Wek in Hircaniës woestijn den tijger,
Ontruk den hongerigen leeuw zijn prooi;
't Is min gevaarlijk, dan het smeulend vuur
Der dweepzucht aan te blazen!
Anonymus.
Ons verhaal keert thans tot Izaäk van York terug.--Gezeten op
een muilezel, welken de vrijbuiter hem geschonken had, door twee
krachtige schutters vergezeld, die hem tot lijfwacht dienden, was de
Jood op reis gegaan naar de Preceptory van Templestowe, om over het
losgeld zijner dochter te onderhandelen. De Preceptory was maar ééne
dagreis van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd, en
de Jood had gehoopt, die vóór het vallen van den nacht te bereiken;
na zijne leidslieden dus bij het einde van het bosch ontslagen en
hen met een stuk zilver beloond te hebben, haastte hij zich, zooveel
zijne vermoeidheid hem vergunde. Maar de krachten begaven hem geheel,
toen hij nog vier mijlen van het hof der Tempeliers was; hevige pijnen
voeren hem door den rug en de leden, en zijn knagende zielsangst, nu
door lichamelijk lijden vergroot, maakte het hem volstrekt onmogelijk
om verder te gaan, dan tot een klein vlekje waar een Joodsche Rabbijn
woonde, die zeer ervaren was in de geneeskunde en dien Izaäk goed
kende. Nathan Ben Israël ontving zijn lijdenden landsman met die
gastvrijheid, welke de wet voorschreef, en welke de Joden jegens
elkander uitoefenden. Hij stond er op, dat hij zich ter rust zou
begeven, en diende hem die geneesmiddelen toe, welke toen de besten
gerekend werden om de koorts te stuiten, welke schrik, vermoeienissen
en verdriet den armen ouden Jood op den hals gehaald hadden. Des
morgens, toen Izaäk opstaan en zijne reis vervolgen wilde, verzette
Nathan zich tegen zijn voornemen, zoowel in zijne hoedanigheid van
gastheer als in die van geneesheer. Het kon hem het leven kosten,
zei hij. Maar Izaäk gaf hem tot antwoord, dat er meer dan leven en
dood met zijne reis naar Templestowe gemoeid was.
"Naar Templestowe!" zei zijn gastheer met verbazing; voelde hem
nog eens den pols, en pruttelde toen in zich zelven; "De koorts is
afgenomen, maar toch schijnt zijn geest eenigszins verward."
"En waarom niet naar Templestowe?" antwoordde zijn patient. "Ik
geef u toe, Nathan, dat het eene woning is van mannen, voor welke
de verachte kinderen Israëls een steen des aanstoots en een afschuw
zijn; maar ge weet, dat dringende handelszaken ons soms onder deze
bloeddorstige Nazareensche soldaten voeren, en dat wij de Preceptorijen
der Tempeliers, zoowel als de Commanderijen der Hospitaal-ridders,
gelijk men ze noemt, bezoeken." [34]
"Dat weet ik wel," hernam Nathan; "maar weet ge wel, dat Lucas de
Beaumanoir, het opperhoofd van hunne Orde, en dien ze Grootmeester
noemen, nu zelf te Templestowe is?"
"Dat wist ik niet," hervatte Izaäk; "de laatste brieven van onze
broeders te Parijs berichtten ons, dat hij zich in die stad bevond,
om Filips hulp tegen den Sultan Saladin te vragen."
"Hij is sedert naar Engeland overgekomen, zonder dat zijne broeders hem
in het minst verwachtten, en hij komt met een sterken en uitgestrekten
arm, om hen te verbeteren en te bestraffen; zijn aangezicht is in toorn
ontstoken tegen hen, die van hunne gedane geloften zijn afgeweken,
en groot is de schrik onder die zonen van Belial. Ge hebt hem toch
zeker wel hooren noemen?"
"Ja zeker," antwoordde Izaäk; "de Heidenen schilderen dezen Lucas
Beaumanoir af, als een vurigen ijveraar voor ieder punt van de
Nazareensche wet; en onze broeders noemen hem een wreeden vernieler der
Saracenen, en een hardvochtigen dwingeland voor de kinderen Israëls."
"En zoo noemen zij hem met recht," hernam Nathan de geneesheer. "Andere
Tempeliers kunnen van hun voornemen worden afgebracht door vermaak,
of omgekocht worden door goud en zilver; maar Beaumanoir is van
verschillenden stempel;--hij veracht de zinnelijkheid, veracht den
rijkdom, en streeft naar hetgeen ze de martelaarskroon noemen.--De
God van Jakob schenke ze weldra aan hem en hen allen!--Vooral heeft
deze trotsche man zijne hand uitgestrekt tegen de kinderen van Juda,
evenals de heilige David tegen Edom, en hij houdt het vermoorden
van een Jood voor eene even aangename offerande, als de dood van een
Saraceen. Goddelooze en valsche dingen heeft hij gezegd, zelfs van
de krachten van onze geneesmiddelen, alsof het ingevingen van den
Satan waren.--De Heer straffe hem daarvoor!"
"En toch," hernam Izaäk, "moet ik mij naar Templestowe begeven,
al ware ook zijn aangezicht gelijk een vurig brandende oven."
Hierop verklaarde hij aan Nathan de dringende reden van zijne reis.--De
Rabbijn luisterde met belangstelling, en betuigde zijne deelneming
naar de wijze van zijn volk, zijn kleederen scheurende en uitroepende:
"Ach, mijne dochter!--Ach, mijne dochter!--Wee over de dochter van
Sion!--Wee over de gevangenschap van Israël!"
"Ge ziet," zei Izaäk, "hoe de zaken met mij staan, en dat ik niet
dralen mag. Misschien verhindert de tegenwoordigheid van dezen Lucas
Beaumanoir, die hun opperhoofd is, Brian De Bois-Guilbert in het
kwaad, dat hij in den zin heeft, en dan zal hij mij mijne beminde
dochter Rebekka teruggeven."
"Ga dan," zei Nathan Ben Israël; "en wees wijs; want wijsheid redde
Daniël in den leeuwenkuil, waarin hij geworpen was; en het ga u naar
den wensch uws harten. Maar zoo ge kunt, ontwijk de tegenwoordigheid
van den Grootmeester, want het is zijn dagelijksch vermaak ons volk
door verachting te krenken. Mogelijk zult ge beter bij Bois-Guilbert
slagen, zoo ge hem in het geheim kunt spreken; want men zegt, dat deze
verwenschte Nazareërs in de Preceptorij niet al te eenig zijn.--Mogen
hunne beraadslagingen tot schande gemaakt worden!--Maar, broeder,
keer tot mij terug, als tot het huis van uw vader, en breng bericht,
hoe het u gegaan is; en ik hoop, dat ge Rebekka mede zult brengen,
de leerling der wijze Mirjam, wier genezingen de Heidenen lasterden,
alsof ze het werk des Satans waren."
Izaäk zei zijn vriend vaarwel, en na omtrent een uur gereden te hebben,
kwam hij vóór de Preceptorij van Templestowe. Deze stichting der
Tempeliers lag tusschen schoone, vette weiden, welke de vorige vrome
Preceptor aan de Orde ten geschenke gegeven had. Het gebouw was goed
versterkt; iets dat deze ridders nooit verzuimden, en dat de onveilige
toestand van Engeland noodig maakte. Twee zwartgekleede hellebaardiers
bewaakten de ophaalbrug, en anderen in dezelfde sombere liverei, slopen
heen en weer op de muren met een doodschen tred, meer op spoken dan op
soldaten gelijkende. De mindere dienaren van de orde waren in het zwart
gekleed, sedert het gebruik van witte kleederen, gelijk aan die van
de ridders en knapen, in de gebergten van Palestina eene vereeniging
van zekere valsche broeders had doen ontstaan, die zich Tempelridders
noemden, en der Orde groote schande berokkend hadden. Men zag nu en
dan een ridder in zijn langen witten mantel, met neergebogen hoofd,
en gekruiste armen over de plaats gaan. Ze gingen elkander voorbij
met een langzamen, plechtstatigen en stommen groet, volgens den regel
van hunne Orde, zich op de woorden der heilige Schrift beroepende:
"Door vele woorden ontgaat gij de zonde niet," en "Leven en dood
zijn in de macht der tong." In één woord, de sombere monnikachtige
gestrengheid van de tucht der Tempeliers, welke ze sedert lang tegen
verkwisting en losbandigheid verruild hadden, scheen eensklaps te
Templestowe onder het waakzame oog van Lucas Beaumanoir te herleven.
Izaäk bleef voor de poort staan, om te overwegen op welke wijze hij
zich het best eene gunstige ontvangst verzekeren zou; want hij begreep
wel, dat voor zijn ongelukkigen stam de herlevende dweepzucht van
de Orde niet minder gevaarlijk was dan haar grootste losbandigheid;
en dat zijn godsdienst het voorwerp van haat en vervolging in het
ééne geval zou zijn, gelijk zijn rijkdom hem in het andere aan de
knevelarijen van onbarmhartige onderdrukking zou blootgesteld hebben.
Intusschen wandelde Lucas Beaumanoir in een kleinen tuin, die tot de
Preceptorij behoorde, en door de buitenste vestingwerken ingesloten
was, in somber en vertrouwelijk gesprek met een broeder van de Orde,
die met hem uit Palestina was teruggekomen.
De Grootmeester was een man van reeds gevorderden leeftijd,
zooals zijn lange, grijze baard en zijn zware, grijze wenkbrauwen
getuigden, welken over oogen hingen, wier vuur de ouderdom niet had
kunnen blusschen. Zijn magere, strenge gelaatstrekken toonden, dat
hij een geduchte krijgsman geweest was, en hadden steeds nog eene
krijgshaftige, trotsche uitdrukking; niet minder bewees hunne door
onthouding veroorzaakte magerheid, dat hij een bijgeloovig boetedoener
en een hoogmoedig met zichzelven tevreden dweper was. Evenwel was
er op deze harde gelaatstrekken iets treffends en edels, dat zonder
twijfel toe te schrijven was aan de groote rol, welke zijn aanzienlijk
ambt hem verplichtte onder koningen en vorsten te spelen, en aan de
gewone uitoefening van gezag over de vele dappere en edele ridders,
die door de regels der Orde vereenigd waren. Zijne gestalte was groot
en zijne houding recht en statig, zonder door ouderdom en uitgestane
vermoeienissen gedrukt te zijn. Zijn witte mantel was stipt naar het
voorschrift van St. Bernardus zelven gemaakt, bestaande uit hetgeen
men toen _Burrel_-laken noemde. Deze mantel paste volkomen aan zijne
gestalte, en vertoonde op den linker schouder het achthoekige kruis van
de Orde in rood laken. Geen bont of hermelijn versierde zijn kleeding;
maar uit aanmerking van zijne hooge jaren was des Grootmeesters
wambuis, zooals de regels vergunden, met het fijnste lamsvel bezet,
met de wol naar buiten gekeerd,--hetwelk het dichtste bij bont
kwam,--de grootste weelde van dien tijd. In zijn hand droeg hij dien
eenvoudigen _abacus_ of ambtsstaf, waarmede de Tempeliers dikwijls
afgebeeld worden, aan het bovenste einde met een knop, waarop het kruis
van de Orde gegraveerd was, door een kring, of parelsnoer zooals de
herauten zulks noemen, omgeven. De man, welke deze hooge personaadje
vergezelde, droeg bijna in alle opzichten dezelfde kleeding, maar zijne
bijzondere onderdanigheid jegens zijn opperste toonde, dat er verder
geene gelijkheid tusschen hen bestond. De Preceptor, want dit was zijn
titel, ging niet vlak naast den Grootmeester, maar even achter hem,
zoodat Beaumanoir met hem spreken kon, zonder het hoofd om te draaien.
"Koenraad," zei de Grootmeester, "dierbare deelgenoot mijner veldslagen
en werken, in uw getrouwen boezem alleen kan mijn hart zijn verdriet
uitstorten. U kan ik zeggen, hoe dikwijls ik sedert mijne aankomst
in dit koninkrijk gewenscht heb verlost te worden en in te gaan in
de woningen der rechtvaardigen. Geen enkel voorwerp heeft zich in
Engeland aan mijne oogen opgedaan, waarop ze met welgevallen konden
rusten, behalve de graven onzer broeders, onder het grootsche gewelf
van onze tempelkerk in gindsche trotsche hoofdstad. O dappere Robert
de Ros! riep ik in mij zelven uit, terwijl ik op de strijders van
het kruis staarde, zooals ze daar op hunne graftomben afgebeeld
zijn;--o waardige Willem de Mareschal! opent uwe marmeren cellen, en
neemt in uwe rustplaats een vermoeiden broeder op, die liever tegen
honderdduizend Heidenen zou willen strijden dan het verval van onze
heilige Orde aanschouwen!"
"Het is maar al te waar," antwoordde Koenraad Mont-Fitchet; "en de
ongebondenheid onzer broeders in Engeland is zelfs nog erger dan
in Frankrijk."
"Omdat ze rijker zijn," hernam de Grootmeester. "Verschoon mij,
broeder, als ik mij zelven een weinig prijzen moet; gij kent het leven,
dat ik geleid heb; iederen regel van onze Orde heb ik gevolgd, ik heb
vleeschelijke en geestelijke duivels bestreden; ik heb den brieschenden
leeuw, die rondgaat om te zoeken, wien hij verslinden zal, als een
dapper ridder en vroom priester geveld, overal waar ik hem vinden
kon,--zooals de gezegende St. Bernardus ons heeft voorgeschreven in het
vijfenveertigste hoofdstuk onzer regels, _Ut leo semper feriatur_. [35]
Maar, bij den heiligen Tempel! bij den ijver, welke mijne kracht
en mijn leven, ja, de zenuwen en het merg mijner beenderen verteerd
heeft,--bij dienzelfden heiligen Tempel zweer ik u, dat behalve u en
nog een, welke de oude, strenge tucht van onze Orde nog handhaven,
ik geen broeder ken, die ik in mijn hart dien naam waardig keur. Wat
zeggen onze wetten, en hoe volgen onze broeders die op? Ze mogen geen
ijdel of wereldsch sieraad dragen, geen helmteeken, geen goud aan
stijgbeugels of toom; maar wie vertoont thans meer pracht en weelde,
dan de arme krijgslieden van den Tempel? Het is hun verboden, op de
valkenjacht te gaan, dieren met den pijl te vellen; op den jachthoren
te blazen, en hun paard voor de jacht te gebruiken, maar wie is nu zoo
bedreven als zij in alle ijdele vermaken van wild- en valkenjacht, en
in alle genoegens, die bosch en rivier opleveren?--Het is hun verboden
iets te lezen, zonder verlof van hunne meerderen; of naar iets te
luisteren, behalve de Heilige Schriften, die in het Refectorium
voorgelezen worden, en zie, ze geven gehoor aan minnezangers en
vermaken zich met dwaze romances. Zij moesten tooverij en ketterij
uitroeien,--en zie! thans zijn zij ijverig bezig, om de verwenschte
kabbalistische geheimen der Joden en de tooverij der Heidensche
Saracenen te beoefenen. Eenvoudige kost is hun voorgeschreven; wortels,
kruiden, gerstenat, en slechts driemaal in de week vleesch, omdat het
dagelijksch gebruik er van een schandelijk bederf voor het lichaam
is, en zie! hun tafels bezwijken onder het gewicht der lekkerste
spijzen.--Hun drank moest water zijn; en thans beroemt zich ieder
vroolijke gast, dat hij drinkt als een tempelier! Deze tuin zelf,
gevuld met kruiden en boomen, die uit het Oosten zijn overgebracht,
paste beter voor den _Harem_ van een ongeloovigen Emir, dan voor
de plek, welke Christenmonniken moesten gebruiken voor het planten
hunner keuken-groenten.--En, o Koenraad! welk een geluk zou het nog
zijn, indien de vergetelheid der tucht niet verder ging!--Het is u
bekend, dat men ons verboden heeft die vrome vrouwen te ontvangen,
welke in den beginne als zusters bij onze Orde ingelijfd waren,
omdat, zooals het zes-en-veertigste hoofdstuk zegt, de Satan,
door vrouwelijk gezelschap, menigeen van het rechte pad der
zaligheid heeft afgetrokken. Ja, zelfs in het laatste hoofdstuk,
(als het ware de slotsom van de zuivere, onbevlekte leer van onzen
gezegenden stichter), is het ons verboden, zelfs aan onze moeders en
zusters den kus der liefde te geven, _ut ommium mulierum fugiantur
oscula!_--Ik schaam mij over de verdorvenheid, die onder ons heerscht,
te spreken,--ja zelfs er aan te denken! De zielen onzer deugdzame
stichters, de schimmen van Hugo de Payen en Godfried de Saint Omer,
en van de zalige Zeven, die zich het eerst vereenigden, om hun leven
aan den dienst van den Tempel te wijden, worden in de zaligheid,
welke zij in het Paradijs genieten, gestoord. Ik heb hen gezien,
Koenraad, in nachtelijke droomen;--hunne heilige oogen stortten tranen
over de zonden en dwaasheden hunner broeders, en de schandelijke
losbandigheden, waarin zij zich dompelen. Beaumanoir! riepen zij;
gij slaapt,--ontwaak! Er ligt een schandvlek op het huis des Tempels,
schandelijk en groot, als het teeken, dat oudtijds op de huizen,
waar de melaatschheid geheerscht had, gemaakt werd. [36] De soldaten
van het kruis, die den blik der vrouwen, gelijk het oog der basilisken
moesten vermijden, leven in openlijke zonde, niet alleen met de vrouwen
van hun eigen stam, maar met de dochters der vervloekte Heidenen,
en nog erger vervloekte Joden. Beaumanoir, gij slaapt; op! en wreek
ons!--Verdelg de zondaars, mannen en vrouwen!--Grijp het zwaard van
Phineas!--De verschijning verdween, Koenraad, maar toen ik ontwaakte,
kon ik nog het gekletter der wapenrustingen hooren, en het golven
der witte mantels zien.--En ik wil naar hun bevel handelen, ik _wil_
den Tempel zuiveren, en de onreine steenen, waarin de pest zit,
zal ik wegnemen en uit het gebouw werpen!"
"Maar bedenk, eerwaarde vader," zei Mont-Fitchet, "dat de smet door
tijd en gewoonte ingevreten is: laat de hervorming voorzichtig zijn,
zoowel als billijk en wijs."
"Neen, Mont-Fitchet;--ze moet streng en plotseling zijn:--de Orde is op
het keerpunt van haar lot. De matigheid, zelfopoffering en vroomheid
van onze voorgangers hebben ons machtige vrienden verschaft;--onze
verwaandheid, rijkdom en weelde hebben ons geduchte vijanden op
den hals gehaald.--Wij moeten deze schatten wegwerpen, welke eene
verzoeking zijn voor de vorsten;--wij moeten die verwaandheid afleggen,
welke eene beleediging voor hen is;--wij moeten de losbandigheid
onzer zeden verbeteren, welke eene ergernis is voor de geheele
Christen-wereld!--of,--let wel op mijn woorden,--de Orde van den
Tempel zal geheel worden vernietigd, en hare plaats zal niet meer
onder de volkeren bekend zijn."
"God wende deze ramp van ons af!" riep de Preceptor.
"Amen!" zei de Grootmeester plechtig; "maar wij moeten Zijne hulp
verdienen. Ik zeg u, Koenraad, dat noch de machten des Hemels, noch
die der aarde de verdorvenheid van het tegenwoordig geslacht kunnen
verdragen. Mijne berichten zijn zeker;--de grond, waarop ons gebouw
staat, is reeds ondermijnd en iedere vermeerdering van grootheid
zal het slechts te eerder doen instorten. Wij moeten onze schreden
achterwaarts wenden, en ons als getrouwe strijders voor het kruis
gedragen, aan onze roeping niet alleen ons bloed en leven, niet
alleen onze lusten en ondeugden, maar ons gemak, onze levensvreugd,
onze neigingen en menig vermaak opofferen, dat geoorloofd kan zijn
aan anderen, maar verboden is aan den heiligen krijgsman des Tempels."
Op dit oogenblik kwam een schildknaap in een afgesleten kleed (want
de candidaten tot deze heilige Orde droegen gedurende hun noviciaat de
kleederen, welke de ridders afgelegd hadden,) in den tuin, maakte een
diepe buiging voor den Grootmeester, en bleef stilstaan, daar hij zijn
boodschap niet verrichten durfde, eer hij verlof daartoe bekomen had.
"Is het niet passender," zei de Grootmeester, "dezen Damian in het
kleed van Christelijke nederigheid in eerbiedige stilte voor zijn
opperste te zien verschijnen, dan zooals hij voor twee dagen rondliep,
als een nar in een bont wambuis, terwijl hij trotsch en ijdel als
een papegaai snapte?--Spreek, Damian, wij veroorloven het u;--wat is
uwe boodschap?"
"Een Jood staat buiten de poort, edele en eerwaarde vader, en verzoekt
broeder Brian De Bois-Guilbert te spreken."
"Gij doet wel mij hiervan kennis te geven," zei de Grootmeester;
"in onze tegenwoordigheid is een Preceptor slechts een gewoon lid
van onze Orde, die niet naar zijn eigen wil mag handelen, maar naar
dien van zijn Meester,--volgens den tekst: "Zoodra hij mij hoorde,
gehoorzaamde hij!"--Er is ons bijzonder veel aan gelegen, om iets van
het gedrag van dezen Bois-Guilbert te hooren," zei hij, zich tot zijn
makker wendende.
"Het gerucht noemt hem stout en dapper," zei Koenraad.
"En met recht noemt men hem zoo," hernam de Grootmeester; "in onze
dapperheid alleen zijn wij van onze voorgangers, de helden van het
kruis, niet ontaard. Maar broeder Brian trad in onze Orde als een
somber, ontevreden mensch; zonder twijfel aangespoord om onze gelofte
aan te nemen en de wereld vaarwel te zeggen, niet uit oprechtheid der
ziel, maar als een man, dien eenig gering ongeluk tot ontevredenheid en
berouw had gebracht. Sedert is hij een ijverig en ernstig onruststoker,
een ontevreden woelgeest, en een aanvoerder van hen geworden, die zich
tegen ons gezag verzetten, zonder te overwegen, dat aan den meester de
macht gegeven is, zelfs door het teeken van den staf en der roede,--den
staf om de zwakken te ondersteunen;--de roede om de misdadigers te
straffen.--Damian," vervolgde hij, "breng den Jood voor ons."
De knaap vertrok met eene diepe buiging, en keerde binnen weinige
minuten terug, Izaäk van York binnen leidende. Geen hulpelooze slaaf,
die in de tegenwoordigheid van eenig machtig vorst gebracht wordt,
kan diens rechterstoel met dieper eerbied en schrik naderen. Toen hij
op een afstand van drie ellen gekomen was, gaf Beaumanoir een teeken
met zijn staf, dat hij niet nader zou komen. De Jood knielde op den
grond neder, welken hij als een teeken van eerbied kuste; hierna
oprijzende, bleef hij voor de Tempeliers staan, met de handen op de
borst gevouwen, en het hoofd voorovergebogen, als een Oostersche slaaf.
"Damian," zei de Grootmeester, "vertrek, en houd een wacht gereed,
om dadelijk op ons bevel te verschijnen; en laat niemand in den tuin
komen, eer wij dien verlaten hebben."--De schildknaap boog diep en
vertrok.--"Jood," vervolgde de trotsche grijsaard, "let op! Het past
onzen stand niet, om lang met u te spreken, en het is onze gewoonte
niet, met wien het ook zij, woorden of tijd te verspillen. Wees
dus kort in uw antwoorden op hetgeen ik u vragen zal, en spreek de
waarheid; want zoo uw tong mij bedriegt, zal ik ze uit uw ongeloovigen
hals laten scheuren."
De Jood wilde antwoorden, maar de Grootmeester ging voort:
"Zwijg, ongeloovige!--Geen woord in onze tegenwoordigheid, dan in
antwoord op onze vragen.--Wat hebt gij met onzen broeder Brian de
Bois-Guilbert te doen?"
Izaäk beefde van schrik en onzekerheid. Zoo hij zijne geschiedenis
verhaalde, kon die als eene lastering van de Orde beschouwd worden; en
indien hij daarentegen ze niet verhaalde, wat hoop kon hij dan hebben,
om de verlossing zijner dochter te bewerken? Beaumanoir zag zijn
doodsangst, en verwaardigde zich, om hem een weinig gerust te stellen.
"Vrees niets," zei hij, "voor uw ellendig leven, Jood, indien gij
oprecht in deze zaak te werk gaat.--Ik vraag nog eens, wat hebt gij
met Brian de Bois-Guilbert te doen?"
"Ik ben de overbrenger van een brief," stamelde de Jood, "met uw
verlof, hoogeerwaarde en gestrenge heer, voor dezen dapperen ridder
van den Prior Aymer, van de Abdij van Jorvaulx."
"Zei ik niet, dat het booze tijden waren, Koenraad?" zei de
Grootmeester. "Een Cisterciënser Prior zendt een brief aan een soldaat
van den Tempel, en kan geen geschikter bode vinden dan een ongeloovigen
Jood.--Geef mij den brief!"
De Jood maakte met bevende handen de plooien van zijn Armenische
kap los, waarin hij des Priors schrijftafel tot grootere veiligheid
verborgen had, en wilde met uitgestrekte hand en gebogen lichaam
naderen, om die aan zijn strengen rechter over te geven. "Terug,
hond!" riep de Grootmeester. "Ik raak geen ongeloovige aan, behalve met
het zwaard.--Koenraad, neem den brief aan, en geef hem aan mij over."
Beaumanoir, thans in het bezit van de schrijftafel, bekeek den
buitenkant nauwkeurig, en wilde toen het garen losmaken, waarmede
die toegemaakt was. "Eerwaarde vader," zei Koenraad met eerbied,
"zult gij het zegel openbreken?"
"Zou ik niet?" hervatte Beaumanoir met gefronst voorhoofd. "Staat er
niet in het tweeënveertigste hoofdstuk, _De lectione literarum_, dat
een Tempelier geen brief mag ontvangen, zelfs van zijn vader, zonder
dien aan den Grootmeester over te geven, en in zijne tegenwoordigheid
te lezen?"
Hierop keek hij haastig den brief door, en met eene uitdrukking van
verbazing en afgrijzen, las hij dien nog eenmaal langzamer over;
vervolgens het papier aan Koenraad met de eene hand toehoudende en
er met de andere licht op slaande, riep hij uit: "Dat is eene schoone
zaak voor een Christen, om aan een ander Christen over te schrijven,
en beiden zijn leden, en geen onaanzienlijke leden, van heilige
broederschappen! Wanneer," zei hij plechtig met ten hemel geslagene
oogen, "zult Gij, o Heer! met Uw wan komen, om den dorschvloer te
zuiveren?"
Mont-Fitchet nam den brief van zijn opperste, en wilde hem
doorlezen. "Lees hard op, Koenraad," zei de Grootmeester, "en gij"
(tegen Izaäk), "luister naar den inhoud, want wij zullen u daarover
ondervragen!"
Koenraad las den brief, welke aldus luidde:
"Aymer, door Gods genade, Prior van het huis der Cisterciënsers
van de Heilige Maria van Jorvaulx, wenscht den Ridder Brian de
Bois-Guilbert, van de heilige Orde des Tempels, gezondheid,
met de gunst van God Bacchus en van Vrouw Venus. Wat onzen
tegenwoordigen toestand betreft, waarde broeder, wij zijn
een gevangene in de handen van zekere wetschendende en
goddelooze mannen, die niet gevreesd hebben onzen persoon aan
te houden en ons losgeld af te dwingen, waardoor wij ook van
Front-de-Boeuf's ongeluk zijn onderricht geworden, en dat
gij met die schoone Joodsche tooveres ontsnapt zijt, wier
zwarte oogen u bekoord hebben. Wij zijn hartelijk verblijd,
dat ge in veiligheid zijt; evenwel bidden wij u, op uwe
hoede te zijn ten opzichte van deze tweede heks van Endor;
want wij zijn in het geheim verzekerd, dat uw Grootmeester,
die zich niet in het minste aan roode wangen en zwarte oogen
stoort, uit Normandië komt, om uwe genoegens te beperken, en
uwe misstappen te bestraffen. Derhalve bidden wij u hartelijk
op uwe hoede te zijn en wakende gevonden te worden, zooals
de heilige tekst zegt: _Invenientur vigilantes!_ En de rijke
Jood, haar vader, Izaäk van York, mij om een brief ter haren
voordeele verzocht hebbende, zoo heb ik hem dezen gegeven, u
ernstig aanradende om het meisje tegen losgeld vrij te geven,
daar hij uit zijne geldzakken gemakkelijk genoeg geven kan,
om vijftig andere vrouwen los te koopen en van dit geld hoop
ik mijn deel te krijgen, als wij ons samen verlustigen zullen,
gelijk getrouwe broeders, den wijnbeker niet te vergeten;
want, wat zegt de tekst? _Vinum lactificat cor hominis_;
en verder: _Rex delectabitur pulchritudine tua_.
Wij wenschen u wel te leven tot aan onze eerste
bijeenkomst! Gegeven uit dit roovershol, tegen het uur van
het morgengebed.
Aymer, Pr. S. M. Jorvolciensis.
"_Postscriptum._ Waarachtig, uw gouden ketting is niet lang
bij mij gebleven, en daaraan hangt thans, om den hals van een
vogelvrijverklaarden wilddief, het fluitje, waarmede hij zijn
jachthonden roept!"
"Wat zegt ge hiervan, Koenraad?" zei de
Grootmeester. "Roovershol! waarlijk een geschikt verblijf voor zulk
een Prior! Geen wonder, dat Gods hand zwaar op ons ligt, en dat wij
in het heilige Land stad op stad, voet voor voet, op de ongeloovigen
verliezen, daar wij zulke geestelijken, als dezen Aymer, hebben!--En
wat meent hij toch met die tweede heks van Endor?" vroeg hij zijn
vertrouweling ter zijde.
Koenraad was (misschien uit ondervinding) beter bekend met de taal der
galanterie, dan zijn opperste; en hij verklaarde den Grootmeester,
dat dit eene uitdrukking was, in gebruik bij wereldsgezinde mannen
jegens degenen, welken ze _par amours_ beminden; maar deze verklaring
voldeed den bijgeloovigen Beaumanoir niet.
"Daar schuilt meer achter dan ge wel denkt, Koenraad; uwe eenvoudigheid
kan dezen afgrond van goddeloosheid niet peilen. Deze Rebekka van York
was eene leerlinge van Mirjam, van wie ge hebt hooren spreken. Ge
zult zien; de Jood zelf zal het bekennen." Voorts zich tot Izaäk
wendende, zei hij luide: "Uw dochter is dus de gevangene van Brian
De Bois-Guilbert?"
"Ja, eerwaarde en dappere heer, en al wat een arm man voor haar
bevrijding betalen kan--"
"Stil!" zei de Grootmeester. "Deze uw dochter heeft de heelkunde
beoefend, niet waar?"
"Ja, genadige heer;" antwoordde de Jood met herlevenden moed, "en
ridder en knecht, vasal en heer zegenen de gaven, welke de Hemel haar
geschonken heeft. Menigeen kan getuigen, dat ze hem door hare kunst
genezen heeft, toen alle andere menschelijke hulp vruchteloos was;
maar de zegen van den God van Jakob rustte op haar."
Beaumanoir wendde zich tot Mont-Fitchet met een sarkastischen lach:
"Zie, broeder," zei hij, "de verleidingen van den aartsvijand der
menschen! Zie het lokaas, waarmede hij naar zielen vischt, daar hij een
korte span aardsch leven voor de eeuwige zaligheid schenkt! Wat zegt
onze heilige regel: _Semper percutiatur leo vorans_.--Val aan op den
leeuw! Vel den vernieler!" riep hij, zijn symbolieken staf zwaaiende,
alsof hij de machten der duisternis uitdaagde. "Uwe dochter werkt dus,"
ging hij voort tegen den Jood, "door woorden, zegels, amuletten en
andere kabbalistische geheimen?"
"Neen, eerwaarde en dappere ridder," antwoordde Izaäk, "maar
hoofdzakelijk door een balsem van wonderdadige kracht."
"Van wien heeft ze dit geheim?" vroeg Beaumanoir.
"Het werd haar geopenbaard door Mirjam, eene wijze vrouw uit onzen
stam," antwoordde Izaäk aarzelende.
"Ha, valsche Jood! was het die heks Mirjam, wier afschuwelijke
toovenarijen in ieder Christelijk land bekend zijn?" riep de
Grootmeester, een kruis slaande. "Haar lichaam is op een brandstapel
verbrand, en hare asch door de winden verstrooid; en zoo ga het mij
en mijne Orde, zoo ik niet hetzelfde en nog meer aan haar leerling
doe! Ik zal haar leeren de soldaten van den Heiligen Tempel te
betooveren!--Hier, Damian! werp dezen Jood buiten de poort!--Schiet
hem dood, zoo hij zich verzet of terugkeert! Met zijne dochter zullen
wij handelen, zooals de Christelijke wet en ons heilig ambt vorderen!"
De arme Izaäk werd dus weggesleept en naar buiten geworpen, zonder
dat men de minste acht sloeg op zijn smeekingen, of zelfs op zijn
aanbiedingen. Hij kon dus niets beters doen, dan naar het huis
van den Rabbijn terug te keeren, en te trachten, door middel van
dezen gewaar te worden, wat het lot zijner dochter zijn zou. Hij
had tot hiertoe voor haar eer gevreesd, en nu moest hij voor haar
leven sidderen. Intusschen liet de Grootmeester den Preceptor van
Templestowe bij zich komen.