ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Wat weegt, Ellendige! u op 't hart,

Dan euveldaân, berouw en smart?

Gij kent uw lot, uw schuld is klaar,

Maar kom, 't verhaal, begin het maar!

-- -- -- -- -- -- -- -- --

Mij snijden andre bitterheên

En wreeder smart de ziele door,

Tot haar vertroosting, 'k bid u, leen

Mijn droefheid een gewillig oor;

En zoo me in u geen vriend verscheen,

Die hulpe biedt, ten minste hoor!

Crabbe.

Nadat Urfried door geschreeuw en bedreigingen Rebekka naar de kamer

terug gedreven had, welke pas door haar verlaten was, geleidde zij

Cedric, tegen wil en dank, in een klein vertrek, waarvan zij de

deur zorgvuldig achter zich toesloot. Hierop, na uit een kast een

wijnbeker en twee flesschen gekregen te hebben, zette zij ze op tafel,

en zei op vasten, volstrekt niet vragenden toon: "Gij zijt een Sakser,

vader! Ontken het niet," ging zij voort, bespeurende, dat Cedric zich

niet haastte om te antwoorden; "de klanken mijner moedertaal zijn

mij aangenaam, ofschoon ik ze zelden anders hoor, dan uit den mond

van de ellendige, verachtelijke slaven, wien de trotsche Normandiërs

het zwaarste en laagste werk in dit kasteel opleggen. Gij zijt een

Sakser, vader,--een Sakser, en bovendien een dienaar Gods, een vrij

man--Uw woorden klinken aangenaam in mijn ooren!"

"Bezoeken dan geen Saksische priesters dit kasteel?" hernam Cedric;

"Het ware, dunkt mij, hunne plicht, de verworpelingen en onderdrukten

onder de kinderen des lands te troosten."

"Zij komen niet,--of zoo zij komen, zwelgen zij liever aan de tafels

hunner onderdrukkers," antwoordde Urfried, "dan het gezucht hunner

landslieden aan te hooren; zoo luidt ten minste het gerucht; ik,

voor mij, weet er weinig van. Dit kasteel heeft, sedert tien jaren,

alleen opengestaan voor den losbandigen Normandischen kapelaan, die

de nachtelijke zwelgerijen van Front-de-Boeuf deelde, en hij is reeds

lang heengegaan, om rekenschap van zijn ambt te geven. Maar gij zijt

een Sakser,--een Saksisch priester, en ik heb u eene vraag te doen."

"Ik ben een Sakser," antwoordde Cedric, "maar den naam van priester

geheel en al onwaardig. Laat mij gaan.--Ik zweer u, dat ik terug zal

komen, of een van onze priesters zenden, die waardiger is dan ik,

om uwe biecht aan te hooren."

"Wacht nog een oogenblik," zei Urfried, "de stem, welke gij nu hoort,

zal weldra onder de koude aarde verstommen, en ik wilde niet gaarne

in het graf nederdalen in den dierlijken toestand, waarin ik geleefd

heb. Maar wijn moet mij de kracht geven, om mijn ijselijk verhaal

te doen."

Zij schonk een beker vol, en ledigde dien met een walgelijke

gulzigheid, alsof zij er geen droppel in wilde overlaten. "Dit

verstompt het gevoel", zei zij, opziende, toen zij den beker

geledigd had; "maar het kan mij niet opvroolijken.--Drink met mij,

vader, zoo gij mijn verhaal wilt hooren, zonder daarbij in onmacht

te zinken." Cedric zou er zich gaarne van hebben willen ontslaan,

om haar bescheid te doen bij deze onheilspellende gastvrijheid;

maar de wenk, dien zij hem gaf, drukte ongeduld en wanhoop uit. Hij

bewilligde in haar verzoek, en beantwoordde hare uitnoodiging door

een vollen beker te ledigen. Hierop begon zij haar verhaal, alsof

zijne inschikkelijkheid haar bevredigd had.

"Ik ben niet zulk een rampzalig schepsel geboren, als gij mij thans

ziet, eerwaarde vader," zei zij. "Ik was vrij, gelukkig, geëerd;--ik

beminde, en werd weder bemind. Ik ben nu een slavin, ellendig en

ontaard,--de speelbal der driften mijner meesters, toen ik nog

schoonheid bezat,--het voorwerp hunner verachting en van hun smaad

en haat, sedert mijne bekoorlijkheden verdwenen zijn.--Verwondert

het u, vader, dat ik het menschdom haat, en bovenal het ras, dat

deze verandering in mij heeft te weeg gebracht? Kan het gerimpeld,

vernederd wezen, dat vóór u staat, welks woede zich in onmachtige

vervloekingen ontlast, vergeten, dat zij de dochter is van den edelen

_Thane_ van Torquilstone, voor wiens macht duizend vazallen sidderden?"

"Gij de dochter van Torquil Wolfganger!" riep Cedric, terugdeinzende,

"gij,--gij,--de dochter van dien edelen Sakser, mijns vaders vriend

en wapenbroeder!"

"Uws vaders vriend!" herhaalde Urfried; "dan staat Cedric,

bijgenaamd de Sakser, vóór mij, want de edele Hereward van Rotherwood

had maar één zoon, wiens naam onder zijn landgenooten wèlbekend

is. Maar zoo gij Cedric van Rotherwood zijt, waartoe dit geestelijk

gewaad?--Wanhoopt gij ook al aan de verlossing van uw vaderland,

en hebt gij in de schuilhoeken van een klooster bescherming gezocht

tegen de onderdrukking?"

"Het is onverschillig, wie ik ben," hernam Cedric; "ga voort,

ongelukkige, met uw verhaal van gruwelen en schuld.--Want schuld moet

er onder begrepen zijn;--het is eene misdaad reeds, dat gij nog leeft,

om het te verhalen!"

"Zoo is het!--Zoo is het!" antwoordde de ellendige: "eene diepe,

zwarte, verdoemelijke misdaad;--eene misdaad van welke het vagevuur

hiernamaals mij niet zuiveren kan.--Ja, in deze zalen, bevlekt met

het edele bloed van mijn vader en van mijne broeders;--in deze zelfde

vertrekken, als de bijzit van hun moordenaar, als zijne slavin en

tegelijk als de deelgenoote zijner vermaken geleefd te hebben, moest

iederen ademtocht voor mij tot eene misdaad en een vloek maken."

"Ellendige!" riep Cedric. "En terwijl uws vaders vrienden--want

ieder oprecht Saksisch hart, als het voor de rust van zijne ziel en

die zijner dappere zonen bad, vergat in zijn gebeden ook de vermoorde

Ulrica niet,--terwijl allen de doode betreurden en vereerden, hebt gij

geleefd, om onzen haat en onze verachting te verdienen,--geleefd, om u

met den verraderlijken tiran te verbinden, die alles vermoord had, wat

u het naaste en dierbaarste was;--die het bloed van kinderen vergoot,

liever dan één mannelijken erfgenaam van het edele huis van Torquil

Wolfganger in het leven te laten;--met hem hebt gij u vereenigd,--met

hem in de banden van onwettige liefde geleefd!"

"In onwettige banden wel, maar niet in die der liefde," antwoordde

de oude; "de liefde zal eerder de verblijven der eeuwige verdoemenis

bezoeken, dan dit goddelooze kasteel.--Neen, dat behoef ik mij ten

minste niet te verwijten;--haat tegen Front-de-Boeuf en zijn geslacht

heerschte steeds in mijne ziel, zelfs te midden zijner misdadige

liefkoozingen!"

"Gij haattet hem, en toch bleeft gij leven!" hernam

Cedric. "Ellendige! was er geen dolk,--geen mes,--geen

haarnaald? Gelukkig voor u, daar gij zulk een bestaan op prijs steldet,

dat de geheimen van een Normandisch kasteel even verborgen zijn,

als die van het graf. Want, had ik slechts kunnen droomen, dat de

dochter van Torquil in schandelijke gemeenschap met den moordenaar

van haar vader leefde, dan zou het staal van een oprechten Sakser u

zelfs in de armen van uw minnaar getroffen hebben!"

"Zoudt gij inderdaad deze gerechtigheid aan Torquils naam hebben laten

wedervaren?" zei Ulrica; want wij behoeven nu haar aangenomen naam van

Urfried niet meer te gebruiken; "dan zijt gij inderdaad de oprechte

Sakser, voor wien men u houdt; want zelfs binnen deze vervloekte muren,

waar, zooals ge terecht zegt, de misdaad achter een ondoordringbaren

sluier verborgen is, zelfs hier heeft de naam van Cedric weêrgalmd,--en

ik, hoe ellendig en verlaagd, heb mij verheugd in de gedachte, dat

er nog één wreker van ons ongelukkig volk leefde.--Ik heb ook mijne

ure van wraak gehad.--Ik heb de twisten onzer vijanden aangestookt,

en dronkenschap en zwelgerij in woedenden moordlust doen overgaan.--Ik

heb hun bloed zien stroomen.--Ik heb hun stervend gerochel gehoord! Zie

mij aan, Cedric.--Zijn er op dit verwelkt, verbleekt aangezicht niet

eenige sporen van Torquils gelaatstrekken achtergebleven?"

"Vraag mij daarnaar niet, Ulrica," hervatte Cedric, op een toon,

waarin smart met afschuw vermengd was; "deze sporen laten zulk een

overeenkomst over, als die van iemand, die uit het graf verrezen is,

als een booze geest het doode lichaam bezield heeft."

"Het zij zoo!" antwoordde Ulrica; "En evenwel droegen deze sombere

trekken het masker van een geest des lichts, toen ze in staat waren,

den ouden Front-de-Boeuf en zijn zoon Reginald op te hitsen. De

duisternis der hel moest verbergen, wat er nu volgt; maar de wraak

moet den sluier oplichten, en datgene in het verborgen fluisteren, wat

de dooden uit het graf zou halen, als het met luide stem geopenbaard

werd!--Lang had het vuur der oneenigheid tusschen den wreeden vader

en zijn woesten zoon onder de asch gesmeuld,--lang had ik, in het

geheim, den onnatuurlijken haat aangestookt;--hij ontvlamde eindelijk

in een uur van woeste dronkenschap, en aan zijn eigene tafel viel mijn

onderdrukker door de hand van zijn eigen zoon! Dit zijn de geheimen,

welke deze gewelven verbergen!--Stort in, vervloekte bogen," voegde

ze er bij, naar boven ziende, "en begraaft onder uw puin allen,

die het afschuwelijk geheim kennen!"

"En gij, misdadig en ellendig wezen," zei Cedric, "wat werd uw lot

na den dood van den roover uwer eer?"

"Gis daarnaar, maar vraag het mij niet.--Hier,--hier woonde ik, totdat

de ouderdom, een vroegtijdige ouderdom, zijne ijselijke sporen op mij

drukte,--veracht en beschimpt, waar ik eens heerschte,--en gedwongen,

om de wraak, welke eens een zoo ruim veld had, te bepalen tot het

bestraffen der verachtelijke boosaardigheid van een ontevreden

huisbediende, of tot de ijdele en nietsbeteekenende vervloekingen

eener onmachtige oude vrouw;--veroordeeld, om van mijn eenzaam torentje

het geraas der zwelgerij aan te hooren, waarin ik eens deelde, of het

geschreeuw en het gekerm van nieuwe slachtoffers der onderdrukking."

"Ulrica," zei Cedric, "hoe durfdet ge, met een hart, dat, zooals ik

vrees, het verloren loon zijner misdaden evenzeer betreurt als de

schande, door welke het verkregen werd, u tot een man wenden, die dit

kleed draagt? Bedenk, ongelukkige, wat zou de heilige Eduard zelf voor

u kunnen doen, zoo hij in eigen persoon hier ware? De Koninklijke

Belijder was door den Hemel begaafd met het vermogen om de zweren

des lichaams te heelen, maar God alleen kan de melaatschheid der

ziel genezen!"

"Ik bid u, wend u niet van mij af, strenge profeet des toorns,"

riep ze uit: "maar zeg mij, zoo ge kunt, wat beteekenen de nieuwe

en ijzingwekkende gevoelens, welke in mijne eenzaamheid zich aan mij

opdringen?--Waarom verrijzen daden, die sinds lang gepleegd zijn, met

nieuwen en onweêrstaanbaren schrik voor mijn oogen? Welk lot verbeidt

aan de overzijde des grafs haar, aan wie God hier op aarde een lot van

zulke onuitsprekelijke ellende heeft opgelegd? Beter wendde ik mij tot

Wodan, Hertha, en Zernebock,--tot Misto en Skogula, de Goden onzer

nog ongedoopte voorvaders, dan de schrikkelijke angsten te lijden,

welke mij sedert kort wakend en slapend vervolgd hebben."

"Ik ben geen priester," zei Cedric, zich met walging afkeerende van

dit ellendige slachtoffer van schuld, ellende en wanhoop. "Ik ben

geen priester, schoon ik het gewaad eens priesters draag."

"Priester, of leek," antwoordde Ulrica, "ge zijt de eerste, dien

ik sedert twintig jaren zie, welke God vreest, of den mensch acht,

en wilt ge mij aan de wanhoop overlaten?"

"Heb berouw," hernam Cedric. "Bid en doe boete, en ge zult gehoor

vinden. Maar ik kan, ik wil niet langer bij u blijven."

"Toef nog één oogenblik," zei Ulrica; "verlaat mij thans niet;

zoon van mijns vaders vriend, uit vrees, dat de booze geest, die

mijn leven bestuurd heeft, mij mocht aandrijven, om mij over uw

hardvochtigen smaad te wreken.--Denkt ge, dat, zoo Front-de-Boeuf

Cedric den Sakser, in zulk eene vermomming, in zijn kasteel vond,

uw leven van langen duur zou zijn? Reeds lang heeft hij het oog op

u gehad, evenals een valk op zijn prooi."

"En al ware het zoo," zei Cedric, "dan verscheure hij mij met bek en

klauwen, eer mijn mond één woord zegt, dat mijn hart niet waarborgt. Ik

wil als Sakser sterven;--waar in woorden, open in daden.--Ik bid u,

ga weg van mij!--Raak mij niet aan, houd mij niet op! Het gezicht

van Front-de-Boeuf zelven is minder hatelijk voor mij, dan het uwe,

vernederd en ontaard, gelijk ge zijt."

"Het zij zoo," hervatte Ulrica, hem niet langer ophoudende; "ga,

en vergeet, in den hoogmoed van uwe meerderheid, dat het ellendige

schepsel, dat voor u staat, de dochter van den vriend uws vaders

is! Ga;--zoo mijn lijden mij van het menschdom scheidt,--mij scheidt

van hen, wier hulp ik met recht kon verwachten:--dan zal mijne wraak

mij niet minder van hen scheiden!--Geen mensch zal mij helpen; maar de

ooren van alle menschen zullen weêrgalmen van de daad, die ik begaan

zal!--Vaarwel!--Uwe verachting heeft den laatsten band verbroken,

welke mij nog aan mijn evenmenschen scheen te verbinden:--de gedachte,

dat mijn rampen medelijden bij mijn volk konden verwekken."

"Ulrica," zei Cedric, getroffen door deze woorden, "hebt gij den last

des levens onder zoo vele misdaden en ellende gedragen, en wilt gij

u nu aan de wanhoop overgeven, nu, dat uw oogen voor uwe misdaden

geopend zijn, en dat het berouw uw hart alléén moest vervullen?"

"Cedric!" antwoordde Ulrica, "gij kent het menschelijk hart slecht. Om

te handelen, gelijk ik gehandeld heb, om te denken, zooals ik gedacht

heb, moet men bezield zijn met de tot razernij brengende liefde voor

het genot, vermengd met een felle zucht naar wraak, en de trotsche

bewustheid van macht; al te bedwelmende hartstochten, dan dat het

menschelijke hart er weerstand aan zou kunnen bieden. Maar hun

kracht is lang voorbij. De ouderdom heeft geene vermaken;--rimpels

hebben geene macht;--de wraak zelve geeft zich lucht in ijdele

verwenschingen. Dan komt de gewetensangst, met scherpen angel, vermengd

met een ijdel verlangen naar het verledene, en met de wanhoop aan

de toekomst! Dan, als alle andere machtige stemmen zwijgen, worden

wij gelijk aan de booze geesten in de hel, die wel knaging van het

geweten, maar nooit berouw kunnen gevoelen.--Maar uwe woorden hebben

een nieuwen geest in mij doen ontwaken.--Terecht hebt gij gezegd, alles

is mogelijk voor hen die sterven durven!--Gij hebt mij de middelen

ter wraak aangewezen;--wees verzekerd, dat ik ze gebruiken zal. Deze

drift heeft tot hiertoe de heerschappij in dit hart met andere even

sterke driften gedeeld; van nu zal zij mij geheel bezielen, en gij

zelf zult zeggen, dat, hoe ook het leven van Ulrica geweest zij, haar

dood de dochter van den edelen Torquil waardig was. Er is onder de

muren eene krijgsmacht, die dit vervloekt kasteel belegert,--haast u,

ze ten aanval aan te voeren, en als gij een roode vlag ziet waaien

van het torentje, op den oostelijken hoek van dezen kerker, val dan

hevig op de Normandiërs aan;--dan zullen zij genoeg van binnen te doen

hebben, en dan kunt gij de muren bestormen in weerwil van vijandigen

boog en slinger.--Ga, bid ik u;--volg uw eigen lot, en laat mij aan

het mijne over!"

Cedric wilde nader vernemen wat het oogmerk was, waarop zij zoo duister

zinspeelde, maar hij hoorde de donderende stem van Front-de-Boeuf, die

uitriep: "Waar blijft die trage priester? Bij den heiligen Jacobus van

Compostella, ik zal hem tot een martelaar maken, zoo hij hier toeft,

om verraad te stoken onder mijne bedienden."

"Welk een waar profeet is een boos geweten!" riep Ulrica. "Maar

vrees niet:--snel naar buiten, naar uw volk.--Laat het Saksische

veldgeschreeuw weêrgalmen, en laten zij hun krijgslied van Rollo

zingen, als zij durven; de wraak zal er mede instemmen!"

Aldus sprekende, verdween ze door een geheime deur, en Reginald

Front-de-Boeuf trad in het vertrek. Cedric dwong zich met eenige

moeite, om een buiging voor den trotschen Baron te maken, die zijne

begroeting met een knikje beantwoordde.

"Uwe boetelingen hebben veel te biechten gehad, vader,--des te beter

voor hen; daar het de laatste maal is, dat ze er de gelegenheid toe

zullen hebben. Hebt gij hen tot den dood voorbereid?"

"Ik vond hen," zeide Cedric, zoo goed als hij kon in het Fransch

sprekende, "het ergste verwachtende, van het oogenblik af, dat ze

wisten, in wiens macht ze gevallen waren."

"Hoe, heer monnik?" hernam Front-de-Boeuf, "uwe spraak, dunkt mij,

verraadt een Saksische afkomst."

"Ik ben opgevoed in het klooster van St. Withold te Burton,"

antwoordde Cedric.

"Zoo?" zei de Baron; "Het ware beter voor u, zoo gij een Normandiër

waart, en ook beter voor mijn oogmerk, maar in den nood moet men met

iederen bode tevreden zijn. Dat klooster van St. Withold te Burton

is een wespennest, dat gesloopt moest worden. Er zal weldra een tijd

komen, dat het monniksgewaad den Sakser even weinig zal beschermen,

als het harnas."

"Gods wil geschiede!" zei Cedric, met een stem bevende van toorn,

hetgeen Front-de-Boeuf aan vrees toeschreef.

"Ik zie," zeide hij, "dat gij u reeds verbeeldt, dat onze gewapenden in

uwe spijskamer en in uw bierkelder zijn. Maar bewijs mij een dienst,

heilige man, en wat ook anderen moge overkomen, gij zult even veilig

slapen in uw cel, als een slak in haar huisje."

"Beveel maar!" hernam Cedric met onderdrukte woede.

"Volg mij dan door deze gang, opdat ik u door het achterpoortje

kan uitlaten."

En terwijl Front-de-Boeuf dus den gewaanden monnik vooruit ging,

gaf hij hem te kennen welke rol hij spelen moest.

"Gij ziet, heer monnik, gindsche kudden Saksische zwijnen, die het

gewaagd hebben dit kasteel van Torquilstone te omsingelen.--Zeg hun

wat gij wilt van de zwakheid van deze vesting, of alles, wat hen

gedurende vierentwintig uren hier kan ophouden. Breng intusschen dit

briefje;--maar wacht eens:--kunt gij lezen, heer priester?"

"Geen letter," antwoordde Cedric, "behalve mijn gebeden; en de letters

daarvan ken ik allen van buiten, geloofd zij de Heilige Maagd en

St. Withold!"

"Een des te geschikter bode in dit geval!--Breng dit briefje naar

het kasteel van Philip de Malvoisin, zeg, dat het van mij komt, en

geschreven is door den Tempelier Brian De Bois-Guilbert, en dat ik

hem verzoek het naar York te zenden, zoo schielijk als man en paard

voort komen kunnen. Verzeker intusschen hem, dat hij ons gezond en wel

achter onze verschansingen zal vinden.--Het is schande, dat wij aldus

gedwongen zijn, ons schuil te houden voor een bende landloopers, die

gewoon zijn reeds op het gezicht onzer banieren, of bij het gestamp

onzer paarden, te vluchten! Ik zeg u, priester, bedenk eenige list,

om die schurken te houden, waar zij nu zijn, tot onze vrienden hun

manschappen bijeen hebben. Mijne wraakzucht is opgewekt, en evenals

een valk, rust zij niet zonder verzadigd te zijn."

"Bij mijn beschermheilige," zei Cedric, met meer kracht dan aan zijn

rol paste, "en bij alle heiligen, die ooit in Engeland geleefd hebben

en gestorven zijn, uw bevelen zal men gehoorzamen! Geen Sakser zal

van deze wallen wijken, zoo ik macht en invloed genoeg heb om hen

daar te houden."

"Ha!" riep Front-de-Boeuf, "gij verandert van toon, heer priester,

en spreekt kort en stout, alsof uw hart vreugde zou scheppen in de

slachting van die Saksische kudde; en echter zijt gij een stamgenoot

dier zwijnen." Cedric was niet geoefend in de kunst van veinzen, en

een wenk van Wamba's vruchtbaarder brein zou hem op dit oogenblik

zeer gewenscht zijn geweest. Maar de nood scherpt het verstand,

gelijk het oude spreekwoord zegt, en hij pruttelde iets onder zijn

kap, dat die mannen daar buiten door kerk en staat in den ban gedaan

en vogelvrij verklaard waren.

"_Despardieux!_" antwoordde Front-de-Boeuf, "gij hebt de waarheid

gesproken--Ik vergat, dat die schurken een vetten abt evengoed

uitkleeden, alsof zij ten zuiden van gindsche zee geboren waren. Was

het niet de abt van St. Ives, dien zij aan een eik bonden, en

dwongen, een mis te zingen, terwijl ze zijne koffers en valiezen

uitplunderden?--Neen, bij onze Heilige Maagd, die grap was van Walter

Middleton, en van onze eigene wapenbroeders. Maar het waren Saksers,

die uit de kapel te St. Bees den kelk, de kandelaars en het bekken

roofden, niet waar?"

"Het waren goddelooze menschen!" antwoordde Cedric.

"Jawel,--en zij dronken al den goeden wijn en het lekkere bier op, dat

in voorraad lag voor menige geheime smulpartij,--als gij voorgeeft,

met nachtwaken en vroegmissen bezig te zijn!--Priester, gij zijt

verplicht, zulk een heiligschennis te wreken."

"Ik ben inderdaad verplicht mij te wreken!" bromde Cedric, "St. Withold

kent mijn hart."

Front-de-Boeuf geleidde hem intusschen naar eene achterpoort, vanwaar

zij op een smalle plank over de gracht gingen, en een klein buitenwerk

bereikten, dat door een goed verschanste poort met het open veld in

gemeenschap stond.

"Ga dan, en zoo gij mijn boodschap wilt doen, en hierheen terugkeert,

na ze volbracht te hebben, dan zult gij het Saksische vleesch even

goedkoop zien, als ooit het varkensvleesch in de slachterswinkels van

Sheffield. En, luister, gij schijnt een lustige broeder,--kom na den

slag hier, en gij zult zoo veel Malvoizei hebben, dat gij uw geheel

klooster er mede dronken kunt maken."

"Zeker, zullen wij elkander weder zien!" hernam Cedric.

"Hier hebt gij intusschen handgeld," ging de Normandiër voort; en toen

zij aan de achterdeur scheidden, stopte hij in Cedric's onwillige hand

een gouden munt, terwijl hij er bij voegde: "Bedenk, dat ik u de kap

en het vel zal afstroopen, zoo gij uwe boodschap niet goed verricht!"

"En ik geef u vrijheid tot alles," antwoordde Cedric, de achterdeur

verlatende en met een verlicht hart door het vrije veld heenstappende,

"als ik bij onze eerste ontmoeting niets meer van u verdien!"--Zich

daarop naar het kasteel omkeerende, wierp hij den gever het goudstuk

weder toe, terwijl hij uitriep: "Valsche Normandiër! moge uw geld

met u vergaan!"

Front-de-Boeuf hoorde de woorden onduidelijk, maar de handelwijze

scheen hem verdacht.--"Schutters!" riep hij de wachten op de

buitenwerken toe, "zend dien monnik een pijl achterna;--maar

neen!" vervolgde hij, toen zijn lieden de bogen spanden; "Het kan

niet baten;--wij moeten hem in zoover vertrouwen, daar wij geene

andere keuze hebben. Mij dunkt, hij durft mij niet verraden;--in

het ergste geval kan ik nog met de Saksische honden onderhandelen,

die ik veilig in de kooi heb.--Hola! Gilles, cipier, laat Cedric van

Rotherwood voor mij brengen, en den anderen boer, zijn makker,--ik

meen Coningsburgh,--Athelstane, of hoe hij heet; zelfs hunne namen zijn

lastig voor den mond van een Normandischen ridder, en zij ruiken, als

het ware, naar spek. Geef mij eene flesch wijn, om, zooals onze goede

Prins Jan zei, den smaak af te spoelen,--zet er een in de wapenkamer,

en breng de gevangenen er ook heen."

Men gehoorzaamde aan zijne bevelen, en, toen hij in het Gothische

vertrek trad, dat behangen was met een menigte tropeeën, door zijne

eigene dapperheid en die zijns vaders veroverd, vond hij een beker

wijn op de zwarte eiken tafel, en de twee Saksische gevangenen bewaakt

door vier zijner vazallen. Front-de-Boeuf nam eene groote teug wijns,

en wendde zich hierop tot zijne gevangenen. Want de wijze, waarop Wamba

de kap over zijn gezicht getrokken had, de verandering van kleeding,

het sombere, flauwe licht, en de oppervlakkige kennis, die de Baron

van Cedric's gelaatstrekken had (want deze vermeed zijne Normandische

naburen en kwam zelden buiten de grenzen van zijn eigen gebied),

beletten hem te ontdekken, dat de voornaamste zijner gevangenen

ontsnapt was.

"Welnu, gij Engelsche helden," zei Front-de-Boeuf, "hoe bevalt u het

onthaal te Torquilstone?--Ziet gij nu in, wat de onbeschaamdheid en

verwaandheid van spotternijen te verkoopen op een maaltijd bij een

vorst uit het huis van Anjou, u op den hals hebben gehaald?--Hebt gij

vergeten, hoe gij de onverdiende gastvrijheid van den koninklijken

Prins Jan vergolden hebt? Bij God en St. Denis! zoo gij niet

een zwaar losgeld betaalt, zal ik u bij de voeten ophangen aan de

ijzeren staven dezer vensters, tot de gieren en raven u tot geraamten

gemaakt hebben! Spreekt, gij Saksische honden,--wat biedt gij voor

uw nietswaardig leven?--Wat zegt gij, Rotherwood?"

"Geen duit, voor mijn deel," antwoordde de arme Wamba,--"en wat

het ophangen bij de voeten betreft, mijn hoofd is, zooals men zegt,

reeds ten onderste boven gekeerd, sedert ik de eerste kindermuts op

kreeg; dus zal het misschien weder terecht komen, als men mij bij de

beenen ophangt."

"Heilige Genoveva!" riep Front-de-Boeuf, "wie is dat?"

En met den rug zijner hand sloeg hij den nar Cedric's kap van het

hoofd, en zijn kraag openende, zag hij het noodlottig teeken der

slavernij, den koperen halsband.

"Gillis,--Clement,--honden, slaven!" schreeuwde de woedende Normandiër,

"wien hebt gij mij hier gebracht?"

"Ik geloof, dat ik het u zeggen kan!" zei De Bracy, die juist

binnentrad. "Dit is Cedric's nar, die eene zoo dappere schermutseling

had met Izaäk van York, over den voorrang."

"Ik zal het voor beiden vereffenen," hernam Front-de-Boeuf; "zij

zullen aan dezelfde galg hangen, tenzij zijn meester en dit wild

zwijn van Coningsburgh terdege voor hun leven betalen. Hun rijkdom

is het minste, dat zij kunnen afstaan; zij moeten ook dien zwerm

wegvoeren, welke het kasteel omringt, een gerechtelijken afstand

van hunne vrijheden onderteekenen, en als leenmannen en vazallen

onder ons leven; gelukkig nog mogen zij zich heeten, zoo wij hen,

in den nieuwen staat van zaken, die nu begint, het vrije ademhalen

vergunnen.--Gaat," zei hij tot twee der wachters, "haalt den echten

Cedric, en ik vergeef u uwe dwaling voor ditmaal, te eerder, omdat het

niet onnatuurlijk is een gek voor een Saksischen _Franklin_ te houden."

"Och!" zei Wamba, "de edele heer zal ondervinden, dat er meer gekken

dan _Franklins_ onder ons zijn."

"Wat meent die schurk?" zei Front-de-Boeuf, zijne lieden aanziende,

die dralende en stamelende te kennen gaven, dat zoo dit Cedric niet

was, die voor hem stond, zij niet wisten wat er van hem geworden was.

"Bij alle heiligen des hemels!" riep De Bracy uit: "hij moet in het

monniksgewaad ontsnapt zijn!"

"Bij alle duivels der hel!" schreeuwde Front-de-Boeuf, "het was dus

het zwijn van Rotherwood, dat ik naar de achterpoort heb gebracht

en met eigene hand uitgelaten! En gij," zei hij tot Wamba, "wiens

gekheid de wijsheid van nog grootere domkoppen, dan gij zelf zijt,

gefopt heeft,--ik zal u tot priester wijden.--Ik zal u de kruin

doen scheren.--Hier, scheurt hem het vel van het hoofd, en smijt

hem dan boven van de muren af.--Het schertsen is uw ambt; kunt gij

nu schertsen?"

"Gij behandelt mij beter, dan gij beloofdet, edele ridder," stamelde

de arme Wamba, wiens gewoonte van schertsen zelfs niet door het

onmiddellijke vooruitzicht van den dood kon overwonnen worden. "Zoo

gij mij de roode muts geeft, die gij mij belooft, zult gij mij van

een eenvoudigen monnik tot den rang van kardinaal verheffen."

"De arme schelm," zei De Bracy, "heeft besloten, tot het laatste

toe zijne rol vol te houden. Front-de-Boeuf, gij zult hem niet

dooden. Schenk hem aan mij, om mijne krijgsbende te vermaken.--Wat

zegt gij, schurk? Wilt gij pardon hebben en met mij te velde trekken?"

"Ja, met mijns meesters verlof; want ziet gij, ik kan mijn halsband

zonder zijne toestemming niet afdoen," antwoordde Wamba.

"O, een Normandische zaag zal weldra een Saksischen halsband losgemaakt

hebben!" zei De Bracy.

"Ja, edele heer," hernam Wamba, "en van daar komt het spreekwoord:

Normandische zegen op Engelands boom,

Om Engelands hals een Normandische toom,

Normandische lepels in Engelsche spijs,

En Eng'land beheerscht op Normandische wijs;--

Geen vreugde bestaat meer in Eng'land gewis,

Vóórdat dit viertal verdwenen is."

"Gij doet wel, De Bracy," zei Front-de-Boeuf; "met hier naar het

gesnap van een nar te luisteren, terwijl de ondergang ons van buiten

dreigt. Ziet gij niet, dat men ons gefopt heeft, en dat ons plan om

onze vrienden met onzen toestand bekend te maken, juist door dezen

nar verijdeld is, dien gij zoo broederlijk behandelt? Wat hebben wij

anders te verwachten, dan eene oogenblikkelijke bestorming?"

"Naar de muren dan," riep De Bracy; "wanneer hebt gij mij ooit

ernstig gestemd gezien door de verwachting van een gevecht? Roep den

Tempelier, en laat hem maar half zoo goed voor zijn leven vechten,

als hij voor zijn orde gedaan heeft;--snel zelf naar de muren, met

uw reusachtig lichaam; ik zal ook mijn best doen, en ik zeg u, dat

die Saksische roovers evengoed beproeven konden de wolken, als het

kasteel van Torquilstone te bestormen. Zoo gij echter met de bandieten

in onderhandeling wilt treden, waarom gebruikt gij daartoe niet de

bemiddeling van dezen waardigen _Franklin_, die in een zoo ernstige

beschouwing der wijnflesch verdiept staat? Hier, Sakser," vervolgde

hij, zich tot Athelstane wendende, en hem den beker overhandigende,

"spoel u de keel eens af met dezen edelen drank, en wek uwe ziel op,

om te zeggen, wat gij voor uwe vrijheid over hebt."

"Alles waarover een sterveling beschikken kan," antwoordde Athelstane,

"alles, dat een man van eer past! Laat mij met mijne makkers aftrekken,

en ik zal een losgeld van duizend mark betalen."

"En gij zult ons daarenboven instaan voor den aftocht van dat

uitvaagsel des menschdoms, dat rondom het kasteel zwerft, evenzeer

tegen God als den Prins zondigende!" zei Front-de-Boeuf.

"Voor zoover ik kan," hernam Athelstane, "zal ik hen doen vertrekken;

en ik twijfel niet, of vader Cedric zal zijn best doen, om mij bij

te staan."

"Wij zijn het dus eens," zei Front-de-Boeuf,--"gij zult met hen in

vrijheid gesteld worden, en er zal van weerskanten vrede zijn, tegen

uitbetaling van duizend mark. Het is een gering losgeld, Sakser, en

gij moet dankbaar zijn, voor mijne gematigdheid, daar ik zoo weinig

voor uw bevrijding aanneem. Maar let wel op, dit strekt zich niet

uit tot den Jood Izaäk."

"Noch tot de dochter van den Jood Izaäk!" zei de Tempelier, die zich

nu bij hen gevoegd had.

"Geen van beiden," zei Front-de-Boeuf, "behoort tot het gezelschap

van dezen Sakser."

"Ik ware onwaardig een Christen genoemd te worden, zoo dat het

geval was," hernam Athelstane; "handel met die ongeloovigen, naar

verkiezing."

"Evenmin is Jonkvrouw Rowena onder dit losgeld begrepen," zei De

Bracy. "Men zal nooit zeggen, dat men mij mijnen schoonen buit,

zonder slag of stoot, ontnomen heeft."

"Ook betreft onze overeenkomst dezen ellendigen nar niet, dien ik

terughoud, om hem tot voorbeeld te doen strekken voor iederen schelm,

die uit scherts ernst wil maken," zei Front-de-Boeuf.

"Jonkvrouw Rowena," antwoordde Athelstane, met een onverschrokken

gelaat, "is mijne verloofde bruid. Ik zal mij eerder door wilde paarden

vaneen laten scheuren, dan er in toestemmen van haar te scheiden. De

slaaf Wamba heeft heden het leven van vader Cedric gered.--Ik wil

het mijne verliezen, eer een haar van heur hoofd te laten krenken."

"Uwe verloofde bruid?--Jonkvrouw Rowena de verloofde bruid van een

vazal, zooals gij?" riep De Bracy uit. "Sakser, gij verbeeldt u,

dat de dagen der zeven koninkrijken teruggekeerd zijn. Ik zeg u,

de vorsten van het huis van Anjou schenken hunne pupillen niet aan

mannen van uwe afkomst."

"Mijne afkomst, trotsche Normandiër," hernam Athelstane, "spruit uit

een zuiverder en edeler bron, dan die van een Franschen bedelaar,

die zijn leven onderhoudt door het bloed der schelmen te verkoopen,

die hij onder zijn armzalig vaandel verzamelt. Mijne voorouders waren

koningen, dapper in den strijd, en wijs in den raad, die iederen

dag meer menschen in hunne zalen hadden, dan gij aanhangers telt;

wier namen door minnezangers zijn vereeuwigd, en wier wetten door

_Wittenagemotes_ aangenomen zijn;--wier gebeente onder het gebed van

heiligen is begraven, en boven wier graven kerken gebouwd zijn."

"Daar hebt gij het, De Bracy," zei Front-de-Boeuf, zeer tevreden

over het trotsche antwoord, dat zijn makker ontvangen had; "de Sakser

heeft u geraakt."

"Dat staat een gevangene vrij," zei De Bracy, met schijnbare

onverschilligheid; "want hij, wiens handen gebonden zijn, moet ten

minste zijn tong kunnen roeren.--Maar uw hoogmoedige taal, kameraad,"

voegde hij er bij, zich tot Athelstane keerende, "zal Rowena's

bevrijding niet bewerken."

Hierop gaf Athelstane, die reeds langer gesproken had, dan zijn

gewoonte was, al ware het ook over het belangrijkste onderwerp, geen

antwoord. Het gesprek werd afgebroken door de komst van een dienaar,

die meldde, dat een monnik aan de achterpoort stond, en wenschte

binnengelaten te worden.

"In den naam van den heiligen Benedictus, den vorst van deze

bedelaars," riep Front-de-Boeuf uit, "is dit nu een echte monnik, of

weder een bedrieger? Doorzoekt hem, slaven; want zoo gij u weer een

valschen priester laat opdringen, zal ik u de oogen laten uitsteken,

en gloeiende kolen in de holten doen!"

"Ik onderwerp mij aan uw toorn, gestrenge heer," zei Gilles, "als

dit geen echte kaalkop is. Uw schildknaap Jocelijn kent hem wel,

en wil er voor instaan, dat het broeder Ambrosius is, een monnik uit

het gevolg van den Prior van Jorvaulx."

"Laat hem binnen," zei Front-de-Boeuf, "waarschijnlijk brengt hij ons

tijding van zijn gelukkigen meester. Zeker viert de duivel kermis,

en zijn de priesters vrij van dienst, dat zij zoo in het wild door

het land zwerven. Breng deze gevangenen weg; en Sakser, overweeg,

wat gij gehoord hebt."

"Ik eisch," hernam Athelstane, "eene eervolle gevangenschap, met

behoorlijke zorg voor tafel en bed, zooals mijn rang en een ridder

toekomt, die omtrent zijn losgeld onderhandelt. Daarenboven houd ik

dengene, die zich voor den besten van ulieden houdt, voor verplicht,

om mij later rekenschap te geven voor deze aanranding mijner

vrijheid. Deze uitdaging is u reeds door den huis-hofmeester

toegezonden; gij hebt ze ontvangen, en gij moet mij er op

antwoorden. Daar ligt mijn handschoen!"

"Ik beantwoord de uitdaging van mijn gevangene niet," hernam

Front-de-Boeuf, "en gij zult dit evenmin doen, Maurice De

Bracy. Gilles," ging hij voort; "hang des _Franklins_ handschoen

op de takken van gindschen hoorn; daar zal hij blijven hangen, tot

zijn eigenaar in vrijheid is. Als hij dien dan durft terugeischen,

of zeggen, dat hij op een onwettige wijze mijn gevangene geworden

is, bij den gordel van St. Christophorus, hij zal met iemand te doen

krijgen, die nooit geaarzeld heeft een vijand onder de oogen te zien,

hetzij te voet, of te paard, alleen of met zijne vazallen!"

De Saksische gevangenen werden nu weggebracht, juist toen men den

monnik Ambrosius binnenliet, die zeer ontsteld scheen te zijn.

"Dit is de ware _Deus vobiscum_," zei Wamba, toen hij den eerwaarden

broeder voorbij ging, "de anderen waren slechts namaaksels."

"Heilige Moeder!" riep de monnik, de vergaderde ridders aansprekende,

"eindelijk ben ik in veiligheid!--onder Christelijke bescherming!"

"Veilig zijt ge," hervatte De Bracy, "en wat het Christelijke uwer

bescherming betreft, hier staat de dappere Reginald Front-de-Boeuf,

wiens grootste afschrik een Jood is, en de heldhaftige ridder en

Tempelier, Brian De Bois-Guilbert, wiens roeping het is, Saracenen

om te brengen.--Zoo dit geen voldoende blijken van Christendom zijn,

dan ken ik er geen andere, waarop ze aanspraak kunnen maken."

"Ge zijt vrienden en bondgenooten van onzen eerwaarden vader

in God, Aymer, Prior van Jorvaulx," hernam de monnik, zonder

acht te slaan op den toon van De Bracy's antwoord; "ge zijt hem

hulp verschuldigd, zoowel wegens uw gelofte als ridders, als uit

Christelijke liefde.--Want wat zegt de gezegende St. Augustinus in

zijn verhandeling _De Civitate Dei_,--"

"Wat zegt de duivel!" viel Front-de-Boeuf hem in de rede, "of liever,

wat zegt ge, heer priester? Wij hebben weinig tijd, om teksten uit

de heilige Kerkvaders te hooren."

"_Sancta Maria!_" riep vader Ambrosius, "hoe doldriftig zijn deze

onheilige leeken!--Maar verneemt, dappere ridders, dat zekere

moorddadige schurken, alle vrees voor God, en allen eerbied voor de

Kerk verzakende, en zonder acht te geven op de bul van den heiligen

Vader, _Si quis suadente Diabolo_,--"

"Priester," zei de Tempelier, "dit alles weten wij, of kunnen het wel

raden.--Zeg ons ronduit, is uw meester, de Prior, gevangen genomen

en door wien?"

"Voorzeker," antwoordde Ambrosius, "hij is in handen der

Belials-kinderen, der roovers in deze bosschen en der overtreders

van den heiligen tekst: "slaat de handen niet aan mijn gezalfden,

en doet mijn profeten geen leed!"

"Hier is eene nieuwe opwekking tot den strijd, Heeren," zei

Front-de-Boeuf, zich tot zijn makkers wendende; "dus, in plaats van

ons hulp te bieden, vraagt de Prior van Jorvaulx bijstand van ons? Zoo

wordt men door deze luie geestelijken geholpen, als men hen het meest

noodig heeft! Maar zeg, priester, wat verwacht uw heer van ons?"

"Och!" zei Ambrosius, "men heeft de hand aan den eerwaarden Prior

geslagen, strijdig met het heilig gebod, dat ik reeds aangehaald heb,

en die Belials-kinderen hebben zijn valiezen en bagage uitgeplunderd,

en van tweehonderd mark fijn goud beroofd, daarenboven, vorderen ze

nog eene aanzienlijke som, eer ze hem uit hun onheilige handen willen

ontslaan. Daarom smeekt u de eerwaarde vader in God, als zijne dierbare

vrienden, om hem te verlossen, hetzij door het losgeld te betalen,

dat voor hem geëischt wordt, hetzij door hem met geweld te bevrijden,

zooals ge verkiest."

"De duivel hale den Prior!" riep Front-de-Boeuf; "hij moet heden reeds

menigen beker geledigd hebben. Wanneer heeft uw meester ooit van een

Normandischen Baron hooren spreken, die zijne beurs opende om een

priester te helpen, daar de geldzakken der geestelijkheid tienmaal zoo

zwaar zijn als de onzen? En hoe zouden wij hem met geweld bevrijden,

daar wij hier door een getal, tienmaal grooter dan het onze, zijn

ingesloten, en ieder oogenblik de bestorming verwachten?"

"En dit wilde ik u juist zeggen," zei de monnik, "indien gij mij in

uwe drift hadt laten uitspreken. Maar, God sta mij bij!--ik ben een

grijsaard, en dit schandelijk krijgsgewoel verwart het verstand van

een oud man. Niettemin is het waar, dat ze een kamp opslaan, en een

wal oprichten onder de muren van dit kasteel."

"Naar de wallen dan!" riep De Bracy, "en laat ons zien, wat de schurken

doen!" en dit zeggende opende hij een tralie-venster, dat naar een

soort van vooruitstekend balkon leidde, en riep oogenblikkelijk hen,

die in de kamer waren, toe: "Bij St. Denis! de oude monnik spreekt de

waarheid! Ze brengen schermdaken en breede schilden aan; de schutters

vergaderen langs den zoom van het bosch; als zwarte wolken voor

een hagelbui."

Reginald Front-de-Boeuf keek ook naar buiten, en greep naar zijn horen:

en na lang en luid geblazen te hebben, beval hij zijne manschappen,

om hun posten op de wallen te bezetten. "De Bracy, zie gij toe op den

oostkant, waar de muur het laagste is.--Edele Bois-Guilbert, uw beroep

heeft u wel geleerd, hoe ge aanvallen en verdedigen moet; blijf gij aan

den westkant.--Ik zelf zal op het bruggenhoofd post vatten. Evenwel

bepaalt uwe werkzaamheid niet tot één punt, edele vrienden! wij

moeten heden overal zijn, en ons als het ware vermenigvuldigen,

om door onze alomtegenwoordigheid hulp en ondersteuning te bieden,

daar waar de aanval het heetste is. Ons getal is klein, maar ijver

en moed kunnen in dit gebrek voorzien, daar wij slechts met schurken

en boeren te doen hebben."

"Maar, edele ridders," riep vader Ambrosius tusschen het gedruisch en

de verwarring, welke de toebereidselen ter verdediging veroorzaakten,

"wil geen uwer op de boodschap antwoorden van den eerwaarden vader

in God, Aymer, Prior van Jorvaulx?--Ik bid u, mij aan te hooren,

edele ridders!"

"Ga, wend u met uw verzoek tot den hemel," hernam de woeste

Normandiër, "want wij, hier op aarde, hebben geen tijd om naar u

te luisteren.--Hola, Anselmus! zorg, dat er kokende pik en olie in

gereedheid zijn, om op de hoofden van die vermetele verraders te

gieten. Zie toe, dat de arm-boogschutters geen gebrek aan schichten

hebben.--Laat mijne oude banier met den stierenkop hijschen;--die

schurken zullen weldra zien met wien ze heden te doen hebben!"

"Maar, edele Heer," vervolgde de monnik, volhardende in zijne pogingen

om gehoor te vinden; "denk aan mijne gelofte van gehoorzaamheid,

en laat mij de bevelen van mijn overheid volvoeren!"

"Weg met dezen praatzieken domoor!" zei Front-de-Boeuf; "sluit hem in

de kapel op, om zijn rozekrans te bidden, totdat het gevecht gedaan

is. Het zal iets nieuws voor de heiligen in Torquilstone zijn, om

_ave's_ en _paternosters_ te hooren; ze zijn, naar ik weet, niet zoo

vereerd geworden, sedert ze uit steen gehouwen zijn."

"Laster de heiligen niet, ridder," zei De Bracy, "wij zullen heden

hunne hulp noodig hebben, eer die rooverbende verdreven is."

"Ik verwacht weinig hulp van dien kant," hernam Front-de-Boeuf, "tenzij

wij hen van de borstwering op de hoofden dier schelmen neêrwerpen. Er

is een reusachtige St. Christophorus bij, zwaar genoeg om een geheele

compagnie te verpletteren."

De Tempelier had intusschen uitgezien naar de bewegingen der

belegeraars, met wat meer oplettendheid dan de woeste Front-de-Boeuf en

zijn luchtige makker. "Op mijn woord," zei hij, "deze kerels naderen

met meer verstand, dan men zou verwacht hebben, hoe ze er dan ook

aankomen. Zie, hoe behendig ze van iederen boom en struik gebruik

maken, om zich te dekken, en zich wachten, zich aan onze schutters

bloot te geven! Ik zie banier noch vaandel onder hen, en toch wil

ik mijn gouden keten verwedden, dat ze aangevoerd worden door eenig

edelen ridder, of heer, die in de krijgskunst ervaren is."

"Ik zie hem reeds," riep De Bracy uit, "ik zie een vederbos van een

ridder wapperen, en zijn glinsterende wapenrusting. Zie ginds dien

grooten man, in het zwarte harnas, die het achterste gelid van die

schurken opstelt.--Bij St. Denis, ik geloof, dat het dezelfde is,

dien wij _Le Noir Fainéant_ noemden, en die u, Front-de-Boeuf, in

het strijdperk van Ashby, ter neder sloeg."

"Des te beter," hernam Front-de-Boeuf, "dat hij hier komt, om mij

gelegenheid tot wraak te geven. Het moet de een of ander misdadige

zijn, daar hij den toernooiprijs, welken het toeval hem geschonken had,

niet durfde vorderen. Ik zou hem zeker te vergeefs gezocht hebben,

waar ridders en edelen hunne vijanden zoeken, en ik ben blijde,

dat hij zich hier onder het gemeene volk vertoont."

De bewegingen van den vijand, die een onmiddellijken aanval deden

vooruit zien, braken het gesprek af. Ieder ridder begaf zich op

zijn post, en aan het hoofd van het klein getal volgelingen, die ze

bijeen konden brengen, en welke niet toereikend waren, om de geheele

uitgestrektheid der muren te bezetten, wachtten ze, met bedaarde

vastberadenheid, de dreigende bestorming af.

Ivanhoe(#26564) · 第 38 / 67 题