Beklim den wachttoren ginds,
Beschouw het slagveld: beschrijf ons het gevecht!
Schiller's Maagd van Orleans.
Een oogenblik van gevaar is dikwijls ook het oogenblik van openhartige
genegenheid en liefde. Wij vergeten onze voorzichtigheid in de hevige
ontroering onzer gevoelens, en wij verraden dan dikwijls aandoeningen,
welke, in kalme oogenblikken, de bedaardheid ons doet verbergen,
zoo niet geheel en al onderdrukken. Toen Rebekka zich weder naast
het bed van Ivanhoe bevond, was zij zelve verwonderd over het geluk
dat zij smaakte, op een oogenblik, dat beiden in gevaar, zoo niet
reddeloos verloren waren. Toen zij hem den pols voelde, en naar
zijne gezondheid vroeg, lag er in hare aanraking en in hare stem
eene teederheid, welke eene grootere belangstelling te kennen gaf,
dan zij zelve zou gewenscht hebben uit te drukken. Hare stem beefde,
zij zelve sidderde, en het was slechts de koele vraag van Ivanhoe:
"Zijt gij het, mijne vriendin?" welke hare bedaardheid terugriep, en
haar herinnerde, dat de gevoelens, die zij koesterde, niet wederkeerig
waren en zulks ook niet worden konden. Een zucht ontsnapte haar, maar
een zucht, die nauwelijks hoorbaar was, en de vragen, welke zij den
ridder omtrent zijn toestand deed, waren in den toon der bedaardste
vriendschap. Ivanhoe antwoordde dadelijk, dat hij, ten opzichte
der gezondheid, zoo wel was, en zelfs beter, dan hij verwacht kon
hebben.--"Dank," zei hij, "uw kundige hulp, waarde Rebekka."
"Hij noemt mij waarde Rebekka," zei het meisje in zich zelve, "maar
op een kouden en onverschilligen toon, welke slecht met het woord
overeenkomt. Zijn strijdpaard,--zijn jachthond zijn hem liever dan
de verachte Jodin."
"Mijn gemoed wordt meer door angst gekweld, meisje," ging Ivanhoe
voort, "dan mijn lichaam door pijn. Uit het gesprek der mannen, die
mij zooeven oppasten, verneem ik, dat ik een gevangene ben, en, zoo
ik mij niet vergis, naar de harde, gebiedende stem te oordeelen welke
hen van hier riep, om den een of anderen krijgsdienst te verrichten,
dan ben ik in het kasteel van Front-de-Boeuf.--Zoo ja, hoe zal dit
afloopen,--en hoe zal ik Rowena en mijn vader beschermen?"
"Hij noemt den Jood en de Jodin in het geheel niet," zei Rebekka in
zich zelve; "maar wat is hem aan ons gelegen,--en hoe rechtvaardig
word ik door den Hemel gestraft, omdat mijne gedachten met hem vervuld
zijn!" Zij haastte zich na deze korte zelfbeschuldiging, om Ivanhoe
alles mede te deelen wat zij wist; maar het kwam slechts hier op neêr,
dat de Tempelier, Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf in het kasteel
het bevel voerden; dat het van buiten belegerd werd, maar door wien,
wist zij niet. Zij voegde er bij, dat er een Christenpriester in het
kasteel was, die hun misschien nader bericht kon geven.
"Een Christenpriester?" zei de ridder met blijdschap; "breng hem
hierheen, Rebekka, zoo gij kunt,--zeg, dat een zieke zijne geestelijke
hulp begeert,--zeg, wat gij wilt; maar breng hem hier;--ik moet iets
doen of ondernemen; maar hoe kan ik tot iets besluiten, eer ik weet
hoe de zaken buiten staan?"
Rebekka deed die poging, volgens Ivanhoe's wensch, om Cedric te
halen, die, zooals wij reeds gezien hebben door de tusschenkomst
van Urfried werd teleurgesteld, die ook op den loer gestaan had,
om den gewaanden monnik te spreken. Rebekka keerde terug, om Ivanhoe
den ongelukkigen afloop van hare boodschap te melden. Zij hadden niet
veel tijd om dit te betreuren, of te overleggen door welk middel men
iets vernemen kon; want de onrust in het kasteel, veroorzaakt door
de voorbereidingen tot verdediging, welke een tijdlang geduurd had,
ging nu in een tienmaal sterker geraas en geschreeuw over. De zware
en haastige stap der krijgslieden liet zich op de muren hooren, of
weergalmde in de nauwe, kronkelende gangen en op de trappen, welke naar
de verschillende buitenwerken en versterkte wallen leidden. Men hoorde
de stemmen der ridders, die hunne manschappen aanvuurden, of middelen
van verdediging beraamden, terwijl hunne bevelen dikwijls verloren
gingen onder het gekletter der wapens, of het geschreeuw van hen,
tot welke ze gericht werden. Hoe schrikbarend ook deze klanken waren,
die nog ijselijker gemaakt werden door hetgeen ze voorspelden, ging er
een zekere grootschheid mede gepaard, voor welke Rebekka's hoogmoedige
geest, zelfs in dat oogenblik van gevaar, niet ongevoelig bleef. Haar
oog glinsterde, ofschoon het bloed hare wangen verliet, en er was eene
vermenging van vrees en van een treffend gevoel van het verhevene
in haar ziel, toen ze, half tegen den gewonden ridder sprekende,
deze woorden uit de Heilige Schrift herhaalde: "De pijlkoker ratelt,
de glinsterende speer en het schild,--het geroep der aanvoerders en
het krijgsgeschreeuw."
Maar Ivanhoe was, als het strijdpaard, in die verhevene plaats vermeld,
brandende van ongeduld over zijne werkeloosheid en met het vurig
verlangen om aan den strijd deel te nemen, welken al deze drukten
verkondigden. "Zoo ik maar naar gindsch venster kon sluipen," zei hij,
"om te zien, hoe die edele kamp afloopen zal. Als ik maar een boog
had, om een pijl af te schieten, of een strijdbijl, om slechts één
enkelen slag voor onze bevrijding te doen!--Het is vergeefs, het is
vergeefs. Ik lig hier zonder kracht of wapens!"
"Kwel u niet, edele ridder," antwoordde Rebekka, "het geraas heeft
eensklaps opgehouden;--het is mogelijk, dat ze niet handgemeen worden."
"Gij begrijpt het niet," riep Wilfrid ongeduldig; "deze doodelijke
stilte bewijst slechts, dat de krijgslieden op hun post zijn, en
een onmiddellijken aanval verwachten. Hetgeen wij gehoord hebben,
was slechts het verwijderd dreigen van den storm,--die dadelijk in
volle woede uitbarsten zal.--Kon ik slechts gindsch venster bereiken!"
"Ge zoudt u daardoor zelf benadeelen, edele ridder," hernam Rebekka;
en zijn vurig verlangen begrijpende, voegde ze er op vasten toon bij:
"Ik zelf zal achter de traliën gaan staan, en u, zoo goed ik kan,
verhalen wat er buiten omgaat."
"Gij moet niet,--gij zult niet!" riep Ivanhoe; "iedere tralie, iedere
opening zal weldra een mikpunt voor de boogschutters zijn;--een of
ander op goed geluk afgeschoten pijl zou--"
"Welkom zijn," zei Rebekka in zich zelve, terwijl ze met vasten
tred een paar trapjes besteeg, die naar het venster leidden, waarvan
ze spraken.
"Rebekka, waarde Rebekka!" riep Ivanhoe, "dit is geene zaak voor
vrouwen;--stel u niet aan wonden en dood bloot, en maak mij niet
voor altijd ongelukkig door het denkbeeld, dat ik daartoe aanleiding
gegeven heb; bedek u ten minste met gindsch oud schild, en vertoon
u zoo weinig mogelijk aan het venster."
Rebekka volgde met verwonderlijke gevatheid Ivanhoe's voorschriften;
en daar ze zich met het breede, oude schild bedekte, dat ze tegen
den rand van het venster plaatste, kon ze met vrij groote veiligheid
gedeeltelijk zien wat er buiten het kasteel voorviel, en Ivanhoe
van de toebereidselen onderrichten, welke de belegeraars tot den
storm maakten. Wezenlijk was de plaats, welke ze dus innam, bijzonder
geschikt tot dit oogmerk, daar ze, uit dezen hoek van het hoofdgebouw,
niet alleen zien kon wat er in den omtrek van het kasteel omging,
maar ook het buitenwerk in het gezicht had, dat waarschijnlijk
het eerste punt van den voorgenomen aanval zijn zou. Dit was een
vestingwerk van geringe hoogte en sterkte, bestemd om het poortje
te dekken, waardoor Front-de-Boeuf kort te voren Cedric uitgelaten
had. De gracht van het kasteel scheidde deze soort van bruggenhoofd
van het overige der vesting, zoodat, als het ingenomen werd, men
gemakkelijk alle gemeenschap met het hoofdgebouw kon afsnijden door
de brug af te breken. In het buitenwerk was een deur voor den uitval,
vlak tegenover het poortje, en het geheel was omgeven door sterke
palissaden. Rebekka kon uit het aantal manschappen, welke opgesteld
waren om dezen post te verdedigen, opmerken, dat de belegerden voor de
veiligheid er van bevreesd waren; en daar de belegeraars zich bijna
vlak tegenover de poort schaarden, scheen het niet minder duidelijk,
dat ze die als een zwak punt beschouwden.
Deze opmerkingen deelde zij haastig aan Ivanhoe mede, en voegde er
bij: "De zoom van het bosch schijnt met boogschutters bezet te zijn,
ofschoon er maar weinigen uit het dichte lommer te voorschijn gekomen
zijn."
"Onder welke banier?" vroeg Ivanhoe.
"Onder geen banier, voor zoover ik ontdekken kan," antwoordde Rebekka.
"Een zonderlinge verschijning," prevelde de ridder, "zulk een kasteel
te bestormen, zonder vaandel of banier te toonen.--Ziet gij ook wie
de aanvoerders zijn?"
"Een ridder in eene zwarte wapenrusting valt het meest in het oog,"
zei de Jodin; "hij alleen is van top tot teen gewapend, en schijnt
het bevel over allen, die hem omringen, te voeren."
"Welk devies voert hij op zijn schild?" ging Ivanhoe voort.
"Iets, dat naar een ijzeren staf gelijkt, en een hangslot, dat in
blauwe kleuren op het zwarte schild glinstert." [26]
"Een slot en boeien op een blauw veld," zei Ivanhoe; "ik weet niet,
wie dit wapen draagt; maar ik weet wel dat het thans het mijne kon
zijn. Kunt gij het devies niet onderscheiden?"
"Nauwelijks het wapen zelf op dezen afstand," hernam Rebekka; "maar
als de zon helder op zijn schild schijnt, dan ziet het er uit, zooals
ik gezegd heb."
"Vertoonen er zich geen andere aanvoerders?" riep de ongeduldige
ridder.
"Geen van hoogen rang, of die zich uiterlijk onderscheiden, voor zoover
ik van deze standplaats zien kan," hernam Rebekka; "maar zonder twijfel
wordt de andere zijde van het kasteel ook aangevallen. Zij schijnen
nu gereed om voorwaarts te trekken.--God van Sion, bescherm ons!--Welk
een verschrikkelijk gezicht!--Zij, die het eerst vooruitdringen, dragen
groote schilden en schermdaken, uit planken gemaakt; en anderen volgen,
terwijl zij hun bogen spannen. Zij verheffen de bogen!--God van Mozes,
vergeef het den schepselen, die Gij geschapen hebt!"
Hier werd haar beschrijving plotseling afgebroken door het teeken
tot de bestorming, dat door een schellen horen gegeven, en dadelijk
beantwoord werd door het geschal der Normandische trompetten
van de wallen, hetwelk, vermengd met het dof en hol geluid der
_mossels_ (een soort van pauken) trots de uitdaging van den vijand
beantwoordde. Het geschreeuw van beide partijen vermeerderde het
gedruisch, daar de aanvallers riepen: "St. George voor Engeland!" en
de Normandiërs antwoordden met het geroep van: "_En avant De
Bracy! Beauséant! Beau-Séant! Front-de-Boeuf à la rescousse!_"--de
onderscheidene oorlogskreten van hunne verschillende aanvoerders.
Het was echter niet door geschreeuw, dat de strijd te beslissen was,
en de wanhopige pogingen der aanvallers werden door een even krachtige
verdediging van den kant der belegerden ontmoet. De boogschutters,
door lange oefening in hun landelijke vermaken reeds zeer goed
aan het gebruik van den boog gewend, schoten zoo volmaakt juist,
dat geen punt, waar een verdediger het geringste gedeelte van zijn
lichaam vertoonde, aan hun lange pijlen ontging. Door dezen hagelbui
van pijlen,--waarvan echter ieder zijn bijzonder wit had,--die met
dozijnen tegelijk tegen alle schietgaten en openingen in de muren
vlogen, zoowel als tegen ieder venster, waar toevallig een verdediger
geplaatst was, of verondersteld werd te staan;--door dezen hagelbui
van pijlen werden een paar van het garnizoen gedood, en verscheidene
anderen gekwetst. Maar, vertrouwende op hunne goede wapenrusting en
op de bescherming, welke hunne standplaats hun verschafte, toonden de
lieden van Front-de-Boeuf en zijne bondgenooten eene hardnekkigheid in
de verdediging, welke geëvenredigd was aan de woede van den aanval,
en beantwoordden de pijlschoten der aanvallers met hunne handbogen,
lange bogen, slingers, en werpspiesen; en daar de belegeraars meestal
slecht beschermd waren, zoo leden zij een grooter verlies dan zij den
belegerden konden toebrengen. Het fluiten der pijlen en spiesen van
beide zijden werd alleen afgebroken door het geschreeuw, dat ontstond,
als een van beide partijen een aanmerkelijk voordeel behaalde, of
nadeel leed.--
"En ik moet hier liggen als een zieke monnik," riep Ivanhoe uit,
"terwijl andere handen het spel uitspelen, dat mij de vrijheid of den
dood moet geven!--Zie nog eens uit het venster, meisje; maar pas op,
dat de boogschutters beneden u niet opmerken.--Zie nog eens en zeg mij,
of zij tot den storm voorwaarts trekken."
Met een geduldigen moed, die versterkt was geworden door den
tusschentijd, welken zij in stille aandacht had doorgebracht, vatte
Rebekka weder post bij het venster, maar verborg zich echter zoo,
dat zij van beneden niet zichtbaar was. "Wat ziet gij, Rebekka?" vroeg
weder de gewonde ridder.
"Niets dan een hagelbui van pijlen, zoo dicht, dat zij mij de oogen
verblinden, en de schutters verbergen, die ze afschieten."
"Dat kan zoo niet voortduren," zei Ivanhoe; "als zij het kasteel niet
met geweld aantasten, dan zal het pijlschieten maar weinig baten
tegen steenen muren en bolwerken. Zie eens naar den ridder met het
wapenschild, schoone Rebekka, en zeg mij, hoe hij zich gedraagt;
want zooals de aanvoerder is, zoo zullen zijn lieden zijn."
"Ik zie hem niet," antwoordde Rebekka.
"O die lafaard!" riep Ivanhoe, "wijkt hij van het roer, als de wind
het hevigst waait?"
"Hij wijkt niet! hij wijkt niet!" hernam Rebekka, "ik zie hem
nu; hij brengt een troep dicht onder de buitenste _barrière_ van
het bruggenhoofd [27].--Zij halen de palen omver, zij hakken de
_barrières_ met bijlen om,--zijn hooge zwarte vederbos fladdert over
de menigte heen, gelijk een raaf over het slagveld;--zij hebben eene
opening in de _barrière_ gemaakt--zij stormen er in;--zij worden
teruggeworpen!--Front-de-Boeuf is aan het hoofd der belegerden; ik
zie zijn reusachtige gedaante boven den hoop uitsteken. Zij dringen
wederom naar de opening, en de doortocht wordt hand tegen hand en man
tegen man betwist. God van Jakob! zoo ontmoeten elkander twee woedende
stroomen,--zoo bruisen twee door winden bewogen zeeën tegen elkander."
Zij wendde het hoofd van het venster weg, alsof zij niet meer in
staat was zulk een verschrikkelijk gezicht te verdragen.
"Zie nog eens naar buiten, Rebekka," zei Ivanhoe, die de reden waarom
zij hare plaats verlaten had, verkeerd uitlegde; "het schieten moet
eenigszins opgehouden hebben, daar zij nu handgemeen zijn.--Zie nog
eens naar buiten;--er is nu minder gevaar bij."
Rebekka zag weder naar buiten, en riep bijna onmiddellijk: "Heilige
Profeten! Front-de-Boeuf en de Zwarte Ridder zijn handgemeen in de
bres, onder het geschreeuw hunner soldaten, die den uitslag van het
gevecht gadeslaan.--Hemel, sta de zaak der onderdrukten en gevangenen
bij!" Hierop gaf ze een luiden gil, en riep uit: "Hij valt!--hij valt!"
"Wie valt?" riep Ivanhoe, "in naam der Heilige Maagd, zeg mij, wie
is gevallen?"
"De Zwarte Ridder," antwoordde Rebekka half onmachtig, maar terstond
daarna riep ze weder met blijde drift: "Maar neen,--maar neen,--maar
neen--de naam van den Heer der heirscharen zij geloofd!--hij
staat weder, en vecht alsof hij de kracht van twintig man in zijn
enkelen arm had;--zijn zwaard is gebroken;--hij grijpt de bijl
van een schutter;--hij dringt op Front-de-Boeuf aan, met slag en
stoot.--De reus wijkt en wankelt, gelijk een eik onder de bijl van
den houthakker;--hij valt--hij valt!"
"Front-de-Boeuf?" riep Ivanhoe.
"Front-de-Boeuf," antwoordde de Jodin; "zijne manschappen snellen
hem ter hulp, onder aanvoering van den trotschen Tempelier;--hunne
vereenigde krachten verhinderen den ridder verder te dringen;--zij
sleepen Front-de-Boeuf binnen de muren."
"De bestormers hebben de _barrières_ toch ingenomen, niet waar?" vroeg
Ivanhoe.
"Wel zeker,--wel zeker,--en ze maken een hevigen aanval op den
buitenwal; eenigen zetten ladders, anderen zwermen gelijk bijen,
en trachten op elkanders schouders te stijgen.--Steenen, balken en
boomstammen vallen naar beneden op hun hoofden, en zoodra zij de
gekwetsten naar de achterhoede brengen, nemen nieuwe strijders hun
plaats in.--Groote God! hebt Gij den mensch daarom naar Uw evenbeeld
geschapen, opdat hij aldus wreedelijk door de handen zijner broeders
misvormd zou worden!"
"Denk daar niet aan," hernam Ivanhoe; "dit is geen tijd voor zulke
gedachten.--Wie wijkt?--wie dringt vooruit?"
"De ladders worden omvergeworpen," hernam Rebekka, ijzende; "de
soldaten liggen er onder gelijk verpletterde wormen.--De belegerden
hebben de overhand!"
"St. George sta ons bij!" zei de ridder; "wijken die valsche
schutters?"
"Neen!" riep Rebekka, "zij houden zich dapper; de Zwarte Ridder nadert
het poortje met zijne ontzaglijke bijl;--de donderende slagen, welke
hij er aan toebrengt, kunt gij boven al het gedruisch en geschreeuw
van het gevecht uit hooren.--Steenen en balken worden op den stouten
strijder neêrgestort;--hij let er niet meer op, dan of het vederen
waren!"
"Bij St. Jean d'Acre!" zei Ivanhoe, zich verheugd op zijne legerstede
verheffende, "ik dacht, dat er slechts één man in Engeland was,
die zoo iets zou kunnen verrichten!"
"De poort bezwijkt," ging Rebekka voort; "zij kraakt,--zij wordt
verbrijzeld door zijn slagen;--zij stormen er in;--het buitenwerk
is veroverd;--o God!--zij werpen de verdedigers van den wal naar
beneden;--zij storten hen in de gracht;--o menschen, zoo gij inderdaad
menschen zijt, spaart hen, die niet langer weerstand kunnen bieden!"
"De brug,--de brug, die gemeenschap heeft met het kasteel,--hebben
zij die bezet?" riep Ivanhoe uit.
"Neen!" hervatte Rebekka, "de Tempelier heeft de plank, waarop hij
zich terugtrok, vernield;--weinigen der verdedigers zijn met hem
in het kasteel ontkomen;--het geschreeuw en gekerm, dat gij hoort,
onderricht u van het lot der overigen. Helaas! ik zie, dat het nog
moeielijker is naar de overwinning, dan naar den strijd te zien."
"Wat doen ze nu, meisje?" vroeg Ivanhoe; "zie nog eens uit;--dit is
geen tijd om voor bloedvergieten te schrikken."
"Het is vooreerst gedaan," antwoordde Rebekka; "onze vrienden
versterken zich in het buitenwerk, dat zij veroverd hebben, en het
verschaft hun eene zoo volkomene bescherming tegen de pijlen der
vijanden, dat de bezetting slechts eenige schichten op hen afschiet,
als het ware meer om hen te verontrusten, dan om hen wezenlijk te
benadeelen."
"Onze vrienden," zei Wilfrid, "zullen zeker eene onderneming niet
opgeven, die zoo roemrijk begonnen en tot dusver zoo wel geslaagd
is.--Zeker niet! ik vertrouw op den dapperen ridder, wiens bijl eiken
balken en ijzeren staven vernield heeft.--Zonderling," prevelde hij
bij zich zelven, "dat er twee menschen zouden zijn, die zulk een stout
waagstuk ondernemen;--een slot en boeien op een blauw veld;--wat moet
dat beduiden? Ziet ge niets anders, Rebekka, waardoor de Zwarte Ridder
zich onderscheidt?"
"Niets," zei de Jodin; "alles wat hij aan heeft is zwart, als de
vleugel van de raaf. Ik kan verder niets ontdekken dat hem kenmerkt,
maar, nadat ik hem eenmaal zijne kracht in den slag heb zien ten toon
spreiden, dunkt mij, dat ik hem onder duizend andere krijgslieden zou
herkennen. Hij vliegt ten strijde als tot een feest. Het is meer dan
bloote kracht; het schijnt, alsof de geheele ziel en het geheele hart
van den kampvechter bij iederen slag waren, welken hij zijn vijanden
toebrengt. God vergeve hem de zonde van het bloedvergieten! O, het
is ijselijk, en toch heerlijk te zien, hoe de arm en de moed van één
man over honderden kunnen zegepralen."
"Rebekka," zei Ivanhoe, "gij hebt een held geschilderd;--zeker rusten
zij slechts uit, om nieuwe krachten te verzamelen, of om middelen tot
den overtocht van de gracht te beramen. Onder een aanvoerder, als dezen
ridder, bestaat er geene laffe vrees, geen flauw uitstel, geen opgeven
van eene stoute onderneming, welke juist door de zwarigheden, die ze
oplevert, des te roemrijker wordt. Ik zweer bij de eer van mijn huis,
bij den naam mijner schoone, ik zou tien jaren gevangenschap willen
verduren, als ik één dag aan de zijde van dezen dapperen ridder in
zulk een strijd als dezen vechten kon!"
"Helaas!" zei Rebekka, haar plaats aan het venster verlatende, en
het bed van den gewonden ridder naderende, "dit ongelukkig verlangen
naar den strijd;--dit worstelen met, en klagen over uw tegenwoordige
zwakheid zal zonder twijfel uwe terugkeerende gezondheid schaden.--Hoe
kunt gij wenschen anderen wonden toe te brengen, eer gij van die
genezen zijt, welke gij zelf ontvangen hebt?"
"Rebekka," hernam hij, "gij weet niet, hoe onmogelijk het is voor een
man, die opgevoed is voor het ridderleven, om lijdelijk te blijven
als een priester, of eene vrouw, wanneer roemrijke daden rondom hem
verricht worden. De liefde voor den strijd is de spijs waarvan wij
leven; het stof van het slagveld is de lucht, die wij inademen! Wij
leven niet,--wij wenschen niet langer te leven, dan zoolang wij
overwinnaars en beroemd zijn.--Dit, meisje, zijn de wetten der
ridderschap, die wij bezworen hebben, en waaraan wij alles opofferen,
wat ons dierbaar is!"
"Ach," hervatte de schoone Jodin, "en wat is dit anders, dappere
ridder, dan het op te offeren aan den duivel der ijdele roemzucht,
en geworpen te worden in het vuur van Moloch?--Wat blijft u over,
tot belooning voor al het bloed, dat gij vergoten hebt,--voor al de
moeite en al het lijden, dat gij doorgestaan hebt,--voor al de tranen,
welke uw daden hebben doen storten, als de dood den speer der dapperen
gebroken en het snelle strijdros ingehaald heeft?"
"Wat ons overblijft?" riep Ivanhoe; "de roem, meisje, de roem! die
onze grafzerk verguldt en onzen naam vereeuwigt."
"De roem?" ging Rebekka voort; "helaas, is de verroeste wapenrusting,
die boven het somber en vermolmd graf des strijders hangt,--is het
spoedig uitgewischte opschrift, dat de onwetende monnik nauwelijks voor
den nieuwsgierigen pelgrim ontcijferen kan,--is dit alles een voldoende
vergelding voor de opoffering van iedere teedere genegenheid, voor een
leven, in ellende doorgebracht, om anderen ellendig te maken?--Of is
er zooveel kracht in de ijdele rijmen van een rondtrekkenden zanger,
dat huiselijke liefde, teederheid, vrede en geluk roekeloos veracht
worden, om eens de held te worden van de balladen, die zwervende
minnezangers dronken boeren bij hun avonddrank voorzingen?"
"Bij de ziel van Hereward!" hernam de ridder ongeduldig, "gij spreekt
van iets, meisje, waarvan gij niets begrijpt. Gij zoudt het zuivere
licht der ridderschap willen uitdooven, dat alleen den edele van
den gemeenen man, den ridder van den boer en den wilde onderscheidt;
dat ons het leven verre, verre beneden de eer doet stellen; ons doet
zegepralen over smart, ontbering en lijden, en ons leert geen ander
kwaad te vreezen, dan de schande. Gij zijt geene Christin, Rebekka,
en u zijn die verhevene gevoelens onbekend, die het hart van eene
edele jonkvrouw doen kloppen, als haar minnaar eenige stoute daad
verricht heeft, welke zijne liefde heiligt. De ridderschap!--meisje,
zij is de kweekster der zuivere en verhevene genegenheid, de steun der
onderdrukten, de wreekster van onrecht,--een breidel voor de macht
der tirannen. De adel ware zonder haar slechts een ijdele naam, en
de vrijheid vindt de beste bescherming door haar lans en haar zwaard!"
"Inderdaad," zei Rebekka, "ik stam van een geslacht af, dat zich
door zijn moed in het verdedigen van zijn vaderland onderscheiden
heeft; maar dat, zelfs als natie, geen oorlog voerde, dan op bevel des
Heeren, of om zijn land tegen onderdrukking te beschermen. De klank der
bazuinen wekt Juda niet meer op, en zijne verachte kinderen zijn thans
niets meer dan weerlooze slachtoffers van hunne krijgshaftige vijanden
en onderdrukkers. Te recht hebt gij gesproken, heer ridder,--vóór
dat de God van Jakob een tweeden Gideon, of een anderen Maccabeër
voor zijn volk doet verrijzen, past het de Jodin niet van strijd of
oorlog te spreken."
Het hooghartige meisje besloot hare rede op een smartelijken toon, die
bewees hoe diep zij de vernedering van haar volk besefte, terwijl zij
misschien eenigszins verbitterd was door het denkbeeld, dat Ivanhoe
haar het recht niet toekende, om in eene zaak van eer een oordeel
te vellen, en haar voor buiten staat hield om edele en grootmoedige
gevoelens te koesteren.
"Hoe weinig kent hij dit hart," dacht zij, "als hij zich verbeeldt,
dat er lafhartigheid, of laagheid van ziel in wonen moeten, omdat ik
de fantastische ridderschap der Nazareërs berispt heb!--Gave de Hemel,
dat het vergieten van mijn eigen bloed, droppel voor droppel, Juda
uit de ballingschap redden kon! Ach! konde ik daardoor slechts mijn
vader en dezen zijn weldoener uit de ketenen van den onderdrukker
verlossen! De trotsche Christen zou dan zien, of de dochter van
Gods uitverkoren volk niet even moedig zou durven sterven, als het
hooghartigste Nazareensche meisje, dat zich op hare afkomst van het een
of ander onbekend opperhoofd van het ruwe en koude Noorden beroemt!"
Hierop zag ze weder naar het bed van den gekwetsten ridder.
"Hij slaapt," zei zij; "de natuur is uitgeput door smart en
gemoedsaandoening, en zijn vermoeid lichaam maakt het eerste oogenblik
van schijnbare rust ten nutte, om in te sluimeren. Helaas! is het
een misdaad voor mij, naar hem te zien, mogelijk voor den laatsten
keer?--Nog korten tijd slechts, en deze schoone trekken zullen
misschien niet langer bezield worden door den stouten, onrustigen
geest, welke hem zelfs niet in den slaap begeeft!--Misschien zal
weldra deze mond opengespalkt, de oogen verglaasd en gesloten zijn,
en de trotsche, edele ridder door den laagsten slaaf van dit vervloekt
kasteel vertrapt worden, zonder dat hij zich verroert, als hem de
voet op het hoofd gezet wordt!--En mijn vader!--o mijn vader! het
staat slecht met uwe dochter, daar zij niet aan uwe grijze haren,
maar aan de blonde lokken der jeugd denkt!--Wie weet of deze rampen
geene voorboden zijn van Jehova's toorn tegen het ontaarde kind,
dat eerder aan de gevangenschap van een vreemde, dan aan die van haar
vader denkt!--dat Juda's ellende vergeet, en op de schoonheid van een
heiden en vreemdeling staart!--Maar ik wil dezen hartstocht uit mijn
hart rukken, al moest het daarbij ook doodbloeden!"
Zij wikkelde zich dicht in haar sluier, en ging op eenigen afstand
van de legerstede des gewonden ridders zitten, met den rug naar hem
toe gekeerd, terwijl zij hare ziel versterkte, of trachtte die te
versterken, niet alleen tegen de ongelukken, die haar van buiten
dreigden, maar ook tegen de verraderlijke gevoelens, welke haar
hart bestormden.