ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Streng was de wet, die haar dienaars dwong, het hart

Te sluiten voor 't gevoel van aardsch' ellende en smart,

Streng was de wet voorwaar, die menschen dorst bevelen,

Om nimmer in de vreugd, hoe schuldloos ook, te deelen:

Maar eindloos strenger nog de wet, die d'ijzren staf

Der dwinglandij aanvaardde, alsof haar God dien gaf.

De Middeleeuwen.

De rechtbank, opgericht voor het proces der onschuldige en ongelukkige

Rebekka, besloeg het hoogere of bovenste einde van de groote zaal,

dat wij reeds als de eereplaats beschreven hebben, bestemd om de

aanzienlijkste bewoners of gasten te ontvangen.

Op een verheven gestoelte, vlak voor de aangeklaagde, zat de

Grootmeester der Tempeliers, in een wijd, ruim, wit kleed, vol plooien,

in zijn hand den mystieken staf houdende, waarop het zinnebeeld der

Orde prijkte. Vóór hem stond eene tafel, waaraan twee schrijvers

zaten, de kapelanen der Orde, wier plicht het was om hetgeen voorviel

behoorlijk ten protocol te brengen. De zwarte kleeding, de geschoren

kruinen en het nederig voorkomen van deze geestelijken, vormde een

sterke tegenstelling met de krijgshaftige houding van de aanwezige

ridders, die of in de Preceptorij huisvestten, of in gezelschap van

hun Grootmeester daarheen gekomen waren. De Preceptoren, ten getale

van vier, bezetten de zitplaatsen, welke minder hoog en wat verder

naar achteren waren, dan die van hun opperhoofd, en de ridders,

die geen hoogeren rang in de Orde bekleedden, zaten op nog lager

banken, op denzelfden afstand van de Preceptoren, als dezen van den

Grootmeester. Achter hen, maar nog altijd op het verhevene gedeelte

der zaal, stonden de schildknapen der Orde, in witte kleederen van

mindere fijnheid. De geheele vergadering had een deftig voorkomen,

en op het gelaat der ridders bespeurde men blijken van krijgshaftigen

moed, vereenigd met al den ernst, die mannen van geestelijken stand

past, en dien geen van hen in tegenwoordigheid van hun Grootmeester

verzuimde aan te nemen.

Het overige, lagere gedeelte van de zaal was gevuld met wachten,

die gewapend waren met hellebaarden, en met andere lieden, welke de

nieuwsgierigheid daarheen gelokt had, om tegelijk een Grootmeester

en eene Joodsche tooveres te zien. Verreweg de meerderheid dezer

mindere personen was door de een of andere ambtsbetrekking met

de Orde verbonden en onderscheidden zich dus door eene zwarte

kleeding. Maar men had ook de boeren uit de omliggende streken

toegelaten; want Beaumanoir stelde er roem in, om het stichtelijk

tooneel van de gerechtigheid, die hij uitoefende, zoo openbaar

mogelijk te maken. Zijne groote blauwe oogen schenen grooter te

worden, terwijl hij de vergadering overzag, en zijn gelaat scheen te

stralen met de overtuiging van zijne waardigheid en met de ingebeelde

verdienstelijkheid van de rol, welke hij speelde. Een psalm, dien

hij zelf met een diepe, zachte stem, welke de ouderdom nog niet van

hare kracht beroofd had, medezong, was het begin van den dag: en de

plechtige tonen: _Venite, exsultemus Domino_, welke de Tempeliers

zoo dikwijls aanhieven, eer ze ten strijde gingen tegen aardsche

vijanden, werden door Lucas voor het geschiktst geoordeeld, om tot

inleiding te dienen voor de naderende zegepraal van het licht over

de duisternis, zooals hij het noemde. De lang aangehouden noten, door

een honderdtal mannenstemmen, in het koorgezang geoefend, aangeheven,

weêrgalmden tot aan de gewelfde zoldering van de zaal, en weêrklonken

tusschen de pilaren met een aangenaam en toch plechtig geluid, als

het golven van een machtigen stroom. Toen het gezang ophield, overzag

de Grootmeester langzaam den kring en bespeurde, dat de zitplaats van

één der Preceptoren ledig gebleven was. Brian De Bois-Guilbert, wien

die toekwam, had zijne plaats verlaten, en stond nu aan het uiterste

einde van een der banken, welke de gewone ridders des Tempels bezetten,

met de eene hand zijn langen mantel ophoudende, zoodat hij eenigermate

zijn gezicht bedekte, terwijl hij in de andere zijn zwaard hield,

welks gevest den vorm van een kruis had, en met de punt van hetwelk hij

zonder het uit te trekken, langzaam lijnen op den eiken vloer teekende.

"Ongelukkige!" zei de Grootmeester, na een medelijdenden blik op hem

geslagen te hebben. "Gij ziet, Koenraad, hoe dit heilige werk hem

kwelt. Zoo ver kan de lichtzinnige blik eener vrouw, door de macht van

den vorst der duisternis ondersteund, een dapperen en waardigen ridder

brengen!--Zie, hij kan ons niet aanzien, en haar evenmin; en wie weet

door welke macht van den boozen geest door wien hij bezeten is, zijne

hand deze kabbalistische lijnen op den vloer trekt? Mogelijk wordt

ons leven en onze veiligheid daardoor bedreigd; maar wij trotseeren en

dagen den boozen geest uit--_Semper leo perculiatur!_" Dit fluisterde

hij heimelijk zijn vertrouweling Koenraad Mont-Fitchet toe. Hierop

verhief hij de stem en wendde zich aldus tot de vergadering.

"Eerwaarde en dappere mannen, Ridders, Preceptoren, en Leden van

deze Heilige Orde, mijn broeders en mijn kinderen!--gij ook edele

en vrome schildknapen, die er naar streeft om eens dit heilige kruis

te dragen!--en gij ook, Christenbroeders van allen rang!--verneemt,

dat het geen gebrek aan macht is, welke de bijeenroeping dezer

vergadering veroorzaakt heeft, want, hoe onwaardig onze persoon ook

zij, is ons evenwel met dezen staf volmacht gegeven, om alles wat

het welzijn van deze onze heilige Orde betreft, te beoordeelen en te

vonnissen. St. Bernardus heeft in den regel van onzen ridderlijken en

godsdienstigen stand gezegd, in het negen-en-vijftigste Hoofdstuk [37],

dat hij niet wilde, dat de broeders in een raad zouden bijeengeroepen

worden, dan met den wil en op bevel van den Grootmeester; terwijl hij

het ons overlaat, zooals aan die waardige vaders, welke ons in deze

onze heilige bediening zijn voorafgegaan, om de gelegenheid, den tijd

en de plaats te bepalen, wanneer een kapittel van de geheele Orde, of

eenig gedeelte er van zal worden gehouden. Ook is het in al zoodanige

zaken onze plicht den raad onzer broeders te hooren, en voorts naar

ons eigen goeddunken te handelen. Zoodra echter de woedende wolf

op onze kudde aanvalt en een lid er van heeft weggesleept, dan is

het de plicht van den goeden herder, om zijne makkers bijeen te

roepen, opdat ze met bogen en slingers den aanvaller verdrijven,

volgens onzen welbekenden regel, dat de leeuw altijd moet worden

verslagen. Wij hebben derhalve in onze tegenwoordigheid gedagvaard

eene Joodsche vrouw, met name Rebekka, dochter van Izaäk van York,

eene vrouw, berucht door haar hekserijen en tooverijen, waardoor ze

het bloed en het brein heeft betooverd niet van een boer, maar van

een ridder,--niet van een wereldlijken ridder, maar van een ridder,

aan den dienst des Tempels toegewijd;--niet van een eenvoudig ridder,

maar van een Preceptor van onze Orde, den eerste in roem, zoowel als

in rang. Onze broeder Brian De Bois-Guilbert is ons en allen, die

mij hooren, wel bekend als een waardig en ijverig kampvechter van het

kruis, wiens arm menige dappere daad in het Heilige Land verricht, en

de heilige oorden door het bloed der ongeloovigen, die ze bewoonden,

van bezoedeling gezuiverd heeft. Niet minder dan zijne dapperheid en

krijgskunde is de schranderheid en voorzichtigheid van onzen broeder

aan zijn medebroeders gebleken; in zooverre, dat ridders, zoowel in het

Oosten als in het Westen, Bois-Guilbert een man genoemd hebben, die

wèl als onze opvolger in het voeren van dezen staf in aanmerking zou

kunnen komen, wanneer het den Hemel behagen zal, ons te verlossen van

den last, dien te dragen. Indien men ons zeide, dat zulk een man, zóó

geëerd en zóó eerwaardig, plotseling alle achting voor zijn karakter,

zijne gelofte, zijne broeders, zijne vooruitzichten verwerpende,

een Joodsch meisje tot zich genomen, en in dit schandelijk gezelschap

eenzame plaatsen bezocht had; hare persoon, ten koste van de zijne,

verdedigd had, en kortom zoodanig verblind en verzot was, dat hij

haar zelfs in een van onze Preceptorijen gebracht had; wat zouden

wij dan anders zeggen, dan dat de edele ridder door eenigen boozen

geest bezeten, of door eenige boosaardige betoovering verstrikt

was?--Indien wij het anders konden veronderstellen, denkt dan niet,

dat rang, moed, vermaardheid, of eenige aardsche bedenking ons zou

weerhouden om hem met straf te bezoeken, opdat de booze mocht worden

uitgedreven, volgens den tekst: _Auferte malum ex vobis_.

"Want menigvuldig en ergerlijk zijn de overtredingen tegen de

regels van onze gezegende Orde in deze droevige zaak. 1°. Hij

is naar zijn eigen vrijen wil rondgetrokken, strijdig met het

drie-en-dertigste hoofdstuk: _Quod nullus iuxta propriam voluntatem

incedat_. 2°. Hij heeft verkeering gehouden met een van de Kerk

uitgesloten persoon,--zeven-en-vijftigste hoofdstuk: _Ut fratres

non participent cum excommunicatis_; en derhalve is hij onderhevig

aan het _Anathema Maranatha_. 3°. Hij heeft met vreemde vrouwen

verkeerd, strijdig met het hoofdstuk: _Ut fratres non conversentur

cum extraneis mulieribus_. 4°. Hij heeft niet alleen den kus eener

vrouw niet vermeden, maar zooals ik vreezen moet, er om aangezocht;

waardoor, gelijk de laatste regel van onze beroemde Orde zegt, _ut

fugiantur osculo_, de soldaten van het kruis in een valstrik gelokt

worden. Voor deze schandelijke en menigvuldige misdaden moest Brian De

Bois-Guilbert uit onze broederschap worden afgesneden en uitgeworpen,

al ware hij er de rechterhand en het rechteroog van!"

Hij zweeg. Een zacht gefluister verspreidde zich door de

vergadering. Eenige van de jonge ridders, die genegen schenen om te

glimlachen over de wet: _De osculis fugiendis_, werden thans ernstig

genoeg en wachtten met ongeduld op hetgeen de Grootmeester verder

zou voordragen.

"Zoodanig," vervolgde hij, "en zoo streng moest inderdaad de straf van

een Tempelridder zijn, die de regels zijner Orde op zulke gewichtige

punten willens en wetens overtrad. Maar wanneer door middel van

tooverkunsten de Satan macht over den ridder verkregen heeft,

misschien omdat hij zijn oog te lichtvaardig op de schoonheid van

een meisje wierp, dan moeten wij zijne dwaling eerder beklagen dan

bestraffen, en hem slechts een straf opleggen, welke hem van zijne

zonden kan reinigen, het geheele gewicht van onzen toorn wenden

tegen het vervloekte werktuig, dat bijna zijn geheelen val had teweeg

gebracht. Treedt voor, derhalve, en getuigt, gij, die deze ongelukkige

gebeurtenissen bijgewoond hebt, opdat wij de bewijzen mogen onderzoeken

en oordeelen, of onze gerechtigheid zich kan tevreden stellen met de

bestraffing van deze ongeloovige vrouw, dan of wij met een bloedend

hart tot verdere vervolging tegen onzen broeder moeten overgaan."

Er werden verscheidene getuigen geroepen, om het gevaar te bewijzen,

waaraan Bois-Guilbert zich had blootgesteld, toen hij Rebekka uit het

brandend kasteel redde, en haar met minachting zijner eigene veiligheid

beschermd had. De menschen deden dit verhaal met de overdrijving

eigen aan gemeene lieden, die sterk door de eene of andere bijzondere

gebeurtenis getroffen zijn; en hunne natuurlijke neiging voor het

wonderbare werd zeer verhoogd door het genoegen, dat hunne getuigenis

den aanzienlijken man scheen te verschaffen, voor wien ze afgelegd

werd. Dus waren de gevaren, welke Bois-Guilbert te boven gekomen was,

hoewel op zichzelve groot genoeg, volgens hun verhaal ongelooflijk. De

ijver des ridders in de verdediging van Rebekka werd overdreven,

niet alleen boven de grenzen van het gezond verstand, maar zelfs van

den dolzinnigsten riddermoed; en zijne onderworpenheid voor hetgeen

ze zeide, schoon ze dikwijls op een strengen, verwijtenden toon tot

hem sprak, werd afgeschilderd als zoo slaafsch, dat ze bij een man

van een zoo trotsch karakter onnatuurlijk moest schijnen.

Daarna werd de Preceptor van Templestowe geroepen, om de wijze te

beschrijven, waarop Bois-Guilbert en de Jodin bij de Preceptorij

waren aangekomen. De getuigenis van Malvoisin werd met de uiterste

voorzichtigheid gegeven. Maar terwijl hij zich er schijnbaar op

toelegde, om het gevoel van Bois-Guilbert te sparen, liet hij van tijd

tot tijd eenige wenken vallen, welke schenen aan te duiden, dat hij

onder eenige verstandsverbijstering leed, daar hij zoo innig gehecht

scheen aan het meisje, dat hij medebracht. Met teekenen van berouw

bekende de Preceptor de zonde, die hij begaan had door Rebekka en haar

ridder binnen de Preceptorij te ontvangen.--"Maar mijne verdediging,"

zoo besloot hij, "heb ik aan onzen Grootmeester voorgedragen; hij weet,

dat mijne beweegredenen niet slecht waren, al strijdt ook mijn gedrag

tegen den regel. Goedwillig zal ik mij aan iedere boete onderwerpen,

welke hij mij opleggen zal."

"Gij hebt goed gesproken, broeder Albert," zei Beaumanoir; "uwe

beweegredenen waren goed, dewijl gij daarin gelijk hadt, dat gij uw

dwalenden broeder op zijne dolzinnige loopbaan wildet stuiten. Maar

uwe handelwijze was verkeerd:--gelijk hij, die een hollend paard wil

tegenhouden en het bij den stijgbeugel in plaats van bij den toom

vat, zelf beschadigd wordt, in plaats van nut te stichten. Onze vrome

stichter heeft dertien _paternosters_ bepaald voor den morgendienst en

negen voor den avonddienst; gij moet dit getal verdubbelen. Driemaal

in de week is het den Tempelier vergund vleesch te nuttigen; gij moet

de geheele week vasten. Als gij dit zes weken lang volgehouden hebt,

is uw boete volbracht."

Met een schijnheiligen blik der diepste onderwerping, boog de Preceptor

van Templestowe tot den grond voor zijn Grootmeester, en begaf zich

weder op zijne plaats.

"Zou het niet goed zijn, broeders," vervolgde de Grootmeester,

"dat wij eenig onderzoek deden naar het vroeger leven en verkeer

van deze vrouw, vooral om te ontdekken, of het waarschijnlijk is,

dat zij van hekserijen en tooverkunsten gebruik gemaakt heeft, daar

de waarheden, die wij gehoord hebben, ons wel zouden doen gelooven,

dat onze dwalende broeder in deze ongelukkige onderneming door eenige

helsche verleidingen en bedriegerijen aangedreven is?"

Herman Van Goodalricke was de vierde Preceptor, die tegenwoordig was;

de drie anderen waren Koenraad, Malvoisin en Bois-Guilbert zelf. Herman

was een oud krijgsman, wiens gezicht bedekt was met litteekens van

de sabelhouwen der Muzelmannen, en die in groote achting stond en

veel gezag had onder zijn broeders. Hij stond op en boog diep voor

den Grootmeester, die hem dadelijk verlof gaf om te spreken. "Ik

zou gaarne, eerwaarde vader, van onzen dapperen broeder Brian De

Bois-Guilbert zelven, willen vernemen wat hij op deze wonderbare

beschuldigingen zegt, en met welk oog hij thans zelf zijne onzalige

verkeering met dit Joodsche meisje aanschouwt?"

"Brian De Bois-Guilbert," zei de Grootmeester, "gij hoort de vraag,

waarop onze broeder van Goodalricke begeert, dat gij antwoorden

zult. Ik beveel u hem bescheid te geven."

Bois-Guilbert wendde het hoofd naar den Grootmeester, toen hij dus

aangesproken werd, en bewaarde het stilzwijgen!

"Hij is door den duivel der sprakeloosheid bezeten!" zei de

Grootmeester. "Wijk, Satanas!--Brian De Bois-Guilbert, ik bezweer u

bij dit teeken van onze heilige Orde!"

Bois-Guilbert deed eene poging, om zijne klimmende minachting en

verontwaardiging te onderdrukken, daar hij wel begreep, dat eene

uitbarsting hem weinig zou geholpen hebben.

"Brian De Bois-Guilbert," hernam hij, "antwoordt niet, eerwaarde

vader, op zulke onbepaalde en ijdele aanklachten. Indien zijne eer

aangetast wordt, dan zal hij die met zijn lichaam en met zijn zwaard,

dat zoo dikwijls voor het Christendom gestreden heeft, verdedigen."

"Wij vergeven u, broeder Brian," zei de Grootmeester, "dat gij in

onze tegenwoordigheid op uw krijgsdaden roemt, want dit komt van den

booze, die ons in de verzoeking brengt, om onze eigene verdiensten te

vergrooten. Maar gij hebt onze vergiffenis, daar ik begrijp, dat gij

minder uit uw eigen mond spreekt dan uit dien van hem, welken wij,

met Gods hulp, uit deze vergadering denken te verdrijven."

Een blik van verachting vlamde in het zwarte, dreigende oog van

Bois-Guilbert, maar hij antwoordde niet.--"En nu," vervolgde de

Grootmeester, "daar de vraag van onzen broeder van Goodalricke

zoo onvolledig beantwoord is, willen wij ons onderzoek vervolgen,

broeders, en, met behulp van onzen beschermheilige, dit goddeloos

geheim tot op den grond toe nasporen. Laten zij, die iets te getuigen

hebben aangaande het leven en het verkeer dezer Jodin, te voorschijn

treden." Er ontstond een gedruisch in het benedenste gedeelte van

de zaal, en toen de Grootmeester naar de reden vroeg, antwoordde

men hem, dat er zich onder den hoop een man bevond, die bedlegerig

geweest was, en dien de gevangene door een wonderdadigen balsem het

volkomen gebruik van zijne ledematen teruggegeven had.

De arme boer, een Sakser van geboorte, werd naar voren gesleept,

sidderend voor de straf, welke hem zou kunnen treffen, omdat hij door

een Jodenmeisje van de gevolgen eener beroerte genezen was. Volkomen

genezen was hij zeker niet, want hij steunde nog op zijn krukken,

terwijl hij zijne getuigenis aflegde. Zeer ongaarne en met veel

tranen verhaalde hij, dat hij twee jaren te voren, te York wonende,

door eene zware ziekte werd aangetast, terwijl hij in zijn beroep

van schrijnwerker voor Izaäk, den rijken Jood werkte; dat hij

buiten staat geweest was, om van het bed op te staan, voordat de

geneesmiddelen, welke hij op Rebekka's aanwijzing gebruikt had,

en vooral een verwarmende en geurige balsem, hem eenigermate het

gebruik zijner ledematen teruggegeven hadden. Daarenboven zei hij,

dat zij hem een potje met die kostelijke zalf gegeven en nog een stuk

geld geschonken had, om naar het huis van zijn vader in de nabijheid

van Templestowe terug te keeren. "En met uw eerwaarde's verlof," zei

de man, "ik kan niet gelooven, dat het meisje mij kwaad doen wilde,

ofschoon zij het ongeluk heeft eene Jodin te zijn; want zelfs toen

ik haar middel gebruikte, zeide ik het _pater_ en _credo_ op, en het

werkte toch niet minder heilzaam."

"Zwijg, slaaf," zei de Grootmeester, "en vertrek! Het past wel aan

honden, gelijk gij zijt, om zich met helsche genezingen in te laten,

en bij de zonen des ongeloofs te werken. Ik zeg u, de booze kan ziekten

opleggen alleen om ze te genezen, en daardoor eenig helsch geneesmiddel

in aanzien te brengen. Hebt gij de zalf nog, waarvan gij spreekt?"

Na met eene bevende hand in den boezem getast te hebben, haalde

de boer een kleine doos te voorschijn, op welker deksel eenige

Hebreeuwsche letters stonden, wat bij het grootste gedeelte der

toehoorders een zeker bewijs was, dat de duivel voor apotheker

gespeeld had. Beaumanoir nam, na een kruis gemaakt te hebben, de

doos in de hand, en, daar hij de meeste Oostersche talen verstond,

las hij gemakkelijk het opschrift: _de leeuw van den stam van Juda

heeft verwonnen_. "Wonderbare macht des Satans!" riep hij, "welke de

Heilige Schrift in godslastering kan veranderen, en vergif onder ons

noodzakelijk voedsel mengt!--Is er hier geen geneeskundige, die ons

de bestanddeelen van deze geheimzinnige zalf zeggen kan?"

Twee geneesmeesters, zooals ze zich noemden, de een een monnik en de

andere een barbier, verschenen, en verklaarden, dat ze niets van de

bestanddeelen wisten; behalve dat ze naar myrrhe en kamfer roken,

welke zij voor Oostersche kruiden hielden. Maar met den echten

broodnijd bezield tegen een gelukkigen beoefenaar van hunne kunst,

gaven zij te kennen, dat, nu het geneesmiddel hunne kennis te boven

ging, het noodzakelijk uit ongeoorloofde, betooverde bestanddeelen

moest bereid zijn, daar zij, ofschoon geen toovenaars, iederen tak

van hunne kunst verstonden, voor zoover ze een goed Christen op een

eerlijke wijze kon beoefenen. Toen dit geneeskundig onderzoek gedaan

was, verzocht de Saksische boer nederig, dat men hem het geneesmiddel

zou teruggeven, dat hij zoo heilzaam bevonden had, maar de Grootmeester

fronste de wenkbrauwen bij dit verzoek. "Hoe heet gij, mensch?" vroeg

hij den kreupele.

"Higg, de zoon van Snell," antwoordde de boer.

"Dan zeg ik u, Higg, zoon van Snell," zei de Grootmeester, "dat het is

beter bedlegerig te zijn, dan artsenij van ongeloovigen aan te nemen,

om te kunnen opstaan en wandelen;--dat het beter is de ongeloovigen

met geweld van hunne schatten te berooven, dan weldaden van hen aan te

nemen, of hen voor loon te dienen. Ga heen, en doe wat ik gezegd heb!"

"Och," zuchtte de boer, "met uw eerwaarde's verlof, die les komt nu

te laat voor mij; want ik ben maar een kreupel mensch, maar ik zal

aan mijn twee broeders, die bij den rijken Rabbijn Nathan Ben Samuel

dienen, zeggen, dat de Grootmeester het voor eerlijker houdt hem te

bestelen, dan hem trouw te dienen."

"Voort met dien praatzieken dwaas!" riep Beaumanoir, die er niet op

gevat was om deze practische toepassing van zijn algemeenen regel

te beantwoorden.

Higg, de zoon van Snell, trok zich onder de menigte terug; maar,

daar hij in het lot zijner weldoenster belang stelde, toefde hij

om haar vonnis te vernemen, zelfs op gevaar om nog eens den blik

van dien strengen rechter te moeten verdragen, die hem van angst had

doen ineenkrimpen. Thans beval de Grootmeester aan Rebekka om zich te

ontsluieren. Haar lippen voor de eerste maal openende, antwoordde zij,

"dat het niet de gewoonte was van de vrouwen van haar stam, het gelaat

te ontblooten, wanneer zij alléén in gezelschap van vreemdelingen

waren." De zoete klank van haar stem en de zachtheid van haar antwoord

boezemden den toehoorders medelijden en belangstelling in. Maar

Beaumanoir, in wiens gemoed het onderdrukken van elk menschelijk

gevoel, dat hem belemmeren kon in hetgeen hij voor plicht hield,

eene deugd was, herhaalde zijn bevel, dat zijn slachtoffer zich

ontsluieren moest. De wachten wilden dus haar sluier wegrukken, toen

zij oprees en tot den Grootmeester zei: "Ach, bij de liefde voor uwe

eigene dochters!--Helaas!" vervolgde zij, zich bedenkende, "gij hebt

geene dochters,--bij de liefde voor uwe zusters en voor vrouwelijke

zedigheid, laat mij niet in uw tegenwoordigheid zoo ruw behandeld

worden; het betaamt niet, dat een meisje door zulke handen aangeraakt

worde. Ik zal u gehoorzamen," voegde zij er bij, met eene uitdrukking

van geduldige smart in hare stem, welke bijna het hart van Beaumanoir

zelven verteederd had. "Gij zijt de ouderlingen van uw volk, en op uw

bevel zal ik u de gelaatstrekken van een rampzalig meisje vertoonen."

Zij sloeg den sluier terug, en zag hen aan met een blik, waarin

beschroomdheid met waardigheid streed. Hare buitengewone schoonheid

verwekte een gefluister van verbazing, en de jongere ridders zeiden

elkander door hun blikken, dat Brian's beste verontschuldiging eerder

in de kracht van hare wezenlijke bekoorlijkheden, dan aan haar

gewaande tooverij lag. Maar Higg, de zoon van Snell, gevoelde het

diepst de uitwerking, welke het gelaat van zijn weldoenster teweeg

bracht. "Laat mij heengaan!" riep hij de wachten aan de deur van

de zaal toe:--"Laat mij vertrekken!--nog één blik zal mij dooden,

want ik heb deel aan hare vermoording!"

"Stil, vriend," zei Rebekka, toen ze deze klachten hoorde, "gij hebt

mij geen kwaad gedaan door de waarheid te spreken;--gij kunt mij door

uwe klachten, of berouw niet helpen. Wees stil, bid ik u;--ga naar

huis en zorg voor uwe eigene veiligheid."

Higg was op het punt, om door de medelijdende wachters naar buiten

gezonden te worden, daar zij vreesden, dat zijne luidruchtige smart

hun verwijten en hem straf op den hals zou halen. Maar hij beloofde

stil te zijn, en kreeg verlof om te blijven. De twee krijgslieden, met

welken Albert Malvoisin niet verzuimd had, over hunne getuigenis te

spreken, werden nu te voorschijn geroepen. Ofschoon beiden verharde

en verstokte booswichten waren, scheen evenwel de aanblik van de

gevangene en haar uitstekende schoonheid hen een weinig te verwarren;

maar een veelbeteekenende blik van den Preceptor van Templestowe

gaf hun hunne ongevoelige verstoktheid terug, en ze verhaalden met

eene nauwkeurigheid, welke aan minder partijdige rechters verdacht

zou zijn geweest, omstandigheden, welke òf geheel verzonnen, òf

nietsbeteekenend en eenvoudig in zich zelve waren, maar die ongunstig

werkten door de vergrooting en de verkeerde uitlegging, welke de

getuigen aan de daadzaken gaven. De punten waarover hun getuigenis

liep, zouden in nieuwere tijden in twee klassen verdeeld geworden

zijn,--die, welke niet belangrijk en die welke physiek onmogelijk

waren. Maar ze werden beide in die tijden van onkunde en bijgeloof

gereedelijk voor bewijzen van schuld aangenomen.--De eerste klasse

behelsde, dat men Rebekka in eene onbekende taal in zich zelve had

hooren praten,--dat de liederen, welke zij van tijd tot tijd zong,

een bijzonder zachten toon hadden, welke de ooren boeide en het hart

trof;--dat ze soms met zich zelve sprak, en naar boven keek, alsof ze

antwoord wachtte,--dat hare kleeding wonderbaarlijk en vreemd was,

geheel ongelijk aan die van eerbare vrouwen;--dat ze ringen had,

waarop kabbalistische spreuken stonden, en dat er vreemde letters op

haren sluier geborduurd waren. Al deze omstandigheden, hoe natuurlijk

en onbeduidend ook, werden ernstig aangehoord, als bewijzen, dat

Rebekka eene ongeoorloofde verkeering met booze geesten had.

Maar er waren minder dubbelzinnige bewijzen, welke de lichtgeloovigen

in de vergadering gretig aanhoorden, hoe onwaarschijnlijk ze ook

waren. Een der soldaten had haar eene genezing zien verrichten aan een

gekwetste, die met hen naar Torquilstone gebracht was. Zij maakte, zei

hij, zekere teekens over de wond, en herhaalde zekere geheimzinnige

woorden, welke hij God dankte, dat hij niet verstond, en dadelijk

ging de ijzeren punt van den schicht van een armboog uit de wond los;

het bloeden werd gestild; de wond sloot zich, en de stervende liep

binnen een kwartier weder gezond op de wallen, en hielp den getuige

een steenslinger besturen. Dit verhaal was waarschijnlijk op de

daadzaak gegrond, dat Rebekka den gekwetsten Ivanhoe had opgepast,

toen hij in het kasteel van Torquilstone gevangen was. Maar het was

des te moeielijker om de nauwkeurigheid van den getuige te betwisten;

daar hij, om een zichtbaar bewijs bij zijne mondelinge getuigenis te

voegen, uit zijn zak de punt van den schicht haalde, welke, volgens

zijn verhaal, zoo wonderdadig uit de wond getrokken was; en daar

het ijzer een vol ons woog, bevestigde dit volkomen het verhaal,

hoe wonderbaar het ook klonk.

Zijn makker was van een naburig bolwerk getuige geweest van het

tooneel tusschen Rebekka en Bois-Guilbert, toen zij op het punt was,

om zich boven van den toren neder te storten. Om niet minder dan

zijn kameraad te zijn, verhaalde hij, dat hij Rebekka had gezien,

toen zij zich op de borstwering van den toren neêrzette, waar zij de

gedaante van eene witte zwaan had aangenomen, en zoo driemaal om het

kasteel van Torquilstone gefladderd had; dat zij hierop zich weder

op den toren neêrgelaten en haar menschelijke gedaante hernomen had.

Minder dan de helft van deze zwaarwichtige getuigenis zou voldoende

geweest zijn om elke arme en leelijke oude vrouw, al ware zij geen

Jodin geweest, van tooverij te overtuigen. Daarenboven, waren

de bewijzen bezwaard door Rebekka's jeugd, en hare betooverende

schoonheid.

De Grootmeester had de stemmen opgenomen, en vroeg thans op plechtigen

toon aan Rebekka, wat zij te zeggen had tegen het vonnis, dat hij op

het punt stond van uit te spreken.

"Uw medelijden in te roepen," zei de bekoorlijke Jodin, met eene stem,

die van aandoening beefde, "zou, dat begrijp ik, even nutteloos,

als verachtelijk zijn. Te beweren, dat het ondersteunen van zieken

en gewonden van een anderen godsdienst aan den erkenden Stichter van

ons beider godsdienst niet ongevallig zijn kan, zou even vruchteloos

zijn; staande te houden, dat vele dingen, welke deze mannen (de Hemel

vergeve het hun!) tegen mij verklaard hebben, onmogelijk zijn, zou

mij weinig baten, daar gijlieden aan de mogelijkheid ervan gelooft, en

nog minder zou het mij helpen, te verklaren, dat de bijzonderheden van

mijne kleeding, taal en zeden, aan mijn volk eigen zijn,--bijna had ik

gezegd aan mijn vaderland: maar helaas! wij hebben geen vaderland. Ik

wil mij niet eens verdedigen ten koste van mijn onderdrukker, die

dáár staat en naar de verdichtselen en overdrijvingen luistert,

welke den dwingeland in het slachtoffer schijnen te veranderen. De

Hemel beslisse tusschen hem en mij! maar liever wilde ik tienmaal den

dood ondergaan, welken gij goedvinden kunt over mij uit te spreken,

dan aan de aanzoeken gehoor geven, welke deze zoon Belial's mij

gedaan heeft,--mij, die zonder vriend of beschermer, en zijn gevangene

was. Maar hij behoort tot uw geloof, en zijn geringste woord zou tegen

de plechtigste betuigingen der ongelukkige Jodin opwegen. Ik wil dus

de tegen mij gedane beschuldiging niet op hem terug werpen; maar op

hem zelven,--ja, Brian De Bois-Guilbert, op u zelven beroep ik mij,

of deze beschuldigingen niet even valsch, gruwelijk en lasterlijk

als schandelijk zijn?"

Er ontstond een plechtige stilte; aller oogen vestigden zich op Brian

De Bois-Guilbert. Hij zweeg.

"Spreek!" zei ze, "zoo gij een man zijt,--zoo gij een Christen zijt,

spreek!--Ik bezweer u bij het kleed, dat gij draagt,--bij den naam,

dien gij geërfd hebt,--bij de ridderschap waarop gij u beroemt,--bij

de eer uwer moeder,--bij het graf en het gebeente van uw vader;--ik

bezweer u te zeggen, zijn deze dingen waar?"

"Antwoord haar, broeder," zei de Grootmeester, "als de vijand, met

welken gij worstelt, u zulks vergunt."

Inderdaad scheen Bois-Guilbert door tegenstrijdige aandoeningen

bewogen, welke zijne gelaatstrekken misvormden, en met groote

inspanning antwoordde hij eindelijk, op Rebekka ziende,--"het

blad! het blad!"

"Waarachtig," riep Beaumanoir, "dat is een getuigenis!--Het slachtoffer

van haar tooverkunsten kan alleen het noodlottige blad noemen,--en

de tooverteekens, die er op geschreven staan, zijn zonder twijfel de

reden van zijn stilzwijgen."

Maar Rebekka gaf eene andere uitlegging aan de woorden, welke aan

Bois-Guilbert als het ware afgeperst waren, en haar oog slaande op het

stukje perkament, dat zij nog altijd in de hand hield, las zij daarop,

in Arabische letters: "Vraag een kampvechter!"--Het gemor, dat zich

over het zonderlinge antwoord van Bois-Guilbert door de vergadering

verspreidde, gaf Rebekka den tijd, om het blad onopgemerkt te lezen

en te vernielen, zooals zij geloofde. Toen het gedruisch ophield,

vatte de Grootmeester het woord op. "Rebekka, gij kunt geen voordeel

trekken uit de getuigenis van dezen ongelukkigen ridder, over wien,

zooals wij wel bespeuren, de booze geest nog te machtig is. Hebt gij

nog iets anders te zeggen?"

"Er is mij nog ééne kans over om mijn leven te redden," antwoordde

Rebekka, "zelfs volgens uwe wreede wetten. Mijn leven is ellendig

geweest,--ten minste sedert eenigen tijd;--maar ik wil het geschenk

Gods niet wegwerpen, zoolang Hij mij middelen aan de hand geeft,

om het te verdedigen. Ik loochen deze beschuldigingen;--ik houd mijn

onschuld staande, en ik verklaar de aanklacht voor valsch.--Ik vorder

het voorrecht van een Godsoordeel, en zal vertegenwoordigd worden

door mijn kampvechter!"

"En wie, Rebekka," vroeg de Grootmeester, "zal de lans voor een

tooveres opnemen?--Wie zal de kampvechter van een Jodin willen zijn?"

"God zal mij een kampvechter zenden," hernam Rebekka. "Het is

onmogelijk, dat er in het schoone, herbergzame, edelmoedige, vrije

Engeland, waar zoo velen gereed zijn, om hun leven voor de eer

in de waagschaal te stellen, niemand gevonden worde, die voor het

recht strijden wil. Maar het is voldoende, dat ik een Godsgericht

vorder:--daar ligt mijn pand!" Zij trok haar geborduurden handschoen

uit, en wierp dien voor de voeten van den Grootmeester, met een

uitdrukking op haar gelaat, waar zooveel eenvoudigheid met waardigheid

gepaard ging, dat zij algemeene verbazing en verwondering verwekte.

Ivanhoe(#26564) · 第 48 / 67 题