie, Rebekka," hernam Bois-Guilbert, "dat gij steeds voortgaat,
om mij uwe rampen te last te leggen, die ik zoo gaarne zou hebben
willen voorkomen."
"Heer ridder," hervatte Rebekka; "ik wilde gaarne geene verwijtingen
doen;--maar wat is zekerder, dan dat ik mijn dood aan uwe toomelooze
drift te wijten heb?"
"Gij dwaalt!--gij dwaalt,"--antwoordde de Tempelier driftig, "zoo gij
aan mijne bedoeling of aan mijne schuld toeschrijft, wat ik voorzien,
noch voorkomen kon. Kon ik de onverwachte aankomst van dien ouden
dwaas voorzien, dien eenige vonken van roekelooze dapperheid en
de lof toegekend aan de domme zelfkwellingen van een kloosterling,
voor het oogenblik boven zijne eigene verdiensten, boven het gezond
verstand, boven mij, en boven honderden van onze Orde, verheven
hebben, die denken en gevoelen als mannen, vrij van zulke zotte en
dweepzieke vooroordeelen, die tot grondslag van zijne gevoelens en
daden strekken?"
"En toch," zei Rebekka, "zat gij als rechter over mij; en terwijl gij
wist, dat ik onschuldig,--geheel onschuldig was,--hebt gij aan mijne
veroordeeling deel genomen, en, zoo ik het goed verstaan heb, moet
gij zelf in het strijdperk verschijnen, om mijne straf te verzekeren!"
"Geduld, meisje!" hernam de Tempelier. "Geen volk weet beter dan het
uwe zich naar de omstandigheden te schikken, en het schuitje zoo
te sturen, dat zij zelfs uit een ongunstigen wind voordeel kunnen
trekken."
"Beklagenswaardig is het uur," hervatte Rebekka, "dat het volk Israëls
zulke kunsten geleerd heeft; maar de tegenspoed buigt het hart,
gelijk het vuur het harde staal doet buigen; en zij, die zichzelven
niet langer bestieren, noch burgers van een vrijen, onafhankelijken
staat zijn mogen, moeten voor vreemdelingen bukken. Dat is de vloek,
heer ridder, dien wij zonder twijfel door onze eigene overtredingen
en door die onzer vaderen verdiend hebben; maar gij,--gij, die op
uwe vrijheid, en op uw geboorterecht pocht, hoeveel grooter is uwe
schande, als gij u, tegen uwe eigene overtuiging, verlaagt, om de
vooroordeelen van anderen aan te kweeken!"
"Uw woorden zijn bitter, Rebekka," zei Bois-Guilbert, ongeduldig door
het vertrek stappende; "maar ik ben niet gekomen, om verwijtingen
aan te hooren.--Weet, dat Bois-Guilbert voor geen mensch ter wereld
wijkt, al noodzaken hem de omstandigheden een tijdlang zijn plan te
wijzigen. Zijn wil is de bergstroom, welken de rots wel een oogenblik
van richting kan doen veranderen, maar die toch zijn loop tot aan
den oceaan vervolgt. Dit briefje, dat u aanried, om een kampvechter
te vragen,--van wien kondet gij denken, dat het kwam, dan van
Bois-Guilbert? Bij wien anders kondet gij zulk eene belangstelling
verwekt hebben?"
"Dit is slechts een kort uitstel van een dreigenden dood," antwoordde
Rebekka, "dat mij weinig baten zal,--was dit alles, wat gij voor
een meisje doen kondet, op welks hoofd gij rampen opeengestapeld,
en dat gij zelf tot aan den rand van het graf gebracht hebt?"
"Neen, meisje," antwoordde Bois-Guilbert, "dit was niet alles wat ik
bedoelde. Zonder de vervloekte tusschenkomst van dien dweepzieken
domoor en gek van Goodalricke, die, ofschoon een Tempelier, veinst
volgens de regels der menschelijkheid te denken en te oordeelen,
was het een gewonen ridder der Orde en niet een Preceptor ten
deel gevallen, om te strijden. Dan zou ik zelf,--dit was mijn
voornemen,--op het geblaas der trompet als uw kampvechter in het
strijdperk verschenen zijn, vermomd als een dolende ridder, die met
lans en zwaard avonturen zoekt; en dan had Beaumanoir niet één, maar
twee of drie der hier vergaderde broeders kunnen uitkiezen, en ik
zou hen één voor één onfeilbaar uit den zadel gelicht hebben. Aldus,
Rebekka, zou uwe onschuld bewezen zijn, en ik zou de belooning mijner
zege aan u zelve overgelaten hebben."
"Dit, heer ridder," zei Rebekka, "is slechts ijdele snoeverij;--gij
pocht op wat gij gedaan zoudt hebben, indien gij niet goed gevonden
hadt anders te doen. Gij hebt mijnen handschoen opgenomen, en mijn
kampioen, indien een zoo rampzalig schepsel als ik er een vinden kan,
moet uwe lans in het strijdperk wederstaan--en nog wilt gij u als
vriend en beschermer voordoen?"
"Uw vriend en beschermer," hervatte de Tempelier ernstig, "wil ik nog
zijn;--maar luister op welk gevaar, of liever met welke zekerheid
van schande; en dan berisp mij niet, zoo ik mijne voorwaarde stel,
eer ik alles opoffer wat mij tot dusver in het leven dierbaar was,
om het leven eener Jodin te redden."
"Spreek," zei Rebekka, "ik versta u niet!"
"Welaan dan," hervatte Bois-Guilbert, "ik wil even vrij spreken,
als ooit een onnoozel biechteling tegen zijn geestelijken
vader.--Rebekka! wanneer ik niet in dit strijdperk verschijn, dan
verlies ik roem en rang;--verlies, wat de ziel van mijn leven is,
die achting, waarin ik bij mijne broeders sta, en de hoop, welke ik
heb, om eens dat groote gezag in handen te krijgen, hetwelk thans de
bijgeloovige, onnoozele Lucas De Beaumanoir bezit. Dit is mijn lot,
zoo ik niet verschijn, om tegen uwe zaak te strijden. Vervloekt zij
Goodalricke, die mij dezen strik gespannen heeft! en dubbel vervloekt
zij Albert de Malvoisin, die mij in mijn voornemen verhinderde, om
den handschoen in het gezicht van den bijgeloovigen ouden dwaas te
werpen, die eene zoo ongerijmde aanklacht tegen een zoo hooghartig
en bekoorlijk schepsel aanhoorde!"
"En wat baat thans uw razen of vleien?" antwoordde Rebekka. "Gij
hebt uwe keus gedaan tusschen den dood van eene onschuldige vrouw en
het verlies van uw aardschen rang en aardsche hoop;--wat baat het,
dit tegen elkander te wegen?--uwe keus is gedaan!"
"Neen, Rebekka," hervatte de ridder op zachteren toon en naderbij
komende; "mijne keus is niet gedaan;--neen! let wel,--de beslissing
staat aan u. Als ik in het strijdperk verschijn, dan moet ik mijn
wapenroem staande houden; en geschiedt dit, dan moet gij, er moge zich
een kampvechter voor u opdoen of niet, op den brandstapel sterven; want
er leeft geen ridder, die in den strijd mij overwinnen kan, of zelfs
gelijk met mij staat, behalve Richard Leeuwenhart en zijn gunsteling
Ivanhoe. Deze is, zooals ge weet, buiten staat, om zijne wapenrusting
te dragen, en Richard zucht in eene vreemde gevangenis. Als ik opkom,
dan sterft gij, al bewogen ook uwe bekoorlijkheden den een of anderen
heethoofdigen jongeling, om voor u te strijden."
"En waartoe dient het, dit zoo dikwijls te herhalen?" zei Rebekka.
"Opdat gij uw lot van alle kanten leert beschouwen," antwoordde
de Tempelier.
"Welaan dan," hervatte de Jodin, "keer het blad om; laat mij de andere
zijde zien."
"Als ik in het noodlottige strijdperk verschijn," zei Bois-Guilbert,
"dan sterft gij een langzamen en pijnlijken dood, in kwellingen,
die men zegt, dat hiernamaals voor de schuldigen bestemd zijn. Maar,
als ik niet verschijn, dan ben ik een onteerd en verstooten ridder,
beschuldigd van tooverij en gemeenschap met ongeloovigen;--de
doorluchtige naam, die door mij nog beroemder geworden is, wordt
een schimp- en schandnaam. Ik verlies roem en eer;--ik verlies het
vooruitzicht op een grootheid, welke nauwelijks keizers bereiken.--Ik
offer eene machtige eerzucht op; ik zie af van plannen, welke zoo hoog
opgebouwd waren als de bergen, met welke de heidenen zeggen, dat hun
hemel eens bijna beklommen werd,--en echter, Rebekka!" voegde hij er
bij, zich aan haar voeten werpende, "wil ik deze grootheid opofferen,
van dezen roem afstand doen, deze macht laten varen, zelfs nu ik ze
half in de hand houd, als gij zeggen wilt: Bois-Guilbert, ik neem u
tot mijn minnaar aan!"
"Denk aan zulke dwaasheid niet, heer ridder," antwoordde Rebekka; "maar
vlieg naar den Regent, naar de Koningin-moeder, naar Prins Jan;--ze
kunnen, om de eer der kroon, de handelwijze van uw Grootmeester niet
goedkeuren. Op deze wijze zult ge mij beschermen, zonder opoffering
van uw kant, en zonder een voorwendsel te hebben om eenige vergelding
van mij te vergen."
"Met dezen onderhandel ik niet," vervolgde hij, den slip van haar
gewaad vasthoudende;--"tot u alleen wend ik mij; en wat kan tegen
mijn voorstel opwegen? Bedenk, al ware ik een duivel, dan is de dood
nog vreeselijker, en het is de dood, die mijn medeminnaar is!"
"Ik geef niet om deze rampen," zei Rebekka, bevreesd om den woesten
ridder te vertoornen, en toch even vast besloten zijne liefde niet
te dulden, en niet eens te veinzen ze te dulden. "Wees man, wees
Christen! Indien uw geloof werkelijk die barmhartigheid voorschrijft,
welke meer in uwe woorden dan in uwe daden gevonden wordt, red mij
dan van dezen schrikkelijken dood, zonder eene belooning te zoeken,
die uwe grootmoedigheid tot een lagen ruilhandel zou vernederen."
"Neen, meisje," zei de trotsche Tempelier, opspringende; "zoo zult
ge mij niet misleiden. Zoo ik van mijn reeds verkregen roem en alle
toekomstige eer afzie, dan doe ik het om uwentwille, en wij zullen
te zamen vluchten. Luister naar mij, Rebekka!" zei hij, zijn toon
weder verzachtende: "Engeland, Europa is de wereld niet. Er zijn
nog landen, waar wij leven kunnen, die groot genoeg zijn zelfs voor
mijne eerzucht. Wij zullen naar Palestina gaan, waar Conrad, Markies
van Montserrat, mijn vriend is,--een vriend, even vrij als ik, van
die domme vooroordeelen, welke onze vrijgeborene rede kluisteren;
liever willen wij ons zelfs met Saladijn verbinden, dan den hoon van
die schijnheiligen verdragen, die wij verachten.--Ik zal nieuwe paden
voor mijne eerzucht banen," ging hij voort, de kamer met driftige
schreden op en neer gaande.--"Europa zal de luide stem hooren van hem,
die het uit het getal zijner zonen verstooten heeft!--De millioenen,
welke het als kruisvaarders ter slachting zendt, kunnen niet zooveel
ter verdediging van Palestina doen;--de zwaarden van de duizenden en
tienduizenden Saracenen kunnen niet dieper in dat land inhouwen, welks
bezit de volken elkaar betwisten, dan de kracht en de staatslisten
van mij en die broeders, welke, in weerwil van gindschen ouden dwaas,
mij in goed en kwaad getrouw zullen zijn. Gij zult Koningin worden,
Rebekka!--Op den berg Karmel zullen wij den troon oprichten, dien
mijne dapperheid voor u veroveren zal, en ik zal den lang gewenschten
grootmeesterlijken staf tegen een schepter verruilen!"
"Een droom," zei Rebekka, "een ijdele droom, welke, al kon die ook
verwezenlijkt worden, mij niet bekoort;--nooit zou ik deel willen
hebben in de macht, welke ge zoudt kunnen verkrijgen! Ook denk ik niet
zoo lichtvaardig over vaderland en godsdienstig geloof, dat ik hem zou
kunnen achten, die deze banden wil verscheuren, en de wetten van een
Orde schenden, van welke hij een gezworen medelid is, om een toomelooze
drift voor de dochter van een vreemd volk te voldoen.--Bepaal geen
prijs voor mijne bevrijding, heer ridder!--verkoop een edelmoedige
daad niet!--bescherm de onderdrukte, uit menschenliefde, en niet om
eigen voordeel!--Ga naar den Koning van Engeland; Richard zal mij
uit de handen van deze wreede mannen redden!"
"Nooit, Rebekka!" riep de Tempelier trotsch. "Zoo ik mijne
Orde verlaat, dan doe ik het alleen om u.--Ik wil de eerzucht
behouden, zoo gij mijne liefde versmaadt; ik wil niet van alle kanten
teleurgesteld worden!--Mijn hoofd voor Richard buigen?--een gunst van
dien hoogmoedige vragen?--Nooit, Rebekka, wil ik de Orde des Tempels
in mijn persoon aan zijn voeten leggen;--de Orde vaarwel zeggen,
dat kan ik; maar nooit wil ik ze onteeren of verraden!"
"Nu, dan zij God mij genadig!" zuchtte Rebekka; "want op hulp van
menschen kan ik bijna niet meer hopen!"
"Dat is zoo," hernam de Tempelier; "want hoe trotsch gij ook zijn
moogt, zoo hebt gij in mij uws gelijke gevonden. Zoo ik met de lans in
het strijdperk treed, dan geloof ik niet, dat eenig menschelijk wezen
mij zal beletten mijne kracht te toonen; en denk dan aan uw eigen
lot,--den dood der ergste boosdoeners te sterven,--op een vlammenden
brandstapel te vergaan,--terwijl uw asch in die elementen verstrooid
wordt, waaruit onze lichamen zoo geheimzinnig samengesteld zijn;--en
er niet het minste overblijft van die aanvallige gestalte, om ons te
zeggen: zij leefde en bewoog zich onder ons!--Rebekka, geene vrouw
kan dit vooruitzicht verdragen,--gij moet mijne eischen inwilligen!"
"Bois-Guilbert," antwoordde de Jodin, "gij kent het vrouwelijk hart
niet, of gij kent slechts zulke vrouwen, die haar edelste gevoelens
verloren hebben. Ik zeg u, trotsche Tempelier, dat gij, die zoo op
uwe dapperheid pocht, in de heetste gevechten niet meer moed hebt ten
toon gespreid, dan eene vrouw kan toonen, wanneer zij door liefde of
plicht geroepen wordt om te lijden. Ik ben zelve eene vrouw, teeder
opgevoed, van natuur bevreesd voor gevaar, en gevoelig voor smart;--en
toch ben ik ten volle overtuigd, dat, wanneer wij in het noodlottige
strijdperk treden, gij om te vechten en ik om te sterven, mijn moed
grooter zal zijn dan de uwe. Vaarwel!--ik verspil geene woorden meer
aan u; de tijd, welke aan de dochter van Jacob op aarde nog overblijft,
moet anders besteed worden:--zij moet den Trooster zoeken, die Zijn
aangezicht voor Zijn volk kon verbergen, maar die altijd Zijn oor
opent voor de stem van hen, die Hem in oprechtheid en waarheid zoeken!"
"Wij scheiden dus op deze wijze!" zei de Tempelier na eene korte
stilte; "gave de Hemel, dat wij elkander nooit ontmoet hadden,
of dat gij van eene edele geboorte en van het Christelijk geloof
geweest waart!--Neen,--bij den Hemel! als ik u aanzie en bedenk,
wanneer en hoe wij elkander den eersten keer weêr zullen ontmoeten,
dan zou ik zelfs kunnen wenschen, dat ik een lid van uw veracht volk
ware, dat mijne hand slechts met geldzakken en _sjekels_ in plaats van
lans en schild wist om te gaan, dat ik het hoofd voor iederen kleinen
edele moest buigen, en dat mijn blik alleen schrikkelijk ware voor
den sidderenden armen schuldenaar;--dit zou ik haast kunnen wenschen,
Rebekka, om in het leven bij u te blijven, en om het vreeselijk deel
te ontgaan, dat ik aan uwen dood hebben moet!"
"Gij hebt den Jood geschilderd," antwoordde Rebekka, "zooals de
vervolging van mannen, als gij zelf, hem gemaakt heeft. De Hemel
heeft hem in zijn toorn uit zijn land verjaagd: maar de nijverheid
heeft den eenigen weg tot macht en invloed, welke de onderdrukking
ongesloten liet, voor hem geopend. Lees de oude geschiedenis van Gods
volk, en zeg mij, of zij, door wie Jehova zulke wonderen op aarde
verricht heeft, toen een volk van vrekken en woekeraars waren!--En
weet, trotsche ridder, dat wij namen onder ons tellen, tegen welke
uw geroemde Noordsche adel is als de kalebas tegen den ceder, namen,
welke tot in die tijden opklimmen, toen God Zijn troon had gevestigd
in het heiligdom tusschen de vleugelen der Cherubijnen, namen, welke
hun glans van geen aardschen Vorst ontleenen, maar van die verhevene
stem, welke hun vaders met goddelijke verschijningen vereerde.--Dit
waren de Vorsten van Jacobs huis!"
Een hooger rood kleurde Rebekka's wangen, terwijl zij van den
alouden roem van haar geslacht gewaagde; maar het verdween, toen zij
er zuchtende bijvoegde: "Zoo waren de Vorsten van Juda, maar zij zijn
niet meer!--Zij zijn onder den voet getreden, gelijk het gemaaide gras,
en vermengd met het slijk des wegs. Maar er zijn er nog onder hen,
die hunne doorluchtige voorvaders niet onteeren, en tot dezen zal
de dochter van Izaäk, den zoon van Adonikam, behooren! Vaarwel!--Ik
benijd u uwe bloedige eer niet!--Ik benijd u uwe afkomst van Noordsche
Heidenen niet!--Ik benijd u uw geloof niet, dat gij altijd in den mond,
maar nooit in uw hart en in uwe daden hebt!"
"Bij den Hemel! eene tooverkracht houdt mij nog terug!" riep
Bois-Guilbert. "Bijna geloof ik, dat die onzinnige grijsaard gelijk
heeft, dat de weêrzin, met welken ik u verlaat iets bovennatuurlijks
is.--Bekoorlijk wezen!" vervolgde hij, haar naderende, maar met grooten
eerbied:--"Zoo jong, zoo schoon, zoo onbevreesd voor den dood! en toch
veroordeeld om te sterven,--en dat wel een schandelijken en pijnlijken
dood! Wie zou niet om u weenen?--Tranen, sedert twintig jaren vreemd
aan deze oogen, bevochtigen mijn wangen, als ik u aanzie! Maar het
moet zoo zijn;--niets kan thans uw leven redden. Gij en ik zijn
slechts de blinde werktuigen van het onweêrstaanbaar noodlot, dat
ons voortdrijft, gelijk twee schoone schepen, die de storm voor zich
heenjaagt, en tegen elkander doet stooten en verbrijzelt. Vergeef
mij dus, en laat ons ten minste als vrienden scheiden. Ik heb u te
vergeefs van besluit willen doen veranderen, en het mijne is even vast,
als de onverbreekbare vonnissen van het noodlot."
"Zoo leggen de menschen de gevolgen hunner woeste driften aan het
noodlot te last!" zei Rebekka. "Maar ik vergeef u, Bois-Guilbert,
schoon gij de oorzaak van mijn ontijdigen dood zijt. Edele gedachten
komen in uw krachtigen geest op; maar die gelijkt op den tuin des
luiaards, waar het onkruid te welig opgroeit en de schoone, heilzame
bloem verdrukt!"
"Ja," hervatte de Tempelier, "ik ben, zooals gij mij afgeschilderd
hebt, ontembaar, woest en trotsch;--daardoor heb ik onder een hoop van
ijdele gekken en listige dweepers de kracht van mijn geest bewaard,
welke mij boven hen verheft. Ik ben van mijne jeugd af een kind des
oorlogs geweest, grootsch in mijn plannen, hardnekkig en onbuigzaam
en onwrikbaar; en dit zal ik der wereld bewijzen.--Maar gij vergeeft
mij, Rebekka?"
"Even gaarne, als ooit een slachtoffer zijn beul vergaf!"
"Vaarwel!" zei de Tempelier en verliet het vertrek.
De Preceptor Albert wachtte ongeduldig in de naaste kamer op de
terugkomst van Bois-Guilbert.
"Gij hebt lang getoefd," zei hij; "ik stond als op gloeiende kolen van
ongeduld. Als de Grootmeester, of zijn spion Koenraad hierheen gekomen
waren? Ik zou mijne gedienstigheid duur hebben moeten betalen.--Maar
wat scheelt u, broeder?--Uw knieën wankelen, uw blik is somber als
de nacht! Zijt gij niet wel, Bois-Guilbert?"
"Ja," antwoordde de Tempelier, "ik ben wel; zoo wel als de ellendeling,
die gedoemd is, om binnen een uur te sterven. Neen, bij het heilige
kruis, niet half zoo wel;--want er zijn er in dien toestand, die
het leven als een versleten kleed kunnen afleggen. Bij den Hemel,
Malvoisin, dat meisje heeft mij bijna overwonnen! Ik heb half
besloten, om naar den Grootmeester te gaan, de Orde te verlaten,
en te weigeren de wreedheid uit te voeren, welke zijne dwingelandij
mij opgelegd heeft!"
"Gij zijt razend," antwoordde Malvoisin; "gij zult u zelven daardoor
geheel rampzalig maken, zonder de minste kans te hebben om het leven
dezer Jodin, die u zoo dierbaar schijnt, te redden. Beaumanoir zal
een anderen ridder van de Orde benoemen, om zijn vonnis in uwe plaats
te handhaven, en de beschuldigde zal even zeker sterven, als wanneer
gij uw plicht gedaan hadt."
"Dat is onwaar!--Ik zal zelf de wapens voor haar opnemen," hernam
de Tempelier, op trotschen toon; "en als ik dat doe, Malvoisin, dan
geloof ik, dat gij geen één onder de Orde kent, die tegen mijne lans
in den zadel zal blijven!"
"Ja, maar gij vergeet, dat gij tijd, noch gelegenheid zult hebben, om
dit dolle voornemen ten uitvoer te brengen. Ga naar Lucas Beaumanoir,
en zeg hem uwe gelofte van gehoorzaamheid op, en gij zult zien, hoe
lang de heerschzuchtige grijsaard u in vrijheid zal laten. Nauwelijks
zullen de woorden uit uw mond zijn, of gij zult honderd voet onder
den grond zitten, in den kelder der Preceptorij, om uw vonnis als een
afvallige af te wachten; of, indien hij bij zijne gedachte over uwe
betoovering volhardt, dan zal hij u stroo, duisternis en ketens geven
in de eene of andere afgelegene kloostercel, en u daar laten kwellen
met banmiddelen en besproeien met wijwater, om den boozen geest, die
in u gevaren is, uit te drijven. Gij moet in het strijdperk, Brian,
of gij zijt een verloren en onteerd man!"
"Ik zal er uitbreken en vluchten," zei Bois-Guilbert.--"Vluchten
naar het een of ander ver afgelegen land, waarheen zich dwaasheid en
dweepzucht nog geen weg gebaand hebben. Geen droppel van het bloed
van dit voortreffelijk schepsel zal door mijn toedoen vergoten worden!"
"Gij kunt niet vluchten," zei de Preceptor; "uwe razernij heeft
achterdocht verwekt, en men zal u niet vergunnen, de Preceptorij te
verlaten. Beproef het;--vertoon u aan de poort; beveel, dat men de brug
neêrlate, en let op, welk antwoord gij krijgen zult.--Gij zijt verbaasd
en beleedigd; maar is dit niet het beste voor u? Zoo gij vlucht, wat
zal er het gevolg van zijn, dan het onteeren van uw wapen, de schande
van uw geslacht, de ontzetting van uw rang?--Bedenk dit! Waar zullen
de oude wapenbroeders hun hoofden van schaamte bergen, als Brian De
Bois-Guilbert, de beste lans van de Tempeliers, onder het geschreeuw
van het vergaderde volk voor een afvallige verklaard wordt? Wat zal
dat een verdriet zijn voor het Fransche Hof! Met welke blijdschap
zal de trotsche Richard de tijding hooren, dat de ridder, die hem
in Palestina in het nauw bracht, en zijn roem bijna verduisterde,
zijn eigen naam en eer om een Joodsch meisje opgeofferd heeft, dat
hij niet eens tegen zulk een hoogen prijs redden kon!"
"Malvoisin," zei de ridder, "ik dank u;--gij hebt de snaar aangeraakt,
welke mijn hart het meest doet trillen!--Wat er ook van kome, afvallig
zal Bois-Guilbert nooit genoemd worden. Gave God, dat Richard,
of een van zijn geroemde Engelsche gunstelingen, in dit strijdperk
verscheen! Maar het zal ledig blijven;--niemand zal het wagen eene
lans voor de verlorene te breken!"
"Des te beter, als het zoo uitkomt," hernam de Preceptor; "als er
geen kampvechter verschijnt, dan is het niet door uw toedoen, dat
dit ongelukkig meisje sterven zal, maar door de veroordeeling van
den Grootmeester, die alle schuld heeft, en welke deze schuld zich
tot lof en eer zal rekenen!"
"Dat is waar," hervatte Bois-Guilbert; "als er geen kampioen
verschijnt, dan ben ik maar een deel van den optocht; ik zit te paard
in het strijdperk, maar ik heb geen deel aan hetgeen er op volgen zal."
"Geen het minste," zei Malvoisin; "niet meer dan het gewapende beeld
van St. George, als het een deel van den optocht uitmaakt!"
"Welaan, ik wil weder moed scheppen. Zij heeft mij veracht, verstooten,
vernederd! En waarom zou ik alles opofferen, wat mij achting bij
anderen verschaft? Malvoisin, ik zal in het strijdperk verschijnen."
Met deze woorden verliet hij haastig het vertrek, en de Preceptor
volgde, om hem in zijn besluit te bevestigen; want hij had zelf groot
belang in den roem van Bois-Guilbert, daar hij menig voordeel van
hem verwachtte, als hij eens aan het hoofd van de Orde zou zijn;
zonder de bevordering in aanmerking te nemen, waarop Mont-Fitchet
hem hoop gegeven had, op voorwaarde, dat hij tot de veroordeeling
van de ongelukkige Rebekka medewerkte. Evenwel, ofschoon hij bij het
bestrijden van de betere gevoelens zijns vriends al de overmacht bezat,
welke een listig, bedaard, baatzuchtig karakter heeft over iemand, die
door sterke en tegenstrijdige hartstochten geslingerd wordt, eischte
het al de bekwaamheid van Malvoisin om Bois-Guilbert in zijn voornemen
te bevestigen. Hij was genoodzaakt hem nauw te bewaken, om te beletten,
dat hij de gedachte van vlucht weder opvatte, en om te verhinderen,
dat hij met den Grootmeester in aanraking, en tot eene opene breuk met
zijn opperste kwam; hij moest ook van tijd tot tijd de verschillende
beweegredenen herhalen, waardoor hij getracht had te bewijzen, dat,
als Bois-Guilbert bij deze gelegenheid als kampvechter verscheen, hij,
zonder Rebekka's lot te verhaasten of te verergeren, den eenigen weg
zou volgen, waarop hij zich van vernedering en schande kon redden.