TWEEDE HOOFDSTUK.

Toen kwam er een monnik, een heer zeer geprezen,

Een vriend van de jacht en van 't horengeschal,

Zoo kloek en ervaren, een abt kon hij wezen;

Ook hield hij veel kostbare paarden op stal;

En gaf hij zijn moedigen klepper de sporen,

Men kon op de winden het zweepgeklap hooren,

Zoo duidelijk en klaar als de klok der kapel,

Waarbij hij vertoefde in zijn eenzame cel.

Chaucer.

In weerwil van het herhaalde vermanen en knorren van zijn makker,

kon Wamba, die de ruiters hoorde naderen, niet nalaten bij ieder

geschikt voorwendsel onderweg stil te staan; nu eens plukte hij van

een hazelnotenstruik eenige der halfrijpe vruchten, dan keerde hij

zich om, ten einde het een of ander boerenmeisje, dat hen tegenkwam,

na te zien. De ruiters haalden hen derhalve spoedig in. Zij waren

tien in getal van welken de beide voorsten mannen van aanzien, en de

anderen hun volgelingen schenen te zijn. Het was niet moeielijk het

karakter en den stand van één dezer mannen te onderscheiden. Hij was

klaarblijkelijk een geestelijke van hoogen rang; zijne kleeding was

die van een Cisterciënser monnik, maar uit veel fijner stof gemaakt,

dan die, welke zijne orde gebruiken mocht. Mantel en kap waren van

het beste Vlaamsche laken, en vielen in ruime en bevallige plooien

rondom een schoone, hoewel eenigszins zwaarlijvige, gestalte. Zijn

gelaat droeg evenmin den stempel van zelfverloochening, als zijn kleed

minachting aanduidde van wereldsche pracht. Zijn trekken hadden mooi

kunnen genoemd worden, had niet, onder zijne neerhangende oogleden,

die gedempte, zinnelijke gloed geschitterd, welke den voorzichtigen

wellusteling doet kennen. In andere opzichten hadden ambt en stand hem

eene gemakkelijke heerschappij over zijn gelaat geleerd, hetwelk hij

naar welgevallen een plechtigen ernst kon doen aannemen, ofschoon

zijne natuurlijke uitdrukking goedaardig, gezellig en toegevend

was. Ten spijt van kloosterregels, en de bevelen van pausen en

kerkvergaderingen, waren de mouwen van dezen prelaat gevoerd en omzet

met rijk bont; zijn mantel was om den hals met een gouden gespje

vastgemaakt, en de geheele kleeding, eigen aan zijne orde, evenzeer

verfraaid en opgesierd, als die eener schoone kwakersvrouw van onze

dagen, die de gewone kleederdracht van hare sekte behoudende, aan de

eenvoudigheid daarvan, door de keus der stoffen en door de wijze van

ze te schikken, een zekeren schijn van aanlokkelijke coquetterie geeft,

welke maar al te veel van wereldsche ijdelheid getuigt.

Deze waardige dienaar der kerk reed op een makken, welgemesten

muilezel, welks tuig zeer prachtig, en welks toom, volgens de gewoonte

van dien tijd, met zilveren schelletjes versierd was. Hierop zat

hij geenszins met de linkschheid van den kloosterbroeder, maar met

al de gemakkelijke losheid van een geoefenden ruiter. Het scheen,

inderdaad, dat een zoo nederig dier als een muilezel, hoe mooi

ook en hoe goed gewend aan een aangenamen en gemakkelijken gang,

door den dapperen monnik alleen op reis gebruikt werd; want een

leekebroeder, die onder zijn gevolg was, leidde tot zijn gebruik

bij andere gelegenheden een van de schoonste Andalusische hengsten,

welke de kooplieden in dien tijd met groote moeite en veel gevaar,

ten behoeve der rijken en aanzienlijken, overbrachten. De zadel en

het tuig van dit prachtige rijpaard waren bedekt met een lange deken,

die bijna op den grond hing, en waarop mijters, kruisen en andere

kerkelijke sieraden prachtig geborduurd waren. Een ander leekebroeder

leidde een tweeden gewonen muilezel, waarschijnlijk met het goed van

zijn meester beladen; en daarachter reden twee monniken van dezelfde

orde, maar van minderen rang, te zamen schertsende en pratende,

zonder zich veel aan de andere leden van het reisgezelschap te storen.

De reismakker van den prelaat was een man van over de veertig jaren,

rank, mager, maar sterk, groot en gespierd; eene athletische gedaante,

aan welke lange vermoeienissen en aanhoudende oefeningen geene

van de tengere deelen van het menschelijke lichaam overgelaten,

maar het geheel in vel, beenderen en spieren herschapen hadden,

die duizenden moeilijkheden reeds doorstaan hadden, en in staat

waren er nog duizenden anderen te ondergaan. Zijn hoofd was bedekt

met een fluweelen muts, met bont omzet, van het fatsoen door de

Franschen _mortier_ genoemd, wegens de overeenkomst met den vorm

van een omgekeerden vijzel. Zijn gelaat was dus geheel zichtbaar,

en de uitdrukking er van wel berekend om een zeker ontzag, zoo niet

vrees, aan vreemden in te boezemen. Zijn van natuur sterk geteekende

gelaatstrekken waren bijna zwart gebrand als die van een neger,

door gedurig aan de hitte van een brandende zon blootgesteld te

zijn, en schenen gewoonlijk te sluimeren, als het ware, nadat de

storm der driften uitgewoed had; maar de opgezwollen aderen op het

voorhoofd, de snelheid waarmede de bovenlip en de dikke zwarte

knevels bij de geringste aandoening trilden, gaven duidelijk te

kennen, dat het onweder gemakkelijk weder opgewekt kon worden. Zijne

stoute, doordringende, donkere oogen verrieden bij iederen blik de

geschiedenis van overwonnen moeielijkheden en getrotseerde gevaren,

en schenen tegenstand aan zijn wenschen uit te lokken, om zich het

genot te verschaffen dien door geoefenden moed en vasten wil uit den

weg te ruimen. Een diep litteeken, boven de wenkbrauw, vergrootte nog

de strengheid van zijn gelaat, en verleende een dreigende uitdrukking

aan een zijner oogen, hetwelk bij dezelfde gelegenheid licht gekwetst

werd, en waarmede hij nu, schoon goed, toch een weinig scheel zag.

Het bovenkleed van dezen ruiter was, wat de snede betreft, gelijk aan

dat van zijn reisgezel: een lange kloostermantel; maar de scharlaken

kleur toonde, dat hij niet tot een der vier gewone monnikenorden

behoorde. Op den rechter schouder van den mantel was een kruis van

bijzonderen vorm met wit laken geborduurd. Dit opperkleed bedekte iets,

dat op het eerste gezicht niet daarmede in overeenstemming scheen,

namelijk een maliënkolder met mouwen en handschoenen van denzelfden

aard, zeer kunstig bewerkt en gevlochten, en even zoo buigzaam aan

het lichaam als die, welke op den weefstoel uit zachtere stoffen

gemaakt worden. Het bovenste gedeelte zijner dijen, zoo ver de

plooien van zijn mantel ze bloot lieten, was ook daarmede bedekt;

de knieën en voeten waren beschermd door dunne stalen plaatjes,

netjes in elkander gevoegd; en dergelijke schenen, welke van den

enkel tot de knie reikten, beschermden voortreffelijk de beenen,

en voltooiden des ruiters wapenrusting. In den gordel droeg hij een

langen, tweesnijdenden dolk, welke zijn eenig wapen was.

Hij reed niet op een muilezel, gelijk zijn reisgenoot, maar op

een sterk reispaard, om zijn schoon strijdros te sparen, dat een

schildknaap leidde, geheel voor den slag toegerust, met een beschermend

metalen hoofdstel, waarvan een korte stalen punt vooruit stak. Aan de

eene zijde van den zadel hing een korte strijdbijl, rijk gedamasceerd;

aan de andere des ruiters gepluimde helm en stormkap met een lang

slagzwaard, zooals de ridders toen algemeen gebruikten. Een tweede

schildknaap droeg zijns meesters lans, aan welker punt een vlagje

fladderde, waarop een kruis van denzelfden vorm als dat op zijn

mantel geborduurd was. Hij droeg ook zijn klein driehoekig schild,

breed genoeg van boven om de borst te beschermen, en van daar spits

toeloopende. Het was met een scharlaken kleed bedekt, dat verhinderde

de daarop staande spreuk te lezen.

Deze twee schildknapen werden gevolgd door twee bedienden, wier

bruine gezichten, witte tulbanden en Oostersche kleeding toonden,

dat zij inboorlingen waren van eenig ver afgelegen Oostersch land

[3]. Het geheele voorkomen van dezen krijgsman en zijn gevolg was

woest en vreemd, de kleeding van zijne schildknapen was buitengewoon

prachtig, en zijne Oostersche bedienden droegen zilveren halsbanden,

en ringen van hetzelfde metaal om hunne zwartbruine armen en beenen;

de eerste waren naakt van den elleboog af, en de laatste van de kuit

tot aan den enkel. Hunne kleederen waren van geborduurde zijde en

gaven den rijkdom en het aanzien van hun meester te kennen; te gelijk

leverden zij een treffend contrast met den krijgshaftigen eenvoud van

zijne eigene kleeding op. Zij waren gewapend met kromme sabels, wier

gevest en scheede met goud ingelegd waren, terwijl Turksche dolken

van een prachtiger maaksel daarnaast hingen. Ieder van hen had vóór

zich op den zadel een bundel pijlen, of werpspiesen, omtrent vier

voet lang, met scherpe stalen punten, een wapen dat zeer gebruikelijk

was bij de Saracenen en dat nog herdacht wordt in de krijgsoefening

"_El Djerid_" genoemd, die nog in eenige Oostersche landen in zwang is.

De paarden van deze bedienden waren in voorkomen even vreemd als

hunne ruiters; ze waren van Saraceenschen oorsprong, en dus van

Arabisch ras, en hunne fijne, tengere leden, dunne manen en lichte,

vrije bewegingen waren in sterke tegenstelling met de groote, zware

paarden, die in Vlaanderen en Normandië gefokt werden, om de van top

tot teen zwaar gewapende krijgslieden te dragen, en welke, naast deze

Oostersche paarden, als lichaam en schaduw bij elkander stonden.

Het zonderlinge voorkomen van deze ruiters verwekte niet alleen de

nieuwsgierigheid van Wamba, maar zelfs die van zijn minder levendigen

metgezel. Den monnik herkende hij terstond voor den Prior van de

Abdij van Jorvaulx, overal in het rond welbekend als een liefhebber

van de jacht, van goede sier, en, zoo de faam hem geen onrecht deed,

van andere wereldsche vermaken, die nog minder bestaanbaar waren met

zijne kloostergeloften.

Zoo los waren evenwel de begrippen in die tijden, ten opzichte van het

gedrag der wereldlijke zoowel als der klooster-geestelijkheid, dat de

Prior Aymer een goeden naam had in de nabuurschap zijner abdij. Zijn

open en vroolijk karakter, en de gereedheid, met welke hij den aflaat

voor alle kleinere zonden schonk, maakte hem tot een gunsteling bij den

adel en de overige aanzienlijken, met velen van welke hij vermaagschapt

was, daar hij van een aanzienlijk Normandisch geslacht afstamde. De

vrouwen, in het bijzonder, waren niet geneigd al te nauwgezet het

gedrag van een man na te gaan, die een verklaarde bewonderaar van

haar geslacht was, en die vele middelen bezat om de verveling te

verdrijven, welke zoo gemakkelijk in de zalen en priëelen van een oud

ridderkasteel insloop. De Prior gaf zich over aan het jachtvermaak

met meer dan gewonen ijver, en men erkende algemeen, dat hij de best

afgerichte valken en de snelste windhonden van het _North-Riding_

bezat; een omstandigheid, die hem tot een groote aanbeveling bij den

jongen adel strekte. Bij oudere menschen had hij eene andere rol te

spelen, welke hij in geval van nood met groote deftigheid te vervullen

wist. Zijn kennis van boeken, hoe oppervlakkig ook, was voldoende

om hunne onwetendheid achting voor zijne gewaande geleerdheid in te

boezemen; en de ernst van zijne houding en taal, met den hoogen toon,

waarop hij van het gezag der kerk en harer priesters sprak, gaf hun

geen mindere overtuiging van zijne heiligheid. Zelfs de geringere

klassen, de strengste vitters van het gedrag hunner meerderen, waren

toegevend voor de zwakheden van Prior Aymer. Hij was mild van aard;

en de liefdadigheid, zoo als men weet, bedekt eene menigte van zonden,

ook in een anderen zin dan dien, in welken de Heilige Schrift dit

verkondigt. De inkomsten van het klooster, waarvan een groot gedeelte

te zijner beschikking stond, terwijl zij hem middelen verschaften

voor zijn eigene, zeer aanmerkelijke uitgaven, vergunden hem tevens

geschenken onder de boeren uit te deelen, waarmede hij dikwijls de

behoeften der onderdrukten te hulp kwam. Zoo Prior Aymer al te grooten

ijver voor de jacht toonde, en te lang aan tafel zat,--zoo men Prior

Aymer met het krieken van den dag de achterdeur van de abdij zag

inkomen, naar huis sluipende van de eene of andere bijeenkomst, welke

in de uren der duisternis had plaats gehad, dan haalde men slechts

de schouders op, en verzoende zich met zijn ongeregeld gedrag door de

overweging, dat vele zijner makkers hetzelfde deden, en volstrekt geene

goede hoedanigheden bezaten, om daartegen op te wegen. Prior Aymer en

zijn karakter waren dus aan onze twee lijfeigenen wel bekend, die hem

met linkschen eerbied groetten en daarentegen met zijn "_Benedecite,

mes fils_," vereerd werden.

Maar het zonderlinge voorkomen van zijn reisgenoot en diens

bedienden trok hunne aandacht, en verwekte hunne verwondering zoo,

dat ze nauwelijks de vraag van den Prior van Jorvaulx hoorden:

"of ze eenige herberg in de nabuurschap kenden;" zoo zeer waren zij

verrast door het half kloosterlijk en half krijgshaftig uiterlijk

van den zwartverbranden vreemdeling, en door de zonderlinge kleeding

en wapenen van zijn Oostersche bedienden. Het is ook waarschijnlijk,

dat de taal, in welke de zegen uitgedeeld en de vraag gedaan werd,

onaangenaam, schoon vermoedelijk niet onverstaanbaar, in de ooren

der Saksische boeren klonk.

"Ik vroeg u, mijne kinderen," zei de Prior, zijn stem verheffende,

en de _lingua Franca_, of gemengde taal, gebruikende, in welke

de Normandiërs en Saksers met elkander spraken, "of er hier in de

nabijheid eenig goed mensch woont, die voor Godsloon, en uit eerbied

voor de heilige moederkerk, twee van haar nederigste dienaren met hun

gevolg, voor een enkelen nacht zou willen opnemen en verkwikken?" Dit

zeide hij op een toon van gewicht, die slecht overeenkwam met de

nederige woorden, welke hij goedvond te gebruiken.

"Twee der nederigste dienaren der heilige moederkerk!" herhaalde Wamba

bij zichzelven,--maar hoewel een nar, droeg hij zorg, zijn aanmerking

niet te doen hooren,--"dan zou ik wel eens willen zien hoe hare

kasteleinen, keldermeesters en voornaamste dienaren er uitzien!" Na

deze stille aanmerking op des Priors gezegde, sloeg hij de oogen

op en antwoordde op de gedane vraag: "Zoo de eerwaarde vaders een

goed onthaal en een zacht bed begeeren, kunnen ze, in een paar uren,

naar de abdij van Brinxworth komen, waar hun rang hun de eervolste

ontvangst verzekert; of zoo ze liever den avond in boetedoeningen

willen doorbrengen, kunnen ze gindsche woeste laan afrijden, welke

naar de kluis van Copmanhurst leidt, waar een vroom kluizenaar zeker

gaarne zijn hut en zijn gebeden met hen zal deelen."

"Goede vriend," zeide de Prior, het hoofd over beide voorstellen

schuddende, "zoo het eindeloos geluid uwer schelletjes uw verstand niet

verward had, zoudt gij wel weten, dat _Clericus clericum non decimat_,

dat wil zeggen: wij geestelijken verlangen geene gastvrijheid van

onze gelijken, maar zoeken liever die der leeken op, om hun dus de

gelegenheid te geven God te vereeren door zijn uitverkoren dienaren

te helpen en te ondersteunen."

"'t Is waar," hervatte Wamba, "dat, ofschoon ik maar een ezel ben, ik

de eer geniet schellen te dragen, even goed als uw muilezel, eerwaarde

heer; ik dacht echter, dat de liefdadigheid van de moederkerk en hare

dienaren bij zich zelve moest beginnen, evenals andere liefdadigheid."

"Zwijg met uwe onbeschaamdheid, kerel!" viel de gewapende ruiter

in, Wamba's gesnap op een trotschen en gebiedenden toon afbrekende,

"en zeg ons, of gij den weg weet naar--hoe noemt ge uw _Franklin_,

Prior Aymer?"

"Cedric," hernam deze; "Cedric den Sakser.--Zeg mij, vriend, zijn we

dicht bij zijn woning, en kunt ge ons den weg wijzen?"

"De weg zal moeielijk te vinden zijn," antwoordde Gurth, die nu voor

het eerst sprak, "en Cedric's huisgezin begeeft zich vroeg ter ruste."

"Bah! spreek mij daar niet van!" zei de krijgsman; "ze kunnen

gemakkelijk weer opstaan om in de behoeften te voorzien van reizigers

als wij, die ons niet zullen vernederen om de gastvrijheid af te

smeeken, die wij het recht hebben te vorderen."

"Ik weet niet," hernam Gurth op een knorrigen toon, "of ik den

weg naar het huis van mijn meester wijzen moet aan lieden, die de

gastvrijheid, welke de meesten gaarne als een gunst aannemen, als

een recht vorderen."

"Durft gij mij tegenspreken, slaaf!" riep de krijgsman; en zijn paard

de sporen gevende, liet hij het een sprong over den weg maken, terwijl

hij de zweep ophief om de onbeschaamdheid van den boer te kastijden.

Gurth wierp hem een woesten en wraakgierigen blik toe, en sloeg met

een woedende, schoon aarzelende, beweging de hand aan het hecht van

zijn mes; maar Prior Aymer, die zijn muilezel tusschen zijn reisgenoot

en den zwijnenhoeder dreef, belette de voorgenomen gewelddadigheid.

"Neen, bij de heilige Maria, broeder Brian! ge moet niet denken,

dat ge thans in Palestina zijt, heerschende over heidensche Turken

en ongeloovige Saraceenen; wij, eilanders, houden niet van slagen,

behalve van die der heilige moederkerk, welke de kinderen kastijdt,

die ze lief heeft. Wijs mij, goede vriend," zeide hij tot Wamba,

zijn verzoek door een kleine zilveren munt ondersteunende, "den weg

naar de woning van Cedric den Sakser; gij kent hem voorzeker, en het

is uw plicht den reiziger terecht te helpen, zelfs al ware zijn stand

minder heilig dan de onze."

"Waarlijk, eerwaarde vader!" antwoordde de nar, "het Saraceensche

hoofd van uwen zeer eerbiedwaardigen reisgezel heeft mij van schrik

den weg naar huis doen vergeten.--Ik ben er niet eens zeker van,

of ik er heden avond zelf wel komen zal."

"Kom, kom," zei de Abt, "gij kunt het ons wijzen, als gij maar

wilt. Deze eerwaarde broeder is zijn geheele leven bezig geweest met

tegen de Saraceenen ter verlossing van het Heilige Graf te vechten;

hij is van de orde der Tempelridders, van welke gij misschien wel

zult gehoord hebben; hij is half monnik en half soldaat."

"Als hij maar half monnik is," zei de nar, "moest hij niet geheel

en al onredelijk zijn tegenover degenen, welke hij op weg ontmoet,

al haasten zij zich ook niet om vragen te beantwoorden, die hen in

het geheel niet raken."

"Ik vergeef u uwe geestigheid," hervatte de Abt, "op voorwaarde,

dat gij mij den weg naar Cedric's huis toont."

"Nu dan," antwoordde Wamba, "de eerwaarde heeren moeten dit pad houden,

tot ze aan het vervallen kruis komen, dat nauwelijks ter lengte van een

el boven den grond uitsteekt; draait dan links om, want daar kruisen

zich vier paden, en ik hoop, dat ge een schuilplaats zult vinden,

eer de storm opkomt."

De Abt bedankte zijn wijzen raadgever; en de ruiters, hun paarden de

sporen gevende, ijlden voort als menschen, die verlangen de herberg

te bereiken, voor het uitbarsten van een nachtelijk onweder. Toen

het paardengetrappel verstomde, zeide Gurth tot zijn makker: "als de

eerwaarde vaders den weg volgen, dien gij hun zoo wijselijk aangewezen

hebt, zullen ze heden avond moeielijk Rotherwood bereiken."

"Neen," zei de nar grijnzende, "maar ze kunnen, als het goed gaat,

Sheffield bereiken, en dat is een even geschikte plaats voor hen. Ik

ben zulk een slecht jager niet, dat ik den hond zou wijzen, waar het

wild ligt, als ik niet wil, dat hij er jacht op maakt."

"Ge hebt gelijk," zeide Gurth; "het zou verkeerd zijn, als Aymer

jonkvrouw Rowena zag; en het ware mogelijk nog erger, als Cedric,

gelijk zeer waarschijnlijk is, met dezen krijgshaftigen monnik in

twist geraakte. Maar laten wij, als trouwe dienaren, hooren, zien

en zwijgen."

Wij keeren tot de ruiters terug, die weldra de lijfeigenen verre

achter zich gelaten hadden, en het volgende gesprek hielden in de

Normandisch-Fransche taal, waarvan zich de hoogere standen algemeen

bedienden, met uitzondering van die weinigen, welke nog op hunne

Saksische afkomst roem droegen.

"Wat verbeelden zich toch die kerels met hunne halsstarrige

onbeschaamdheid," zei de Tempelier tot den Cisterciënser, "en waarom

weerhieldt ge mij, toen ik ze kastijden wilde?"

"Waarlijk, broeder Brian," hernam de Prior, "wat den één aangaat,

kan ik moeielijk de reden opgeven, waarom een nar niet als een gek zou

praten; en de andere boer is van dat woeste, ruwe, ongetemde geslacht,

waarvan men nog velen vindt, zooals ik u dikwerf gezegd heb, onder de

afstammelingen der overwonnen Saksers, en die er het grootste behagen

in scheppen, op alle mogelijke wijze hun afkeer van de overwinnaars

te toonen."

"Ik zou hun de beleefdheid wel schielijk met slagen geleerd hebben,"

merkte Brian aan; "ik ben gewoon met zulk volk om te gaan: onze

Turksche gevangenen zijn trotsch en onbuigzaam als Odin zelf; maar

een verblijf van twee maanden in mijn huis, onder de tucht van mijn

opziener, maakt hen nederig, ootmoedig, gedienstig en gehoorzaam. Maar,

Heer Prior, men moet zich voor vergif en dolk bij hen wachten, want

als men hun er de minste gelegenheid toe geeft gebruiken zij beiden

zonder omslag."

"Goed," hernam Prior Aymer, "ieder land heeft zijn gewoonten en zeden;

en behalve dat wij, door dezen kerel te slaan, den weg naar Cedric's

woning niet zouden vernomen hebben, zou het zeker een twist tusschen

u en hem veroorzaakt hebben, zoodra wij bij hem aankwamen. Herinner

u, wat ik u gezegd heb: deze rijke _Franklin_ is trotsch, stout,

achterdochtig en oploopend, een tegenstander van den adel, en zelfs van

zijn buren, Reginald Front-de-Boeuf en Philip de Malvoisin, die toch

waarlijk geen kinderen zijn, om het er tegen op te nemen. Hij verdedigt

de voorrechten van zijn stam zoo stoutmoedig, en is zoo trotsch op

zijne lijnrechte afkomst van Hereward, een beroemd voorvechter der

_Heptarchie_, dat hij algemeen Cedric _de Sakser_ genoemd wordt; en

hij stelt er roem in tot dit volk te behooren, terwijl vele anderen

trachten hunne afkomst te verbergen, uit vrees van het _vae victis_,

dat is, van het lot der overwonnenen, te moeten ondergaan."

"Prior Aymer," zei de Tempelier, "gij zijt een man van de wereld, een

kenner van echte schoonheid, en even ervaren als een minnezanger in

alle zaken de liefde betreffende; maar ik moet al eene buitengewone

schoonheid in die beroemde Rowena verwachten, om op te wegen tegen

de zelfverloochening en het geduld, die ik noodig heb, om zulk een

oproerigen boer te vleien, als gij haren vader Cedric beschreven hebt."

"Cedric is haar vader niet," hervatte de Prior; "hij is slechts

een verre bloedverwant van haar; zij stamt van hooger bloed af, dan

zelfs dat, waarop hij aanspraak maakt. Tot haren voogd heeft hij zich,

naar ik meen, zelf aangesteld; maar zijne pupil is hem even dierbaar,

als een eigen kind. Over hare schoonheid zult gij weldra oordeelen;

en wanneer de blankheid van haar kleur en de gebiedende, maar zachte

uitdrukking van een teeder blauw oog de zwartgelokte meisjes van

Palestina, ja zelfs de _houris_ uit het paradijs van den ouden Mahomed,

niet uit uw geheugen verdrijven, zoo ben ik een ongeloovige en geen

echte zoon der Kerk."

"Wordt uwe geroemde schoonheid," zei de Tempelier, "te licht in de

schaal bevonden, dan weet gij onze weddenschap!"

"Mijn gouden halsketen tegen tien vaten Chios-wijn!" hernam de Prior;

"ze zijn de mijne, even zeker, alsof ze reeds in de gewelven van het

klooster lagen, onder bewaring van den ouden keldermeester Dennis."

"En ik zal zelf rechter zijn," zei de Tempelier, "en alleen veroordeeld

worden als ik beken, dat ik sedert Pinkster een jaar zulk een mooi

meisje niet gezien heb. Zoo luidt onze overeenkomst, niet waar?--Prior,

uw halsketen loopt gevaar; ik zal ze over mijn ringkraag dragen bij

het tournooi te Ashby-de-la-Zouche."

"Win ze eerlijk," antwoordde de Prior, "en draag ze wanneer ge

wilt. Ik zal uw uitspraak vertrouwen, op uw woord als ridder en

geestelijke. Maar, broeder! volg mijn raad: gewen u aan wat meer

beleefdheid, dan die waaraan gij tot hiertoe bij het heerschen over

ongeloovige gevangenen en Oostersche slaven gewoon zijt. Als Cedric

de Sakser zich beleedigd voelt,--en hij is zeer licht geraakt;--dan is

hij er de man naar, om ons, zonder eerbied voor uwe ridderschap, voor

mijn hoog ambt en de heiligheid van beiden, het huis uit te zetten,

en ons op het veld bij de leeuweriken te laten slapen, al ware het

ook middernacht. Pas ook op, met welke oogen gij Rowena aanziet; hij

bewaakt haar met angstige zorg en als hij daaromtrent den minsten

argwaan opvat, zijn wij verloren. Men zegt, dat hij zijn eenigen

zoon uit zijn huis verbannen heeft, omdat hij met verliefde oogen

deze schoone durfde aanzien, die, naar het schijnt, op een afstand

mag vereerd, maar niet anders genaderd worden, dan met de gedachten,

welke wij bij het altaar der Moeder Gods medebrengen."

"Nu, gij hebt al genoeg gezegd," hernam de Tempelier; "ik zal mij voor

één avond inhouden, en mij zoo zachtzinnig als een meisje gedragen,

waar wat de vrees betreft, dat hij ons met geweld verjagen zou;

voor dergelijke beleediging zullen ik zelf, mijn schildknapen, en

Abdalla en Hamet u beschermen. Vrees niet, wij zijn sterk genoeg,

om ons met geweld kwartier te verschaffen!"

"Wij moeten het zoo ver niet laten komen," antwoordde de Prior;

"maar hier is het vervallen kruis, waarvan de nar gesproken heeft,

en de nacht is zoo duister, dat wij nauwelijks zien kunnen, welken

weg te volgen. Hij heeft ons, meen ik, gezegd, wij moesten links gaan?"

"Rechts," zeide Brian, "voor zoo ver ik mij herinneren kan."

"Links--zeker links; ik herinner mij, dat hij met zijn houten zwaard

daarheen wees."

"Ja! maar hij hield het zwaard in de linker hand, en wees over zijn

lichaam heen," hervatte de Tempelier.

Ieder bleef hardnekkig bij zijn meening, gelijk meestal gebeurt in

dergelijke gevallen. Men beriep zich op het gevolg; maar de bedienden

waren te ver af geweest, om Wamba's aanwijzingen te hooren. Eindelijk

bespeurde Brian iets, hetwelk hem eerst in de schemering ontgaan

was. "Hier ligt aan den voet van het kruis iemand die slaapt, of dood

is.--Hugo, stoot hem aan met uwe lans." Nauwelijks was dit geschied,

of de gedaante rees op, in goed Fransch uitroepende: "Wie gij ook

zijn moogt, het is onbeleefd mij in mijne overpeinzingen te storen."

"Wij wilden u slechts den weg naar Rotherwood, de woonplaats van

Cedric den Sakser vragen," zei de Prior.

"Ik ga er zelf heen," hernam de vreemdeling; "en als ik een paard

had, zou ik uw gids zijn; want de weg is wat moeielijk te vinden,

schoon mij volkomen bekend."

"Gij zult dank en belooning verdienen," hervatte de Prior, "zoo

gij ons veilig bij Cedric brengt." Hierop deed hij een van zijne

bedienden zijn eigen ros, dat tot hiertoe gemend werd, bestijgen,

en liet het paard waarop deze gereden had, aan den vreemdeling geven,

die tot gids dienen wilde.

Hun leidsman sloeg een anderen weg in, dan dien, welken Wamba

hun had aangewezen, om hen op het dwaalspoor te brengen. Het pad

leidde weldra dieper door het woud, en over menige beek, die door

de omringende moerassen dikwerf moeielijk te naderen was; maar de

vreemdeling scheen, als door instinkt, den veiligsten grond en de

beste plaatsen tot den overtocht te kennen; en, door voorzichtigheid

en oplettendheid, bracht hij het reisgezelschap in een breedere laan,

dan ze nog gezien hadden; en op een groot, laag, onregelmatig gebouw

wijzende, dat aan het einde daarvan stond, zeide hij tot den Prior:

"Ginds is Rotherwood, de woning van Cedric den Sakser."

Dit was eene blijde tijding voor Aymer, wiens zenuwen niet van

de sterkste waren, en die zooveel angst en onrust op den weg door

de gevaarlijke moerassen doorstaan had, dat hij nog niet eens de

gelegenheid had gehad, eene enkele vraag aan zijn gids te doen. Zich

nu weder verlicht, en dicht bij een schuilplaats ziende, begon zijn

nieuwsgierigheid te ontwaken, en hij vroeg den leidsman, wie en wat

hij was?

"Een pelgrim, zoo even uit het Heilige Land teruggekeerd!" was het

antwoord.

"Ge hadt daar liever moeten blijven, om voor het Heilige Graf te

strijden!" zei de Tempelier.

"Zeker, eerwaarde heer ridder," hervatte de pelgrim, wien het voorkomen

van den Tempelier geheel niet vreemd scheen; "maar wanneer zij, die

door hun eed verplicht zijn, de Heilige Stad te veroveren, zoo ver van

het tooneel hunner plichten rondreizen, kunt gij u dan verwonderen,

dat een vreedzame landman, zooals ik, een voornemen opgaf, waarvan

zij afgezien hebben?"

De Tempelier wilde een toornig antwoord geven, maar de Prior viel

hem in de rede, en betuigde opnieuw zijne verbazing, dat hun gids,

na eene lange afwezigheid, zoo goed den weg door het woud kende.

"Ik ben in deze streken geboren!" antwoordde hij; en reeds stonden zij

voor Cedric's woning;--een laag, onregelmatig gebouw, verscheidene

plaatsen, of omheiningen, omvattende, en zich over een groote

ruimte uitstrekkende. Schoon de grootte daarvan den rijkdom van den

bezitter bewees, verschilde het zeer van de hooge, met torens bezette,

kasteelachtige gebouwen, door de Normandische edelen bewoond; welke

bouworde toen in geheel Engeland algemeen was geworden. Rotherwood

was intusschen niet zonder verdedigingsmiddelen: geen gebouw kon

die ook in deze onrustige tijden missen, zonder gevaar te loopen op

een schoonen morgen uitgeplunderd en verbrand te worden. Een diepe

gracht omringde het geheele huis, en werd door een naburigen stroom

met water voorzien. Dubbele palissaden van puntige balken, welke het

nabij gelegen woud opleverde, verdedigden den buiten- en binnenkant der

gracht. Er was een ingang, ten westen, door de buitenste palissaden,

welke door een ophaalbrug met een soortgelijke opening aan den

binnenkant in gemeenschap stond. Men had nog daarenboven deze ingangen

door vooruitspringende hoeken beschermd, van welke zij, in geval van

nood, door boogschutters en slingeraars konden bestreken worden.

Vóór dezen ingang blies de Tempelier luid op zijn horen, want de regen,

die lang gedreigd had, begon nu met geweld te vallen.

Ivanhoe(#26564) · 第 8 / 67 题