------Gij, dapperste der krijgers,
Hoe staat het thans met Titus Lartius?
Marcius. Hij is met veel besluiten bezig;
Deez' doemt hij tot den dood, dien tot verbanning,
Vergeeft den eenen, en bedreigt den and'ren.
Coriolanus.
De gelaatstrekken en manieren van den gevangen Prior toonden een
zonderling mengsel van beleedigden hoogmoed, verlegene gemaaktheid,
en angst voor lichamelijke kwelling.
"Hoe, mijne heeren!" zei hij met eene stem, welke deze drie
aandoeningen verried, "wat beteekent dit alles? Zijt gij Turken
of Christenen, daar gij de handen slaat aan een dienaar der
Kerk?--Weet gij, wat het is _manus imponere in servos Domini_? Gij
hebt mijne valiezen uitgeplunderd; mijn schoonen kanten mantel, die
een kardinaal waardig was, verscheurd.--In mijn plaats zou een ander
zijn _excommunicabo vos_ gebruiken; maar ik ben vreedzaam van aard, en
als gij mijne paarden en valiezen teruggeeft, mijne broederen loslaat,
hier op de plaats honderd kronen uitbetaalt, om missen te laten lezen
voor het groote altaar der Abdij van Jorvaulx, en eene gelofte doet,
vóór eerstkomende Pinksteren geen wild te eten, dan zou het kunnen
gebeuren dat gij verder niets van dezen dollen streek hoort."
"Eerwaarde vader," zei de aanvoerder, "het spijt mij te vernemen,
dat gij door mijne lieden zoo behandeld zijt, dat zij uwe vaderlijke
afkeuring verdienen."
"Behandeld!" riep de priester, aangemoedigd door den zachten
toon van den aanvoerder;--"men moest geen hond van goed ras
zoo behandelen,--veel minder een Christen,--nog veel minder een
priester,--en het allerminst den Prior van de heilige broederschap
van Jorvaulx. Hier is een goddelooze en beschonken minnezanger
Allen-a-Dale,--_nebule quidam_,--die mij met pijnlijke mishandeling
bedreigd heeft,--ja, met den dood zelven, zoo ik niet vierhonderd
kronen losgeld betaal, boven al de schatten, waarvan hij mij beroofd
heeft;--gouden ketenen en juweelen ringen van onschatbare waarde,
behalve wat er gebroken en bedorven is door ruwe handen, zooals mijn
poederdoos en mijn zilveren krultang."
"Het is onmogelijk, dat Allen-a-Dale een man van uw stand aldus kan
mishandeld hebben!" hernam de aanvoerder.
"Het is zoo waar, als het Evangelie van St. Nicodemus," antwoordde
de Prior; "hij zwoer met menigen schrikkelijken Noordschen eed,
dat hij mij aan den hoogsten boom in het bosch zou ophangen."
"Heeft hij dat wezenlijk gedaan? Ja dan, eerwaarde vader, moest gij,
naar mijn inzien, zijn eischen maar inwilligen;--want Allen-a-Dale
is juist de man, om woord te houden, als hij het op eene plechtige
wijze gegeven heeft."
"Gij schertst," hervatte de verschrikte Prior, met een gedwongen
lach; "en ik houd veel van scherts. Maar, ha! ha! ha! als de grap
den geheelen nacht geduurd heeft, dan wordt het tijd, om des morgens
ernstig te worden."
"En ik ben ernstig als een biechtvader," hernam de aanvoerder;
"gij moet een goed losgeld betalen, heer Prior, of uw klooster zal
waarschijnlijk tot eene nieuwe verkiezing moeten overgaan, want men
zal u er niet wederzien!"
"Zijt gij Christenen!" riep de Prior, "en spreekt gij zulke taal
tegen een geestelijke?"
"Christenen! Ja, waarachtig dat zijn wij, en wij hebben ook op den
koop toe godgeleerden onder ons," antwoordde de kapitein. "Laat onze
vroolijke kapelaan vóórtreden, en dezen eerwaarden vader de op deze
zaak toepasselijke teksten verklaren."
De kluizenaar, half dronken en half nuchter, had schielijk een
monniksgewaad over zijn groen buis aangetrokken, en nu alle geleerde
brokken bij elkander halende, welke hij in vroegere tijden van
buiten geleerd had, zei hij: "Eerwaarde vader, _Deus faciat salvam
benignitaten vestram!_--Welkom in het groene woud!"
"Welke schandelijke vermomming is dit?" vroeg de Prior. "Vriend,
indien gij waarlijk tot de Kerk behoort, zoudt gij beter doen met
mij te wijzen, hoe ik uit de handen van deze menschen ontsnappen kan,
dan daar te staan buigen en grijnzen als een hansworst."
"Waarlijk, eerwaarde vader," zei de monnik, "ik ken slechts één
middel om te ontsnappen. Dit is voor ons een St. Andreas-dag, wij
nemen onze tienden."
"Maar toch niet van de Kerk, wil ik hopen, waarde broeder?" hernam
de Prior.
"Van geestelijken en leeken," hernam de monnik; "en derhalve, heer
Prior, _facite vobis amicos de Mammone iniquitatis_,--maakt u vrienden
uit den Mammon der ongerechtigheid, want geen andere vriendschap kan
u hier baten."
"Ik houd veel van een vroolijken jager," zei de Prior; "kom, gij
moet mij niet te streng behandelen.--Ik versta het jagerswerk, en kan
helder en lustig op den jachthoren blazen, zoodat alle eiken in het
woud er van weêrgalmen;--kom, gij moet mij niet te streng behandelen."
"Geeft hem een horen," zei de aanvoerder, "wij willen de kunst,
waarop hij zich beroemt, op de proef stellen."
De Prior Aymer blies op den horen, en de kapitein schudde het hoofd.
"Heer Prior," zei hij, "dit kan u niet verlossen--wij kunnen u
niet voor een klank vrij geven,--zooals het devies op het schild
van zekeren goeden ridder zegt. Buitendien heb ik ontdekt, dat gij
een van hen zijt, die door nieuwe Fransche kunsten en _Tra-li-ras_
de oude Engelsche klanken doet vergeten.--Prior, dit geblaas heeft
uw losgeld met vijftig kronen verhoogd, omdat gij het oude, echte,
manhaftige jagerslied bedorven hebt."
"Vriend," zei de Prior, benauwd, "uwe jachtkennis is zwaar te
voldoen. Ik bid u wat toegevender te zijn ten opzichte van mijn
losgeld. In één woord,--daar de nood mij dwingt voor ditmaal bij den
duivel te biecht te gaan, welk losgeld moet ik betalen, omdat ik den
weg naar Watling opging, zonder een bedekking van vijftig man bij
mij te hebben?"
"Zou het niet goed zijn," zei de luitenant der bende ter zijde tegen
den kapitein, "dat de Prior het losgeld van den Jood bepaalde, en de
Jood dat van den Prior?"
"Gij zijt een dolle vent," antwoordde de kapitein; "maar uw plan
is heerlijk!--Hier Jood!--kom hier.--Beschouw dien eerwaarden vader
Aymer, Prior van de rijke Abdij van Jorvaulx, en zeg ons, hoe hoog
wij zijn losgeld stellen kunnen?--Gij kent zeker de inkomsten van
zijn klooster?"
"O voorzeker," zei Izaäk, "ik heb handel gedreven met de goede vaders,
en tarwe en gerst en vruchten en ook veel wol van hen gekocht. O,
het is eene rijke Abdij, en zij leven van het vette der aarde en
drinken de lekkerste wijnen, die goede vaders van Jorvaulx. Och,
als een arm verstooten man, als ik, zulk een huis had, en zulk een
inkomen in het jaar en in de maand, dan zou ik veel goud en zilver
betalen, om mij uit de gevangenschap los te koopen."
"Hond van een Jood!" riep de Prior; "geen mensch weet beter dan gij,
dat ons heilig huis wegens het bouwen van een kansel schulden heeft."
"En wegens het vullen van uw kelders verleden jaar met de behoorlijke
hoeveelheid Gasconjer wijn," viel de Jood hem in de rede; "maar dat,
dat is eene kleinigheid."
"Hoort dien ongeloovigen hond!" riep de Prior; "hij praat, alsof
onze heilige broederschap in schulden geraakt ware voor den wijn,
welken wij verlof hebben te drinken, _propter necessitatem et ad
frigus depellendum_. De besneden hond lastert de heilige Kerk, en
Christenen luisteren naar hem en tuchtigen hem niet!"
"Dat baat alles niet;" zei de aanvoerder.--"Izaäk, zeg, wat kan hij
betalen, zonder hem het vel over de ooren te halen?"
"Zeshonderd kronen," antwoordde Izaäk, "kan de goede Prior wel betalen,
en hij zal er geene koude om lijden."
"Zeshonderd kronen," herhaalde de kapitein ernstig: "ik ben
tevreden;--gij hebt goed gesproken, Izaäk;--zeshonderd kronen,--het
vonnis is geveld, heer Prior."
"Een vonnis!--een vonnis!" riep de bende; "Salomo kon het niet beter
overlegd hebben."
"Gij hoort uw vonnis, Prior," zei de kapitein.
"Gij raast, vrienden," hernam de Prior; "waar zal ik zulk een som
vinden? Al verkocht ik de hostiekast en kandelaars van het altaar van
Jorvaulx, dan zou ik nauwelijks de helft bij elkander kunnen brengen,
en daarom zal ik zelf naar Jorvaulx moeten gaan; gij kunt mijne beide
priesters als borgen houden."
"Dat zou een slecht onderpand zijn," hervatte de kapitein, "wij zullen
u houden, Prior, en hen er heenzenden, om uw losgeld te halen. Het
zal u intusschen niet aan een beker wijn en een stuk wild ontbreken;
en als gij een vriend van de jacht zijt, dan zult gij hier iets zien,
dat gij in uwe noordsche streken nooit gezien hebt."
"Als het u behaagt," zei Izaäk, die zich gaarne de gunst der roovers
wilde verwerven, "kan ik naar York zenden, om de zeshonderd kronen te
laten halen, uit zekere gelden, die ik in handen heb, als de eerwaarde
Prior mij een schuldbekentenis daarvoor geven wil."
"Hij zal u alles geven wat gij verkiest, Izaäk," zei de kapitein;
"en gij zult het losgeld betalen voor den Prior Aymer zoowel als voor
u zelven."
"Voor mij zelven! Ach, dappere heeren!" smeekte de Jood, "ik ben een
arm, te gronde gericht man; en ik zou den bedelstaf moeten opvatten,
al moest ik maar vijftig kronen betalen."
"Hierover zal de Prior oordeelen," hernam de kapitein; "wat zegt gij
er van, vader Aymer?--Kan de Jood een goed losgeld betalen?"
"Of hij een losgeld kan betalen?" antwoordde de Prior.--"Is hij niet
Izaäk van York, rijk genoeg om de tien stammen Israëls, die naar
Assyrië gevoerd werden, uit de gevangenschap vrij te koopen?--Ik voor
mij, heb maar weinig van hem gezien, maar onze keldermeester en onze
schatmeester hebben veel met hem te doen gehad, en het gerucht zegt,
dat zijn huis te York zoo vol goud en zilver is, dat het schande is
in een Christenland. Iedere Christenziel moet verbaasd staan, dat
zulke vergiftigde adders geduld worden, die aan de ingewanden van den
staat, en zelfs van de heilige Kerk knagen door schandelijken woeker
en afpersingen."
"Ik bid u, eerwaarde vader," zei de Jood, "matig en bedaar uw toorn. Ik
bid u, bedenk dat ik mijn geld aan niemand opdring. Maar wanneer
geestelijken en leeken, vorsten en abten, ridders en priesters aan
Izaäks deur kloppen, dan leenen zij zijn _sjekels_ niet met onbeleefde
woorden. Dan luidt het: "Vriend Izaäk, wilt gij ons in deze zaak
een dienst doen, en wij zullen stiptelijk op den dag af betalen, zoo
waar God ons helpe!--Goede Izaäk, zoo gij ooit iemand dienst gedaan
hebt, zoo betoon u mijn vriend in dezen nood!" Maar als de dag komt,
en ik mijn geld vraag, wat hoor ik anders dan: "Vervloekte Jood,
de vloek van Egypte treffe uw stam!" en dergelijk meer, om het ruwe,
onbeschaafde gemeen tegen den armen vreemdeling op te hitsen."
"Prior," zei de kapitein, "ofschoon hij een Jood is, heeft hij nu
toch waarheid gesproken. Noem dus zijn losgeld, zooals hij het uwe
genoemd heeft, zonder verdere scheldwoorden."
"Niemand dan een _latro famosus_," hernam de Prior, "waarvan
ik u de beteekenis op een anderen tijd, en een andere plaats zal
zeggen,--zou een Christen-prelaat en een ongedoopten Jood op dezelfde
bank zetten.--Maar daar gij nu eenmaal wilt, dat ik het losgeld van
dezen ellendeling bepalen zal, zeg ik u ronduit, dat gij u zelven
benadeelen zoudt indien gij één penning beneden de duizend kronen
aannemen wildet."
"Een vonnis!--een vonnis!" zei de kapitein.
"Een vonnis!--een goed vonnis!" schreeuwden zijn makkers; "de Christen
heeft zijne goede opvoeding getoond, en is ons gunstiger geweest dan
de Jood."
"De God mijner vaderen sta mij bij!" zei de Jood; "wilt gij een armen
man geheel te gronde richten?--Ik ben reeds kinderloos, en wilt gij
mij nu nog van alle middelen van bestaan berooven?"
"Als gij kinderloos zijt, Jood, zult gij des te minder te zorgen
hebben," zei Aymer.
"Helaas, heer!" hernam Izaäk; "uwe wet laat niet toe, dat gij
ondervinden zoudt, hoe zeer het kind onzer liefde ons ter harte
gaat.--O Rebekka, dochter mijner beminde Rachel! Al ware ieder blad
van dien boom een _zechin_, en iedere _zechin_ behoorde mij toe, dien
geheelen schat zou ik er voor geven, om te weten of gij nog leeft,
en aan de handen van den Nazareër ontsnapt zijt!"
"Had uwe dochter geen zwart haar?" vroeg een der roovers; "en droeg
zij niet een sluier van zijden gaas met zilver geborduurd?"
"Ja!--ja!" riep de oude man, sidderende van hoop en angst. "Jacobs
zegen ruste op u! Kunt gij mij zeggen, of zij in veiligheid is?"
"Zij was het dus," antwoordde de schutter, "die de trotsche Tempelier
heeft medegevoerd, toen hij gisteren avond door onze rijen heen
brak. Ik had mijn boog reeds gespannen, om hem een pijl achterna
te zenden, maar ik spaarde hem om den wille van het meisje, daar ik
vreesde haar te kwetsen."
"Och!" hernam de Jood, "gave God, dat gij geschoten hadt, al
moest de pijl ook haar boezem doorboord hebben;--beter het graf
harer vaderen, dan het onteerende bed van den losbandigen, woesten
Tempelier. Ichabod! Ichabod! de eer van mijn huis is geschandvlekt."
"Vrienden," zei de aanvoerder, rondziende, "de grijsaard is maar een
Jood; toch treft mij zijn leed.--Wees eerlijk, Izaäk;--zult gij na dit
losgeld van duizend kronen betaald te hebben niets meer overhouden?"
Izaäk, dus aan zijne wereldsche goederen herinnerd, voor welke zijne
diep gewortelde liefde, zelfs met zijne vaderliefde in strijd was,
verbleekte, stamelde, en kon niet ontkennen, dat er nog wel een klein
overschot zou zijn.
"Goed," zei de kapitein, "laat dat zoo zijn; wij willen niet te nauw
met u rekenen. Zonder geld kunt gij even weinig hopen uw kind uit
de klauwen van den ridder Brian De Bois-Guilbert te verlossen, als
men hopen kan om een hert met een pijl zonder kop te dooden.--Wij
zullen u voor hetzelfde losgeld als de Prior Aymer, of liever voor
honderd kronen minder vrijlaten, en deze honderd kronen zal ik zelf
betalen; en zoo zullen wij den schimp vermijden van een Joodschen
koopman even hoog te schatten als een Christenprelaat; en gij zult
nog vierhonderd kronen overhouden, om over de vrijheid uwer dochter te
onderhandelen. De Tempelieren houden evenveel van het glinsteren van
zilveren _sjekels_ als van het schitteren van zwarte oogen.--Haast u,
om uw kronen in het oor van Bois-Guilbert te doen klinken eer het te
laat is. Gij zult hem, zooals onze verspieders bericht hebben, in de
naaste _Preceptory_ zijner orde vinden.--Is het zoo goed, makkers?"
De schutters gaven als gewoonlijk hun bijval over de uitspraak van hun
aanvoerder te kennen; en Izaäk, van de helft van zijn angst ontheven,
door de zekerheid, dat zijne dochter leefde, en misschien vrijgekocht
kon worden, wierp zich voor de voeten van den grootmoedigen roover,
en met zijn baard diens voeten rakende, beproefde hij om de slip
van zijn groen gewaad te kussen. De kapitein trad echter achteruit,
en maakte zich uit de handen van den Jood los, niet zonder eenige
teekens van verachting.
"Foei, man, schaam u, sta op! ik ben een geboren Engelschman, en
houd niet van zulke Oostersche kniebuigingen; kniel neder voor God,
en niet voor een armen zondaar, als ik ben."
"Ja, Jood," zei de Prior Aymer; "kniel neder voor God, die door den
dienaar van Zijn altaar hier wordt vertegenwoordigd; en wie weet, welke
genade gij door oprecht berouw en behoorlijke giften op het altaar van
St. Robert voor u zelven en uwe dochter Rebekka kunt verkrijgen? Het
spijt mij om het meisje, want zij is schoon en liefelijk; ik heb haar
in het strijdperk te Ashby gezien. Brian De Bois-Guilbert is een man,
bij wien ik veel vermag;--bedenk, hoe gij het verdienen kunt, dat ik
bij hem een goed woord voor u doe!"
"Helaas, helaas!" schreeuwde de Jood, "van alle kanten komen er
roovers tegen mij op; ik ben ten prooi gegeven aan den Assyriër en
den Egyptenaar!"
"En wat moest ook het lot van uw vervloekten stam zijn?" antwoordde de
Prior, "want wat zegt de Heilige Schrift, _verbum Domini projecerunt,
et sapientia est nulla in eis_:--zij hebben het Woord Gods verworpen,
en er is geen wijsheid in hen; _propterea dabo mulieres eorum
exteris_:--ik zal hun vrouwen aan vreemdelingen geven;--dat is, aan
den Tempelier, gelijk in het tegenwoordige geval; _et thesauros eorum
heredibus alienis_,--en hun schatten aan vreemde erven."
Izaäk slaakte een diepen zucht, en begon de handen te wringen en
zich weder aan neerslachtigheid en wanhoop over te geven. Maar de
aanvoerder der schutters nam hem ter zijde. "Bedenk wel, Izaäk, wat
gij in deze zaak doen wilt: mijn raad is, dat gij u dezen geestelijke
tot vriend maakt. Hij is ijdel, Izaäk, en gierig; ten minste hij
heeft geld noodig, om in zijne verspillingen te voorzien. Gij kunt
zijne hebzucht licht bevredigen; want denk niet, dat ik verblind
ben door uwe voorgewende armoede. Ik ken zelfs de ijzeren kist,
Izaäk, waarin gij uwe geldzakken bewaart. Hoe? zou ik den grooten
steen niet kennen onder den appelboom, welke toegang verschaft
tot de gewelfde kamer onder uw tuin, te York?" De Jood werd bleek
als de dood.--"Maar vrees niets van mij," ging de schutter voort:
"want wij zijn oude kennissen. Herinnert gij u den zieken jager niet,
dien uw schoone dochter Rebekka te York uit de gevangenis vrijkocht,
en in huis hield, totdat hij hersteld was, en dien gij toen heenzondt,
met een stuk geld; hoe groot een woekeraar gij ook zijt, gij hebt
nooit geld op betere renten uitgezet dan dat kleine zilverstuk;
want het heeft u heden vijfhonderd kronen bespaard."
"Zijt gij de man, dien wij Diccon de schutter noemden?" zei Izaäk;
"uw stem kwam mij terstond bekend voor."
"Ik ben die Diccon," zei de kapitein, "en Locksley, en heb nog één
naam bovendien."
"Maar gij vergist u, goede schutter, ten opzichte van de gewelfde
kamer. Zoo waar mij de hemel helpe, er is daar niets in dan
eenige goederen, die ik gaarne met u deelen wil:--honderd ellen
groen Lincolnsch om wambuizen voor uw manschappen te maken, en
honderd stuks Spaansche ijpentakken voor bogen, en honderd sterke,
ronde en schoone zijden boogstrengen;--dit alles zal ik u voor uwe
welwillendheid zenden, eerlijke Diccon, als gij van het gewelf zwijgen
wilt, goede Diccon!"
"Stil als het graf!" zei de roover; "maar geloof mij, het spijt mij
om uwe dochter. Ik kan er echter niets aan doen:--de lansen van den
Tempelier zijn te sterk voor mijne schutters.--Zij zouden ons als
stof doen uiteenvliegen. Had ik maar geweten, dat het Rebekka was,
die hij schaakte, dan had ik nog iets kunnen doen; maar nu moet gij
met list te werk gaan. Kom, zal ik voor u met den Prior onderhandelen?"
"In Gods naam, Diccon, als gij mij niet kunt helpen om het kind mijner
liefde terug te bekomen."
"Hinder mij niet door uwe ontijdige gierigheid," zei de kapitein,
"en ik zal met hem spreken."
Hierop verliet hij den Jood, die hem evenwel als zijne schim volgde.
"Prior Aymer," zei de kapitein, "kom met mij ter zijde, onder dezen
boom. Men zegt, dat gij van den wijn en den glimlach eener vrouw
meer houdt, dan uwe orde betaamt, heer priester; maar dat raakt
mij niet. Ik heb ook gehoord, dat gij een liefhebber zijt van een
koppel goede honden en van een vlug paard, en mogelijk, daar gij
een vriend zijt van kostbare dingen, zijt gij ook geen vijand van
een beurs vol goud. Maar nimmer hoorde ik, dat gij een vriend waart
van onderdrukking of wreedheid.--Welnu, hier staat Izaäk, die u de
middelen van vermaak en tijdverdrijf wil verschaffen door een beurs
met honderd mark zilver, indien uwe voorspraak bij uw bondgenoot,
den Tempelier, de vrijheid zijner dochter bewerkt."
"In tucht en eerbaarheid, zooals ze mij ontroofd is," zei de Jood,
"anders geldt de koop niet!"
"Stil, Izaäk," zei de roover, "of ik bemoei mij niet meer met uw
zaken. Wat zegt gij van dezen voorslag, Prior Aymer?"
"De zaak," antwoordde de Prior, "kan van twee kanten beschouwd worden;
want zoo ik van den éénen kant eene goede daad verricht, zoo is die van
den anderen kant ten voordeele van een Jood, en in zoover in strijd
met mijn geweten. Maar als de Israëliet der Kerk voordeel aanbrengen
wil, door mij iets te geven tot het opbouwen onzer slaapzalen, dan
wil ik het op mijn geweten nemen om hem in de zaak met zijne dochter
te helpen."
"Om een twintig mark voor de slaapzalen," zei de kapitein;--"zwijg,
Izaäk, zeg ik u!--of om een paar zilveren kandelaars op het altaar,
zullen wij niet met u twisten."
"Ja, maar, goede Diccon," zei Izaäk, trachtende hem in de rede
te vallen.
"Goede Jood,--goed dier,--goede worm!" hernam de schutter, alle geduld
verliezende; "zoo gij voortgaat met uw verachtelijke gierigheid
tegen het leven en de eer uwer dochter in de weegschaal te leggen,
bij den hemel, dan zal ik u, eer drie dagen verloopen zijn, van
iederen penning berooven, dien gij in de wereld bezit!"
Izaäk kromp van schrik ineen, en zweeg.
"En welk onderpand krijg ik?" vroeg de Prior.
"Als Izaäk door uwe bemiddeling slaagt," hervatte de kapitein,
"dan zweer ik bij St. Hubertus, dat ik er voor zorgen zal, dat hij
u het geld baar uitbetaalt; of ik zal zoodanig met hem afrekenen,
dat hij beter gedaan had twintig zulke sommen uit te betalen."
"Welaan dan, Jood," zei Aymer; "daar ik mij volstrekt met die zaak
moet bemoeien, leen mij uwe schrijftafels;--maar wacht,--neen, ik zou
liever vierentwintig uren vasten, dan uwe pen gebruiken, en waar zal
ik er eene andere vinden?"
"Indien uwe heilige nauwgezetheid u niet veroorlooft de schrijftafels
van den Jood te gebruiken, dan kan ik wel eene pen vinden," zei
de schutter, en, zijn boog spannende, mikte hij op een wilde gans,
welke boven hem zweefde, in de voorhoede van eene vlucht vogels, op
weg naar de afgelegen en eenzame moerassen van Holderness. De vogel
fladderde, door den pijl getroffen, naar beneden.
"Daar, Prior," zei de kapitein, "zijn pennen genoeg voor alle monniken
van Jorvaulx gedurende de eerste honderd jaren, als ze niet beginnen
kronieken te schrijven."
De Prior zette zich neder, en schreef zeer langzaam een brief aan
Brian De Bois-Guilbert, en dien zorgvuldig verzegeld hebbende,
gaf hij hem aan den Jood, zeggende: "Dit zal uw vrijgeleide naar
de _Preceptory_ van Templestowe zijn, en zal waarschijnlijk de
vrijstelling uwer dochter bewerken, zoo ge er kracht bijzet door
aanbiedingen van voordeel van uw kant; want, geloof mij, de goede
ridder De Bois-Guilbert is van de broederschap van hen, die niets om
niet doen."
"Wel, Prior," zei de roover, "ik wil u niet langer ophouden, dan om
den Jood eene schuldbekentenis voor de vijfhonderd kronen, waarop
uw losgeld bepaald is, te geven.--Ik neem hem tot betaalmeester aan;
en zoo ik hoor, dat ge zwarigheid maakt om hem de som, die hij voor
u uitbetaalde, terug te geven, dan zweer ik bij de Heilige Maria,
dat ik de Abdij boven uw hoofd in brand zal steken, al moet ik daarom
ook tien jaren vroeger hangen!"
Met veel minder bereidwilligheid, dan aan den Tempelier, schreef de
Prior eene schuldbekentenis van vijfhonderd kronen, hem in zijn nood
voorgeschoten door Izaäk van York, ter afdoening van zijn losgeld,
en beloofde getrouw en eerlijk deze som terug te betalen.
"En nu," zei Aymer, "verzoek ik u om teruggave van mijne muilezels en
paarden, en om de vrijheid der eerwaarde broeders, die mij vergezellen;
en ook om de teruggave der juweelen, ringen, kleinoodiën, en prachtige
kleedingstukken, welke men mij ontroofd heeft, daar ik u mijn losgeld
als gevangene voldaan heb."
"Wat uwe geestelijke broeders betreft, heer Prior," antwoordde
Locksley, "ze zullen dadelijk in vrijheid worden gesteld, daar het
onrechtvaardig zou zijn hen nog gevangen te houden; wat uwe paarden en
muilezels betreft, die zullen ook teruggegeven worden, met reisgeld
genoeg om uwe vertering tot York te betalen; want het zou wreed zijn
u de middelen om te reizen te benemen. Maar wat de ringen, juweelen,
ketenen en dergelijke dingen aangaat, moet ge weten, dat wij een fijn
geweten hebben, en dat wij een eerwaarden heer, zooals gij zijt, die
voor de ijdelheden der wereld afgestorven moest zijn, niet in de zware
verzoeking willen brengen, om den regel zijner instellingen door het
dragen van ringen, ketenen of dergelijke ijdele pracht te schenden."
"Bedenkt wat ge doet, mijn heeren," riep de Prior, "eer ge de handen
aan kerkelijk goed slaat.--Deze dingen behooren _inter res sacras_,
en wie weet, welk oordeel u treft, als ze in ongewijde handen blijven."
"Daarvoor zal ik zorgen, eerwaarde Prior," zei de kluizenaar van
Copmanshurst, "want ik zal ze zelf dragen."
"Vriend, of broeder," antwoordde de Prior op deze oplossing van zijne
zwarigheden, "als gij waarlijk tot een heilige orde behoort, zoo bid
ik u toe te zien, hoe ge aan uw bisschop wegens uwe deelneming aan
hetgeen heden gebeurd is, rekenschap zult geven!"
"Vriend Prior," hernam de heremiet, "ge moet weten, dat ik tot een
klein bisdom behoor, waar ik mijn eigen bisschop ben, en dat ik mij
even weinig om den bisschop van York als om den Abt van Jorvaulx,
den Prior en het geheele klooster bekommer."
"Gij zijt geheel en al buiten den regel," zei de Prior; "een dier
losbandige menschen, die zich den heiligen stand, zonder er eenig
recht op te hebben, aanmatigen; de heilige plechtigheid ontwijden,
en de zielen van diegenen in gevaar brengen, welke hun raad vragen:
_lapides, pro pane condonantes iis_,--hun steenen in plaats van brood
gevende, zooals de _Vulgata_ zegt."
"Wel!" hervatte de monnik; "zoo mijn hersenpan door Latijn had kunnen
gebroken worden, had ze het zoo lang niet uitgehouden. Ik zeg, dat
zulke ijdele priesters, als gij zijt, van hunne juweelen en hun goud
te berooven, eene wettige plundering der Egyptenaren is."
"Gij zijt een verloopen priester," [32] zei de Prior, in grooten toorn,
"_excommunicabo vos_!"
"Gij zijt zelf een ketter en dief!" hernam de monnik, even verbitterd;
"ik zal in tegenwoordigheid van mijne kudde zulk een schimp niet
verdragen, als gij het waagt mij aan te doen: ofschoon ik uwe eerwaarde
broeder ben; _ossa eius perfringam_, ik zal u de beenderen stuk slaan,
zooals de _Vulgata_ zegt!"
"Hola!" riep de kapitein, "gebruiken de eerwaarde broeders zulke
uitdrukkingen?--Vrede, monnik!--Prior: als gij uwe rekening met den
hemel niet gesloten hebt, terg dan den monnik niet verder! Heremiet,
laat den eerwaarden vader in vrede vertrekken, als een man, die zijn
losgeld betaald heeft!"
De schutters scheidden de verbitterde priesters, die voortgingen
hun stemmen te verheffen, terwijl zij elkander uitscholden in
slecht Latijn, dat de Prior zeer vlug, en de kluizenaar met des te
grooter hevigheid sprak. De Prior bedacht eindelijk, dat hij zijne
waardigheid vergat door te twisten met zulk een geestelijke, als
den rooverkapelaan, en zijne dienaren verzameld hebbende, reed hij
weg met veel minder deftigheid, en wat den uiterlijken vorm betrof,
op eene veel meer apostolische wijze, dan die waarop hij gekomen was.
Nu moest de Jood nog eenig onderpand geven voor het losgeld, dat hij
voor den Prior en zichzelven zou betalen. Hij gaf dus een met zijn
zegel voorzien briefje voor een geloofsgenoot te York, hem gelastende
aan toonder de som van duizend kronen te betalen, en hem zeker genoemde
waren over te geven.
"Mijn broeder Sheva," zei hij met een diepen zucht, "heeft den sleutel
van mijne magazijnen."
"En van de gewelfde kamer?" fluisterde Locksley hem toe.
"Neen, neen, de Hemel beware mij!" riep Izaäk. "Vervloekt zij het uur,
waarop iemand dit geheim vernam!"
"Het is bij mij wel bewaard," zei de kapitein, "als mij dit briefje
de daarin genoemde som verschaft.--Maar hoe is het, Izaäk? Zijt gij
dood? Zijt gij verstomd? Heeft de betaling van duizend kronen u het
gevaar uwer dochter uit den zin gebracht?"
De Jood sprong op.--"Neen, Diccon, neen!--ik zal dadelijk
vertrekken.--Vaarwel, gij, dien ik niet voor goed kan, en niet voor
kwaad zou durven, of willen houden!"
Eer Izaäk vertrok, gaf de roover-kapitein hem nog den volgenden
raad tot afscheid:--"Wees mild met uw aanbiedingen, Izaäk, en spaar
uwe beurs niet, om uwe dochter te bevrijden. Geloof mij, het goud,
dat gij in deze zaak spaart, zal u in het vervolg evenveel kwelling
veroorzaken, alsof het gesmolten in uw keel gegoten ware."
Izaäk stemde er met een diepen zucht in toe, en begaf zich op reis,
vergezeld van twee forsche jagers, om hem tot gidsen en tegelijk tot
beschermers in het bosch te dienen.
De Zwarte Ridder, die met niet weinig belangstelling deze verschillende
tooneelen bijgewoond had, nam nu op zijne beurt afscheid van den
vogelvrijverklaarde, en kon niet nalaten zijne verbazing te kennen
te geven, dat hij zooveel orde vond onder menschen, die van alle
geregelde bescherming en alle hulp der wet verstoken waren.
"Er groeien soms goede vruchten aan een slechten boom," zei de
schutter, "en slechte tijden brengen niet altijd alleen en onvermengd
kwaad voort. Onder hen, die tot dezen wetteloozen staat vervallen
zijn, vindt men zonder twijfel velen, die hunne vrijheid met eenige
gematigdheid gebruiken, en eenigen, die zich wellicht beklagen,
dat zij verplicht zijn zulk een leven te leiden."
"En tot een der laatsten spreek ik nu, gelijk ik vermoed?" vroeg
de ridder.
"Heer ridder," antwoordde de roover; "wij hebben ieder ons geheim. Gij
hebt vrijheid om over mij te denken zooals gij verkiest; en ik mag
mijn gissingen omtrent u maken, ofschoon wij het misschien beiden
mis hebben. Maar daar ik niet begeer in uw geheim te dringen, neem
mij niet kwalijk, dat ik het mijne bewaar."
"Ik verzoek verschooning," hernam de ridder, "uw verwijt is
billijk. Maar mogelijk ontmoeten wij elkander in het vervolg met
minder geheimzinnigheid van weerskanten.--Intusschen scheiden wij
als goede vrienden, niet waar?"
"Daar hebt gij er mijn hand op," hervatte Locksley, "en ze is die van
een oprechten Engelschman, ofschoon ik thans een vogelvrijverklaarde
ben."
"En daar hebt gij de mijne," zei de ridder, "en ik beschouw het als
eene eer, dat ze door de uwe gedrukt wordt; want hij, die goed doet,
terwijl hij de onbepaalde macht heeft om kwaad te doen, verdient niet
alleen lof voor het goede, dat hij verricht, maar ook voor het kwaad,
dat hij voorkomt.--Vaarwel, dappere vriend!"
Zoo scheidden de beiden; en, na zijn moedig strijdros bestegen te
hebben, reed de ridder door het woud weg.