Het plan van Ivan Ogareff was met de grootste zorg opgemaakt en,
behoudens onwaarschijnlijke kansen, moest het gelukken. Het kwam er op
aan dat de Bolchaïa-poort vrij was op het oogenblik dat hij haar zou
overleveren. Daarom moest, op dat oogenblik, de aandacht der belegerden
naar een ander punt der stad worden afgetrokken. Er was alzoo omtrent
eene afleiding met den emir overeengekomen.
Deze afleiding moest aan de zijde der voorstad van Irkoetsk plaats
hebben, boven- en benedenwaarts van den stroom, op den rechteroever. De
aanval op deze punten zou zeer ernstig zijn en tegelijkertijd zou een
schijn-overtocht van de Angara op haren linkeroever beproefd worden.
Waarschijnlijk zou de Bolchaïa-poort dan van troepen ontbloot worden,
te meer omdat de Tartaarsche posten aan die zijde achterwaarts
verplaatst wordende, het den schijn zou hebben alsof deze ingerukt
waren.
Men schreef 5 October. Binnen vier en twintig uren moest de hoofdstad
van Oostelijk-Siberië in handen van den emir zijn en de grootvorst in
de macht van Ivan Ogareff.
Gedurende dien dag had er eene ongewone beweging plaats in het kamp aan
de Angara. Uit de ramen van het paleis en van de huizen op de
rechteroever, zag men duidelijk dat op den tegenoverliggenden oever
groote toebereidselen werden gemaakt. Talrijke afdeelingen Tartaren
richtten zich naar het kamp en kwamen van uur tot uur de troepen des
emirs versterken. Het was de overeengekomen afleiding die, op zeer
merkbare wijze, werd gereedgemaakt.
Overigens verheelde Ivan Ogareff het niet voor den grootvorst dat er,
van die zijde, een aanval te vreezen was. Hij wist, zeide hij, dat er
boven en beneden de stad, eene bestorming zou worden beproefd en hij
raadde den grootvorst deze meer rechtstreeks bedreigde punten te
versterken.
Daar de waargenomen toebereidselen den door Ivan Ogareff gegeven raad
kracht bijzetten, was het dringend noodig daarmede rekening te houden.
Na het houden van een krijgsraad op het paleis, werden dan ook bevelen
gegeven om de verdediging samen te trekken op den rechteroever der
Angara en aan de beide uiteinden der stad, daar waar de aardwerken op
de rivier steunden.
Dat was juist wat Ivan Ogareff wilde. Hij rekende er natuurlijk niet
op, dat de Bolchaïa-poort zonder verdedigers zou gelaten worden, maar
wel dat hun aantal gering zou zijn. Overigens had Ivan Ogareff er voor
gezorgd dat de afleiding op zoo’n groote schaal zou geschieden, dat de
grootvorst verplicht zou zijn er zijne geheele beschikbare troepenmacht
tegen over te stellen.
Bovendien moest eene zeer ernstige gebeurtenis, door Ivan Ogareff
bedacht, de uitvoering zijner plannen krachtig bevorderen. Al werd
Irkoetsk niet op twee van de Bolchaïa-poort verwijderde punten en van
den rechteroever der rivier aangetast, dan zou de bedoelde gebeurtenis
nog voldoende zijn geweest om de samenwerking der verdedigers naar het
punt te lokken, waar Ivan Ogareff hen juist wilde hebben. Hij zou,
tegelijkertijd, eene vreeselijke ramp teweegbrengen.
Alle kansen stonden dus gunstig om de poort, op het bepaalde uur bijna
onbezet, aan de duizenden Tartaren over te leveren, die onder
beschutting der dichte oostelijke wouden stonden te wachten.
Gedurende dezen dag, waren de bezetting en de bevolking van Irkoetsk
voortdurend op den uitkijk. Alle maatregelen, door een ophanden zijnden
aanval op de tot dusver ontziene punten geboden, waren genomen. De
grootvorst en generaal Woranzoff bezochten de posten, die op hun bevel
versterkt waren. Het keurkorps van Wassili Fedor bezette het noordelijk
gedeelte der stad, maar had in last zich derwaarts te begeven, waar het
gevaar het grootst was. De rechteroever der Angara was voorzien van het
weinige geschut dat beschikbaar was. Door deze tijdig genomen
maatregelen, te danken aan de mededeelingen van Ivan Ogareff zoo van
pas gedaan, mocht men hopen dat de voorgenomen aanval niet zou
gelukken. In dat geval zouden de voor het oogenblik ontmoedigde
Tartaren eene nieuwe poging tegen de stad waarschijnlijk eenige dagen
uitstellen. En nu konden de door den grootvorst verwachte troepen ieder
uur aankomen. Het behoud of het verlies van Irkoetsk hing dus slechts
aan éen draad.
De zon, dien dag te zes uur twintig minuten opgegaan, ging om vijf uur
twintig minuten onder, na hare schijf gedurende elf uren boven den
gezichteinder rondgewenteld te hebben. De schemering zou nog twee uur
tegen den nacht te worstelen hebben. Daarna zou de ruimte in dichte
duisternis gehuld worden, want dikke wolken stapelden zich in de lucht
op en de maan, die nieuw was, zou zich niet vertoonen.
Deze diepe duisternis zou de plannen van Ivan Ogareff volkomen
bevorderen.
Reeds gedurende eenige dagen ging een buitengewoon hevige koude den
Siberischen winter vooraf en dien avond was zij nog gevoeliger. De op
den rechteroever der Angara geplaatste soldaten, hadden om hunne
aanwezigheid te verbergen, geen wachtvuren aangestoken. Zij leden dus
vreeselijk door deze geduchte daling der temperatuur. Eenige voeten
onder hen dreven de ijsschotsen voorbij, die den stroom der rivier
volgden. Men had ze den geheelen dag in gesloten rijen, tusschen de
beide oevers, zien voorbijdrijven. Deze door den grootvorst en zijne
officieren opgemerkte omstandigheid, werd als zeer gelukkig beschouwd.
Het was duidelijk dat, zoo het bed der Angara verstopt werd, de
overtocht geheel ondoenlijk zou worden. De Tartaren zouden vlotten noch
schuiten kunnen besturen en het was ook niet aan te nemen dat zij den
stroom op deze ijsschotsen, als ze zich aan elkander vast hadden
gehecht, zouden oversteken. Het pas verbonden ijsveld zou aan den
overgang eener stormkolonne geen voldoenden wederstand hebben geboden.
Maar omdat deze omstandigheid den verdedigers van Irkoetsk gunstig
scheen, had Ivan Ogareff hare verschijning moeten betreuren. Dit was
intusschen geenszins het geval! De verrader wist maar al te goed, dat
de Tartaren den overtocht der Angara niet zouden beproeven en dat hunne
pogingen van die zijde slechts eene krijgslist zouden zijn.
Intusschen werd de toestand der rivier tegen tien uur ’s avonds
merkelijk gewijzigd tot groote verrassing der belegerden en, thans,
niet in hun voordeel. De overtocht, tot dusver onmogelijk, werd
eensklaps doenlijk. Het bed der Angara was weder open geworden. De
ijsschotsen, die gedurende de laatste dagen in grooten getale
voorbijgetrokken waren, verdwenen benedenwaarts en het was veel als er
nu vijf of zes waren in de ruimte, tusschen beide oevers begrepen. Zij
vertoonden zelfs de samenstelling niet meer van de in gewone
omstandigheden en onder den invloed eener regelmatige koude gevormde
schotsen. Het waren eenvoudige brokken van een of ander ijsveld
losgescheurd, waarvan de scherpe brokken geene ruwe bobbels vertoonden.
De Russische officieren die deze wijziging in den toestand der rivier
waarnamen, gaven er den grootvorst kennis van. Overigens was, als reden
voor die verandering, aantenemen dat de ijsschotsen zich op een nauw
punt der Angara hadden opgehoopt, zoodanig dat zij eene verstopping
vormden.
Men weet dat dit het geval was.
De overtocht der Angara stond dus voor de belegeraars open. Daardoor
waren de Russen genoodzaakt met nog meer oplettendheid wacht te houden.
Tot middernacht viel er niets bijzonders voor. Aan de oostzijde voorbij
de Bolchaïa-poort, was het volkomen rustig. Geen wachtvuur was er
zichtbaar in die dichte wouden, die aan den gezichteinder met de laag
hangende wolken ineensmolten.
In het kamp van de Angara heerschte daarentegen, blijkens het
veelvuldig verplaatsen van lichten, groote drukte.
Op eene werst boven en beneden het punt waar de wal zich aan den
steilen rivieroever aansloot, werd een dof geraas vernomen, ’t welk
aantoonde dat de Tartaren op de been waren, in afwachting van eenig
sein. Weder verliep er een uur. Niets nieuws.
De klok der hoofdkerk van Irkoetsk zou twee uur slaan en nog had geene
enkele beweging verraden dat de belegeraars vijandelijke bedoelingen in
den zin hadden.
De grootvorst en zijne officieren vroegen zich af of zij niet in
dwaling gebracht waren en of het werkelijk in het plan der Tartaren lag
om de stad te willen verrassen. De vorige nachten waren, bij lange na,
zoo kalm niet geweest. Er vielen toen geweerschoten in de richting der
voorposten, granaten doorkruisten de lucht en thans, niets.
De grootvorst, generaal Woranzoff en hunne adjudanten wachtten dus,
gereed om, naar gelang der omstandigheden, bevelen te geven.
Men weet dat Ivan Ogareff eene kamer in het paleis had. Het was eene
vrij groote zaal, gelijkvloers en waarvan de ramen uitkwamen op een
terras dat er langs liep. Men behoefde slecht eenige schreden op dit
terras te doen om den geheelen loop der Angara te kunnen overzien. Er
heerschte eene diepe duisternis in deze zaal. Bij een venster staande,
wachtte Ivan Ogareff het uur van handelen af. Blijkbaar kon hij alleen
het sein geven. Dit sein eenmaal gegeven zijnde en het meerendeel der
verdedigers van Irkoetsk naar de openlijk aangetaste punten opgeroepen
zijnde, was het zijn voornemen het paleis te verlaten en zijn werk te
gaan volbrengen. Hij wachtte dus in de duisternis als een wild beest,
dat gereed is om zich op zijn prooi te werpen.
Intusschen vroeg de grootvorst, eenige minuten voor twee uur om Michael
Strogoff—den eenigen naam dien hij aan Ivan Ogareff kon geven—bij hem
te brengen. Een adjudant kwam tot voor zijne kamer, die gesloten was.
Hij riep hem...
Onbeweeglijk aan het venster staande en onzichtbaar in de schaduw,
wachtte Ivan Ogareff zich wel antwoord te geven.
Men berichtte dus aan den grootvorst dat de koerier van den czaar, op
dit oogenblik, niet in het paleis was.
Het sloeg twee uur. Dit was het oogenblik om de met de Tartaren—voor de
bestorming gereed staande—overeengekomen afleiding te doen aanvangen.
Ivan Ogareff opende het venster zijner kamer en plaatste zich op den
noordelijken hoek van het terras.
In de schaduw, beneden hem, stroomden de wateren der Angara, die
brullende op de uitstekende hoeken der pijlers braken.
Ivan Ogareff haalde een stuk lont uit zijn zak, stak het aan en deed
daarmee een weinig met laadkruit doortrokken vlas of werk ontbranden.
Dit laatste wierp hij in de rivier...
Het was op bevel van Ivan Ogareff geweest dat stroomen minerale olie op
de oppervlakte der Angara waren uitgestort!
Boven Irkoetsk werden op den rechteroever naphtabronnen geëxploiteerd,
tusschen het vlek Poshkavsk en de stad. Ivan Ogareff had besloten om
dit vreeselijke middel te bezigen om Irkoetsk in brand te steken. Hij
maakte zich derhalve meester van de onmetelijke vergaarbakken, waarin
de brandbare vloeistof bewaard werd.
Het afbreken van een muur was voldoende om ze in groote hoeveelheid te
doen wegstroomen.
Dit was dezen nacht, eenige uren geleden, geschied en daarom dreef het
vlot, dat den echten koerier van den czaar, Nadia en de vluchtelingen
overvoerde, op een stroom van minerale olie. Door de bressen in deze
vergaarbakken, die millioenen kubieke meter inhielden, had de naphta
zich als een stortvloed naar buiten geworpen en had zij zich, de
natuurlijke helling van den bodem volgende, over de oppervlakte van de
rivier verspreid, waarop hare dichtheid haar deed drijven.
Zoo verstond Ivan Ogareff den oorlog! Bondgenoot der Tartaren, handelde
hij als een Tartaar en tegen zijn eigen landgenooten!
Het brandende werk was op de wateren der Angara geworpen. In een
oogenblik alsof de stroom uit alkohol bestond, stond de rivier, zoo
boven- als benedenwaarts, met de snelheid der electriciteit, in vuur.
Blauwachtige vlammen kronkelden zich tusschen beide oevers. Groote
roetkleurige dampen dwarrelden er boven. De enkele ijsschotsen die nog
afdreven, smolten, door het vurige water aangetast, als was boven een
oven en het verdampte water ontsnapte in de lucht met een oorverdoovend
gefluit.
Op hetzelfde oogenblik ontbrandde geweervuur ten noorden en ten zuiden
van de stad. De batterijen in het kamp der Angara vuurden met volle
lagen. Verscheidene duizenden Tartaren bestormden de aardwerken. De
huizen op de oevers van hout gebouwd, vatten aan alle zijden vuur. Een
ontzettende gloed verdreef de schaduw van den nacht.
»Eindelijk!” zeide Ivan Ogareff.
En hij had recht om zich lof toe te zwaaien! De afleiding, die hij
uitgedacht had, was vreeselijk. De verdedigers van Irkoetsk waren nu
tusschen den aanval der Tartaren en de verschrikkingen van den brand
geplaatst. De klokken luidden en al wat onder de bevolking weerbaar
was, begaf zich naar de aangevallen punten en naar de huizen verteerd
door het vuur, dat zich aan de geheele stad dreigde mede te deelen.
De Bolchaïa-poort was bijna vrij. Men had er nauwelijks eenige
verdedigers achtergelaten. En op aanraden van den verrader zelven, én
opdat de zaak, als zij gebeurd zou zijn, buiten hem en uit
staatkundigen haat zou kunnen worden verklaard, waren deze weinige
verdedigers uit het kleine korps ballingen gekozen.
Ivan Ogareff kwam in zijne kamer terug die toen schitterend verlicht
was door de vlammen der Angara, die zich boven de hekken van het terras
verhieven. Daarna maakte hij zich gereed om uit te gaan.
Maar nauwelijks had hij de deur geopend, of eene vrouw stortte zich in
de kamer met natte kleederen en verward haar.
»Sangarre!” riep Ivan Ogareff in het eerste oogenblik van verrassing
uit en in de verbeelding dat het niemand anders dan de zigeunerin kon
zijn.
Het was Sangarre niet, het was Nadia.
Op het oogenblik dat het meisje op de ijsschots gevlucht, een kreet had
geslaakt toen zij de Angara den brand zag verspreiden, had Michael
Strogoff haar in zijne armen genomen en was hij met haar ondergedoken
om, in de diepten der wateren zelven, eene beschutting tegen de vlammen
te zoeken. Men weet dat de schots die hen droeg toen niet meer dan een
dertig vademen van de eerste kade boven Irkoetsk verwijderd was.
Na onder water gezwommen te hebben, gelukte het Michael Strogoff, met
Nadia op de kade vasten voet te krijgen.
Eindelijk bereikte Michael Strogoff zijn doel! Hij was te Irkoetsk!
»Naar het paleis van den gouverneur!” zeide hij tot Nadia.
Binnen tien minuten kwamen beiden aan den ingang van dat paleis,
waarvan de steenen grondlagen door de vurige tongen der Angara werden
gelekt, maar die door den brand niet bereikt konden worden.
Er voorbij stonden al de huizen op den oever in vlammen.
Zonder moeite traden Michael Strogoff en Nadia dat voor iedereen
geopende paleis binnen. Door de algemeene verwarring merkte niemand hen
op, hoewel hunne kleederen doornat waren.
Eene menigte officieren die orders kwamen halen en soldaten die ze
uitvoerden, vulden de groote zaal gelijkvloers. Daar werden Michael
Strogoff en het meisje, door een plotseling gedrang van de verschrikte
menigte, van elkander gescheiden.
Nadia liep verwilderd door de benedenzalen, haar makker roepende en
vragende om voor den grootvorst te worden gebracht.
Eene deur, die toegang gaf tot eene van licht schitterende kamer,
opende zich voor haar. Zij trad binnen en bevond zich onverwachts
tegenover hem dien zij te Ichim gezien had, dien zij te Tomsk gezien
had, tegenover hem wiens schelmsche hand, een oogenblik later, de stad
zou overleveren!
»Ivan Ogareff!” riep zij uit.
De ellendeling sidderde toen hij zijn naam hoorde uitspreken. Was zijn
ware naam bekend, dan leden al zijn plannen schipbreuk. Hem bleef
slechts eene zaak over: het wezen, dat hem had uitgesproken,
onverschillig wie het was, te dooden.
Ivan Ogareff wierp zich op Nadia; maar het meisje plaatste zich, met
een mes in de hand, tegen den muur, gereed om zich te verdedigen.
»Ivan Ogareff!” schreeuwde Nadia nogmaals, wel wetende dat deze
verachte naam haar hulp zou doen toekomen.
»Zwijg!” zeide de verrader.
»Ivan Ogareff!” schreeuwde het onverschrokken meisje voor de derde maal
met eene stem, die de haat tienmaal sterker had gemaakt.
Door woede bedwelmd, trok Ivan Ogareff een dolk uit zijn gordel, wierp
zich op Nadia en drong haar in een hoek van de zaal.
Het ware met haar gedaan geweest, toen de ellendeling, plotseling door
eene onweerstaanbare kracht opgeheven, op den grond rolde.
»Michael,” riep Nadia uit.
Het was Michael Strogoff.
Michael Strogoff had het geroep van Nadia gehoord. Door hare stem
geleid, was hij tot aan de kamer van Ivan Ogareff gekomen en door de
openstaande deur binnengetreden.
»Vrees niets, Nadia,” zeide hij, zich tusschen haar en Ivan Ogareff
plaatsende.
»Ach!” riep het meisje uit, »neem u in acht, broeder!.... De verrader
is gewapend!.... Hij ziet goed, hij!....”
Ivan Ogareff was opgestaan en met den blinde gemakkelijk spel meenende
te hebben, wierp hij zich op Michael Strogoff. Maar de blinde greep den
helderziende met de eene hand bij den arm en, met de andere zijn wapen
afwerende, smeet hij hem ten tweeden male op den grond.
Bleek van woede en schaamte, bedacht Ivan Ogareff zich dat hij een
degen droeg. Hij trok hem uit de scheede en ging er weer op los.
Hij ook had Michael Strogoff herkend. Een blinde! Tenslotte had hij
slechts met een blinde te doen! De partij stond schoon voor hem!
Nadia bevreesd voor het gevaar dat haar makker in zoo’n ongelijke
worsteling bedreigde, vloog naar de deur en riep om hulp.
»Nadia, doe die deur dicht!” zeide Michael Strogoff. »Roep niemand en
laat mij mijn gang gaan! De koerier van den czaar heeft heden van dien
ellendeling niets te vreezen! Laat hij op mij afkomen, zoo hij durft!
Ik wacht hem af.”
Intusschen sprak Ivan Ogareff, die als een tijger op de loer lag, geen
woord. Hij had het geluid van zijn stap, zelfs zijne ademhaling wel
voor het oor van den blinde willen wegdoen. Hij wilde hem treffen voor
dat hij hem hoorde naderen; hij wilde hem met een wissen stoot treffen.
De verrader dacht er niet aan om te vechten, maar om hem, wiens naam
hij gestolen had, te vermoorden.
Nadia, bevreesd en tegelijkertijd vertrouwende, aanschouwde dit
vreeselijk tooneel met eene soort van bewondering. Het scheen dat de
bedaardheid van Michael Strogoff zich plotseling aan haar had
medegedeeld. Michael Strogoff had, wel is waar, geen ander wapen dan
zijn Siberisch mes en hij zag zijn tegenstander niet, die met een degen
gewapend was. Maar door welke hemelsche goedheid scheen hij hem dan den
meester te zijn? Hoe kwam het dat hij, zonder zich bijna te
verplaatsen, steeds front maakte tegenover de punt van zijn degen?
Ivan Ogareff bespiedde, met zichtbaren angst, zijn zonderlingen
tegenstander. De bovenmenschelijke bedaardheid had invloed op hem. Te
vergeefs zeide hij tot zichzelven dat, wanneer hij met zijne rede te
rade ging, al het voordeel in zulk een ongelijk gevecht, geheel aan
zijn kant moest zijn. Die onbeweeglijkheid van den blinde verlamde hem.
Zijn blik had de plek opgezocht waar hij zijn slachtoffer moest
treffen.... Hij had haar gevonden!.... Wat weerhield hem dan om er een
eind aan te maken?....
Eindelijk deed hij een sprong en richtte hij een degenstoot op Michael
Strogoff’s borst.
Eene bijna onmerkbare beweging van het mes van den blinde weerde den
stoot af. Michael Strogoff was niet geraakt en wachtte koelbloedig,
zonder uittarting, een tweeden aanval af.
Een ijskoud zweet druppelde van het voorhoofd van Ivan Ogareff. Hij
ging een pas achterwaarts en viel toen weer uit. Maar de tweede stoot
trof evenmin als de eerste. Een eenvoudige afwering met het breede mes
was voldoende om den nutteloozen degen van den verrader te doen
afwijken.
Deze, dol van woede en schrik tegenover dat levende standbeeld, richtte
zijne bevreesde blikken op de wijd geopende oogen van den blinde. Die
oogen, die tot in het diepst zijner ziel schenen te lezen en niet
zagen, niet konden zien, die oogen oefenden eene verschrikkelijke
betoovering op hem uit.
Plotseling liet Ivan Ogareff een kreet hooren.
Er was onverwachts een licht voor zijne gedachte opgegaan.
»Hij ziet,” riep hij uit, »hij ziet!....”
En, als een wild dier dat in zijn hol tracht binnen te sluipen, liep
hij achteruit, schrede voor schrede en geheel terneergeslagen, naar het
achtergedeelte der zaal.
Toen kwam er leven in het standbeeld, de blinde liep recht op Ivan
Ogareff toe en zich vlak voor hem plaatsende, zeide hij:
»Ja, ik zie! Ik zie den knoetslag, waarmee ik u gemerkt heb, verrader
en lafaard! Ik zie de plek waar ik u nu zal treffen! Verdedig uw leven!
Ik verwaardig mij u een tweegevecht aan te bieden! Mijn mes zal het
tegen uw degen opnemen!”
»Hij ziet,” zeide Nadia tot zichzelve. »Barmhartige God, zou het
mogelijk zijn!”
Ivan Ogareff voelde dat hij verloren was. Maar, door eene opwelling
zijner wilskracht moed vattende, vloog hij met getrokken degen op zijn
onwrikbaren tegenstander los. De beide klingen kruisten zich, maar het
mes van Michael Strogoff, door de hand van een Siberisch jager gevoerd,
deed den degen in stukken vliegen en de ellendeling viel, in het hart
getroffen, dood op den grond.
Op dit oogenblik werd de kamerdeur van buiten opengeduwd. De
grootvorst, door zijne officieren vergezeld, vertoonde zich op den
drempel.
De grootvorst trad voorwaarts. Hij herkende, in het op den grond
liggende lijk, dat van hem dien hij voor den koerier des czaars hield.
En toen vroeg hij op dreigenden toon:
»Wie heeft die man gedood?”
»Ik,” antwoordde Michael Strogoff.
Een der officieren legde zijn revolver op zijn slaap aan, gereed om
vuur te geven.
»Uw naam?” vroeg de grootvorst, voor dat hij bevel gaf hem het hoofd te
verbrijzelen.
»Uwe Hoogheid vrage mij liever den naam van den man die aan hare voeten
ligt uitgestrekt!” antwoordde Michael Strogoff.
»Ik herken dien man! Het is een dienaar van mijn broeder! Het is de
koerier van den czaar!”
»Uwe Hoogheid, die man is geen koerier van den czaar! Het is Ivan
Ogareff!”
»Ivan Ogareff?” riep de grootvorst uit.
»Ja, Ivan de verrader!”
»Maar gij, wie zijt gij dan?”
»Michael Strogoff!”