Eene plotselinge beweging dreef alle leden van den raad naar de half
openstaande deur. Een koerier van den czaar, te Irkoetsk aangekomen!
Zoo deze officieren een oogenblik over de onwaarschijnlijkheid van dit
feit hadden nagedacht, zouden zij het zeker voor onmogelijk hebben
gehouden.
De grootvorst was haastig naar zijn adjudant toegestapt en zeide:
»Die koerier!”
Er trad een man binnen. Hij zag er uitgeput van vermoeienis uit. Hij
droeg de kleeding van een Siberischen boer, die versleten en gescheurd
was en die sporen van kogels vertoonde. Eene Moscovische muts dekte
zijn hoofd. Eene slecht geheelde houw liep dwars over zijn gelaat. Die
man had blijkbaar een langen en moeilijken weg afgelegd. De slechte
toestand van zijn schoeisel bewees zelfs dat hij een gedeelte van zijne
reis te voet had afgelegd.
»Zijne Hoogheid de grootvorst,” riep hij uit toen hij binnen trad.
De grootvorst ging naar hem toe.
»Gij zijt een koerier van den czaar?” vroeg hij.
»Ja, Uwe Hoogheid.”
»Gij komt....?”
»Van Moskou.”
»Gij hebt Moskou verlaten....?”
»Den 15den Juli.”
»Gij heet....?”
»Michael Strogoff.”
Het was Ivan Ogareff. Hij had den naam en de hoedanigheid aangenomen
van hem, dien hij tot machteloosheid gedoemd waande. Noch de
grootvorst, noch iemand anders kenden hem te Irkoetsk en het was zelfs
niet noodig geweest dat hij zich vermomde. Daar hij zijne voorgewende
identiteit kon staven, zou niemand aan hem kunnen twijfelen. Door een
ijzeren wil gesteund, kwam hij alzoo door verraad en moord de
ontknooping van het invalstreurspel verhaasten.
Na het antwoord van Ivan Ogareff gaf de grootvorst een teeken en
verwijderden al zijne officieren zich.
De valsche Michael Strogoff en hij bleven alleen in de zaal.
De grootvorst bekeek Ivan Ogareff zeer aandachtig en vroeg toen:
»Gij waart 15 Juli te Moskou?”
»Ja, Uwe Hoogheid en ’s nachts van 14 op 15 Juli, heb ik Zijne
Majesteit den czaar in het Nieuwe Paleis gezien.”
»Hebt gij een brief van den czaar?”
»Hier is hij.”
En Ivan Ogareff gaf den grootvorst den keizerlijken brief over, die
microscopische afmetingen had aangenomen.
»Is deze brief u in dien staat ter hand gesteld?”
»Neen, Uwe Hoogheid, maar ik heb den omslag moeten verscheuren, om haar
beter voor de soldaten van den emir te verbergen.”
»Zijt gij dan bij de Tartaren gevangen geweest?”
»Ja, Uwe Hoogheid, eenige dagen,” antwoordde Ivan Ogareff. »Daarom ben
ik, hoewel 15 Juli van Moskou vertrokken, zooals de dagteekening van
den brief aanwijst, eerst 2 October te Irkoetsk aangekomen, dus na eene
reis van negen en zeventig dagen.”
De grootvorst nam den brief aan. Hij ontvouwde hem en herkende de
handteekening van den czaar, voorafgegaan door het eigenhandig
geschreven vaste formulier. Er bleef dus, ten aanzien van de echtheid
van brief en koerier, geen twijfel over. Had de woeste uitdrukking van
zijn gelaat den grootvorst aanvankelijk wantrouwen ingeboezemd, waarvan
hij niets liet blijken, dat wantrouwen was nu geheel geweken.
De grootvorst sprak niet gedurende eenige oogenblikken. Hij las den
brief zeer langzaam, ten einde den zin er van goed te vatten.
Daarna het gesprek hervattende, vroeg hij:
»Michael Strogoff, weet gij den inhoud van dezen brief?”
»Ja, Uwe Hoogheid. Ik kon in de noodzakelijkheid komen om hem te
vernietigen opdat hij niet in de handen der Tartaren zou vallen en, in
dit geval, wilde ik de woorden nauwkeurig aan Uwe Hoogheid
overbrengen.”
»Gij weet dat deze brief ons gebiedt te Irkoetsk te sterven, liever dan
de stad over te geven?”
»Ik weet het.”
»Gij weet ook dat hij eene aanwijzing bevat van de bewegingen der
troepen, die vereenigd zijn, om den inval tot staan te brengen?”
»Ja, Uwe Hoogheid, maar die bewegingen zijn niet gelukt.”
»Wat wilt gij daarmede zeggen?”
»Ik wil zeggen, dat Ichim, Omsk, Tomsk, om slechts van de gewichtigste
plaatsen der beide Siberiën te spreken, achtereenvolgens door de
soldaten van Feofar-Khan zijn bezet.”
»Maar is er gevochten? Hebben onze kozakken zich met de Tartaren
gemeten?”
»Onderscheidene keeren, Uwe Hoogheid.”
»En zijn ze teruggeslagen?”
»Zij waren te zwak in getal.”
»Waar hebben de ontmoetingen, waarvan gij spreekt, plaats gehad?”
»Te Kolivan, te Tomsk....”
Tot hiertoe had Ivan Ogareff slechts de waarheid gezegd, maar met het
oogmerk om de verdedigers van Irkoetsk aan het wankelen te brengen,
door de voordeden door de troepen van den emir behaald, te overdrijven,
voegde hij er bij:
»En eene derde keer vóor Krasnoïarsk.”
»En dit laatste gevecht?....” vroeg de grootvorst, wiens gesloten
lippen aan zijne woorden bijna geen doortocht lieten.
»Het was meer dan een gevecht, Uwe Hoogheid, het was een veldslag.”
»Een veldslag?”
»Twintig duizend Russen uit de provinciën en uit het gouvernement
Tobolsk aangerukt, ontmoetten honderd vijftig duizend Tartaren en
werden, niettegenstaande hun moedig gedrag, vernietigd.”
»Gij liegt!” riep de grootvorst uit, die te vergeefs zijne woede
trachtte meester te blijven.
»Ik spreek de waarheid, Uwe Hoogheid,” antwoordde Ivan Ogareff. »Ik was
bij den veldslag van Krasnoïarsk tegenwoordig en daar ben ik gevangen
genomen!”
De grootvorst hernam zijne bedaardheid en deed Ivan Ogareff door een
teeken begrijpen, dat hij aan zijne geloofwaardigheid niet twijfelde.
»Op welken dag heeft die veldslag van Krasnoïarsk plaats gehad?” vroeg
hij.
»Den 5den September.”
»En nu zijn al de Tartaarsche troepen om Irkoetsk verzameld?”
»Allen.”
»En gij schat ze....?”
»Op vier honderd duizend man.”
Nieuwe overdrijving van Ivan Ogareff in het begrooten der sterkte van
de Tartaarsche troepen en altijd met hetzelfde oogmerk.
»En heb ik niet de minste hulp uit de westelijke provinciën te
wachten?” vroeg de grootvorst.
»Volstrekt geene, Uwe Hoogheid, ten minste vóor den winter.”
»Welnu, Michael Strogoff, verneem dan dit. Al mocht noch uit het
westen, noch uit het oosten, mij eenige hulp geworden en al waren die
barbaren ook zes honderd duizend man sterk, toch zal ik Irkoetsk niet
overgeven!”
Het boosaardig oog van Ivan Ogareff knipte even. De verrader scheen
daarmede te willen zeggen, dat de broeder van den czaar zijne rekening
buiten het verraad maakte.
De grootvorst, die van een zenuwachtig gestel was, had groote moeite om
zijne kalmte te bewaren, toen hij deze ongunstige tijdingen vernam. Hij
liep heen en weer door de zaal onder de oogen van Ivan Ogareff, die hem
verslonden als eene voor zijne wraak bestemde prooi. Hij stond voor de
vensters stil, hij keek naar de wachtvuren in het Tartaarsche kamp, hij
trachtte de geluiden op te vangen, waarvan de meesten ontstonden door
den schok der ijsschotsen, die door den stroom der Angara werden
meegevoerd.
Er verliep een kwartuur uurs, zonder dat hij eene andere vraag deed.
Den brief vervolgens weder opnemende, herlas hij er eene zinsnede uit
en zeide hij:
»Gij weet, Michael Strogoff, dat er op dit oogenblik sprake is van een
verrader, voor wien ik mij wachten moet?”
»Ja, Uwe Hoogheid.”
»Hij moet trachten vermomd binnen Irkoetsk te dringen, zich van mijn
vertrouwen meester te maken om daarna, op een gegeven oogenblik, de
stad aan de Tartaren over te leveren.”
»Dat weet ik alles, Uwe Hoogheid, en ik weet ook dat Ivan Ogareff
gezworen heeft zich persoonlijk op den broeder van den czaar te
wreken.”
»Waarom?”
»Men zegt dat die officier door den grootvorst tot een vernederend
verlies van zijn graad veroordeeld is.”
»Ja.... dat herinner ik mij.... maar dat verdiende de ellendeling die
later tegen zijn land zou dienen en er een inval van barbaren zou
heenvoeren!”
»Zijne Majesteit de czaar,” antwoordde Ivan Ogareff, »hechtte er vooral
veel aan dat gij verwittigd werdt van de booze plannen die Ivan Ogareff
tegen uwen persoon smeedt.”
»Ja.... de brief deelt mij dat mede....”
»En Zijne Majesteit heeft het mij persoonlijk gezegd en mij
gewaarschuwd om, op mijne reis door Siberië, tegen dien verrader op
mijne hoede te wezen.”
»Hebt gij hem ontmoet?”
»Ja, Uwe Hoogheid, na den slag van Krasnoïarsk. Had hij kunnen
vermoeden dat ik een brief overbracht aan Uwe Hoogheid gericht en
waarin zijne plannen ontsluierd werden, hij zou mij geene genade
verleend hebben.”
»Ja, gij waart verloren geweest!” antwoordde de grootvorst. »En hoe
hebt gij kunnen ontsnappen?”
»Door mij in de Irtisch te werpen.”
»En hoe zijt gij binnen Irkoetsk gekomen?”
»Onder begunstiging van een uitval die dezen avond is gedaan om een
Tartaarsche afdeeling terug te drijven. Ik heb mij onder de verdedigers
der stad geschaard, ik heb mij doen herkennen en men heeft mij dadelijk
voor Uwe Hoogheid gebracht.”
»Goed, Michael Strogoff,” antwoordde de grootvorst. »Gij hebt,
gedurende die moeielijke zending, moed en ijver betoond. Ik zal het
niet vergeten. Hebt gij mij eenige gunst te vragen?”
»Geene andere dan de vergunning om aan de zijde van Uwe Hoogheid te
strijden,” antwoordde Ivan Ogareff.
»Het zij zoo, Michael Strogoff. Van dit oogenblik verbind ik u aan mijn
persoon en zult gij in dit paleis wonen.”
»En, indien Ivan Ogareff, volgens de bedoeling, die men hem
toeschrijft, zich onder een valschen naam aan Uwe Hoogheid laat
voorstellen?....”
»Dan zullen we, dank aan u die hem kent, hem ontmaskeren en ik zal hem
onder den knoet laten omkomen. Ga.”
Ivan Ogareff, bedenkende dat hij kapitein in het korps koeriers van den
czaar was, groette op militaire wijze en vertrok.
Ivan Ogareff had zijne onwaardige rol dus met goed gevolg gespeeld. Van
het vertrouwen van den grootvorst was hij geheel en ten volle
verzekerd. Hij kon er misbruik van maken, wanneer en waar hij wilde.
Hij zou hetzelfde paleis bewonen. Hij zou achter de geheimen der
verdediging komen. Hij had den toestand dus in handen. Niemand te
Irkoetsk kende hem, niemand kon hem ontmaskeren. Hij besloot dus,
zonder uitstel, aan het werk te gaan.
Inderdaad drong de tijd. De stad moest over zijn vóor de aankomst der
Russen uit het noorden en het oosten, en dat was eene zaak van slechts
weinige dagen. Waren de Tartaren eens meester van Irkoetsk, dan zou het
niet gemakkelijk op hen te heroveren zijn. Moesten zij het later
opgeven, dan zouden zij het niet doen zonder het tot den grond toe
verwoest te hebben en zonder dat het hoofd van den grootvorst voor de
voeten van Feofar-Khan was gerold.
Ivan Ogareff, die volle vrijheid had om te kijken, waar te nemen, te
handelen, hield zich reeds den volgenden dag bezig om de wallen te
bezoeken. Overal werd hij met de hartelijkste gelukwenschen begroet
door officieren, soldaten en burgers. Die koerier van den czaar was
voor hen als het ware een band, die hen aan het keizerrijk hechtte.
Ivan Ogareff verhaalde dan, met een onbeschaamdheid die zich nooit
verraadde, de verzonnen ongevallen zijner reis. Daarna sprak hij zeer
behendig, zonder er te veel nadruk op te leggen, over het ernstige van
den toestand, terwijl hij, zooals hij bij den grootvorst had gedaan, de
voordeelen door de Tartaren behaald en de krachten waarover deze
barbaren beschikten, zeer overdreef. Naar zijn zeggen zou de verwachte
hulp, zoo zij al aankwam, niet afdoende zijn en stond het te vreezen
dat een onder de muren van Irkoetsk geleverde veldslag even noodlottig
zou afloopen als de slagen van Kolivan, Tomsk en Krasnoïarsk.
Met deze boosaardige gezegden liep Ivan Ogareff niet te koop. Hij ging
zeer omzichtig te werk om ze langzamerhand in het gemoed der
verdedigers van Irkoetsk te doen doordringen. Hij scheen slechts, en
met tegenzin, te antwoorden, wanneer hij daartoe door vragen gedrongen
werd. In ieder geval voegde hij er steeds bij, dat men zich tot den
laatsten man moest verdedigen en dat men liever de stad moest in de
lucht laten springen, dan haar over te geven!
Het kwaad zou er niettemin om gesticht zijn, zoo dit mogelijk ware
geweest. Maar de bezetting en de bevolking van Irkoetsk waren te
vaderlandlievend, om aan het wankelen te worden gebracht. Niemand van
deze soldaten of burgers, opgesloten in eene stad aan het einde der
Aziatische wereld, zou er aan gedacht hebben om van overgaaf te
spreken. De verachting van den Rus voor deze barbaren was grenzenloos.
Van den anderen kant vermoedde niemand de schandelijke rol die Ivan
Ogareff speelde; niemand kon gissen dat de gewaande koerier van den
czaar slechts een verrader was.
Eene zeer natuurlijke omstandigheid was oorzaak dat, dadelijk na de
aankomst van Ivan Ogareff, tusschen hem en een der dapperste
verdedigers der stad, Wassili Fedor, veelvuldige betrekkingen
ontstonden.
Men weet door welke onrust deze ongelukkige vader verteerd werd. Wat
was er van zijne dochter, Nadia Fedor geworden, indien zij Rusland
verlaten had op den dag, aangegeven in den laatsten brief dien hij uit
Riga ontvangen had? Trachtte zij nog om door de overheerde provinciën
te trekken of was zij reeds lang gevangen genomen? De eenige
verzachting voor zijne smart vond Wassili in een gevecht tegen de
Tartaren, eene gelegenheid die zich, naar zijn zin, te weinig voordeed.
En, toen Wassili Fedor nu de zoo onverwachte aankomst van een koerier
des czaars vernam, had hij als een voorgevoel dat deze koerier hem
tijding van zijne dochter zou brengen. Het was waarschijnlijk slechts
eene denkbeeldige hoop, maar hij hield er zich aan vast. Was deze
koerier niet gevangen, toen Nadia het wellicht ook was?
Wassili Fedor ging Ivan Ogareff opzoeken, die deze gelegenheid aangreep
om in dagelijksche betrekking met den commandant te geraken. Hoopte
deze renegaat deze omstandigheid te benuttigen? Mat hij iedereen naar
zich zelven af? Meende hij dat een Rus, zelfs een staatkundige balling,
laag genoeg kon wezen om zijn land te verraden?
Wat er van zij, Ivan Ogareff beantwoordde, met kunstig geveinsde
bereidwilligheid, de beleefdheden die Nadia’s vader hem bewees. De
laatste begaf zich, reeds daags na de aankomst van den gewaanden
koerier, naar het paleis van den gouverneur-generaal. Daar maakte hij
Ivan Ogareff bekend met de omstandigheden waaronder zij Europeesch
Rusland verlaten had en vertelde hem hoe ongerust hij thans ten haren
opzichte was.
Ivan Ogareff kende Nadia niet, hoewel hij haar ontmoet had op de
wisselplaats te Ichim, toen zij er zich met Michael Strogoff bevond.
Maar toen had hij op haar even weinig acht geslagen als op de beide
dagbladschrijvers, die gelijktijdig in het posthuis waren. Hij kon dus
aan Wassili omtrent zijne dochter niets mededeelen.
»Maar op welk tijdstip,” vroeg Ivan Ogareff, »zou uwe dochter het
Russisch grondgebied verlaten hebben?”
»Zoo wat op denzelfden tijd als gij,” antwoordde Wassili Fedor.
»Ik heb Moskou 15 Juli verlaten.”
»Nadia moet op datzelfde tijdstip Moskou verlaten hebben. Haar brief
meldde het bepaald.”
»Was zij op 15 Juli te Moskou?” vroeg Ivan Ogareff.
»Ja zeker op dat tijdstip.”
»Welnu!....” antwoordde Ivan Ogareff, maar zich bedenkende, zeide hij:
»Maar neen. Ik bedrieg mij.... Ik zou de dagen verwarren....” liet hij
er op volgen. »Het is ongelukkig zeer waarschijnlijk dat uwe dochter de
grens zal overschreden hebben en slechts éene hoop blijft u over,
namelijk: dat zij niet verder zal zijn gegaan, toen zij de berichten
van den Tartaarschen inval vernam!”
Wassili Fedor liet het hoofd zakken. Hij kende Nadia en hij wist wel
dat niets haar vertrek zou hebben kunnen tegenhouden.
Ivan Ogareff had weder, zonder noodzaak, een waarlijk wreede daad
gepleegd. Met éen woord had hij Wassili Fedor gerust kunnen stellen.
Want hoewel Nadia, onder de omstandigheden die bekend zijn, de
Siberische grens had overschreden, zou Wassili Fedor, zoo hij de
dagteekening, waarop zijne dochter zich te Nijni-Novgorod bevond,
vergeleken had met de dagteekening van het besluit, houdende verbod om
het verlaten, ongetwijfeld tot het besluit zijn gekomen dat Nadia niet
aan de gevaren van den inval kon hebben blootgestaan en dat zij zich,
ondanks haar zelve, nog op het Europeesche grondgebied van het
keizerrijk bevond.
Ivan Ogareff zijne inborst volgende als een man, wien het lijden van
anderen niet meer kon treffen, kon dit woord zeggen.... Hij zeide het
niet.
Wassili Fedor verwijderde zich met een gebroken hart. Na dit onderhoud
was zijne laatste hoop vervlogen.
Gedurende beide volgende dagen, 3 en 4 October, ontbood de grootvorst
den gewaanden Michael Strogoff onderscheidene malen en liet hij hem
alles herhalen wat hij in het kabinet des keizers in het Nieuwe Paleis
gehoord had. Op al deze vragen voorbereid, antwoordde Ivan Ogareff
zonder ooit te aarzelen. Met voordacht maakte hij er geen geheim van
dat het gouvernement van den czaar door den inval ten eenenmale verrast
was, dat de opstand in het grootste geheim was voorbereid, dat de
Tartaren reeds van de linie van de Obi meester waren toen het bericht
van den inval te Moskou aankwam en, eindelijk, dat in de Russische
provinciën niets gereed was om de troepen ter verdrijving der
overweldigers noodig, naar Siberië te zenden.
Ivan Ogareff, die in zijn doen en laten volkomen vrij was, ging
vervolgens Irkoetsk bestudeeren, namelijk den toestand zijner
versterkingswerken en hunne zwakke punten, ten einde later van zijne
waarnemingen voordeel te kunnen trekken in het geval, dat eenige
omstandigheid hem de volvoering van zijne verraderlijke daad mocht
beletten. In het bijzonder onderzocht hij de Bolchaïa-poort, die hij
wilde overleveren.
Tweemaal ’s avonds kwam hij op het glacis van deze poort. Hij wandelde
er zonder vrees van zich bloottestellen aan de schoten der belegeraars,
wier voorposten zich minstens op eene werst van de wallen bevonden. Hij
wist wel dat hij geen gevaar liep en dat hij zelfs herkend werd. Ook
merkte hij eene schim op, die tot aan den voet der aardwerken sloop.
Sangarre beproefde, met levensgevaar, om zich met Ivan Ogareff in
gemeenschap te stellen. Overigens genoten de belegerden, sedert twee
dagen, eene rust waaraan de Tartaren hen, sedert den aanvang der
belegering, niet gewend hadden.
Dit had plaats op bevel van Ivan Ogareff. De luitenant van Feofar-Khan
had gewild dat elke poging om de stad met geweld te nemen, gestaakt
werd. Ook nam het geschut een volstrekt stilzwijgen in acht, sedert
zijne aankomst te Irkoetsk. Misschien—dat hoopte hij ten minste—zou de
waakzaamheid der belegerden verflauwen. In elk geval zouden duizenden
Tartaren aan de voorposten gereed staan om zich op de van verdediging
ontbloote poort te werpen, zoodra Ivan Ogareff hun het tijdstip van
handelen zou hebben bekend gemaakt.
Dit kon intusschen niet lang uitblijven. De slag moest geslagen worden,
voordat de Russische korpsen in het gezicht van Irkoetsk aankwamen.
Ivan Ogareff nam een besluit en dienzelfden avond viel er, van het
glacis, een briefje in de handen van Sangarre.
Ivan Ogareff had besloten Irkoetsk den volgenden dag, in den nacht van
5 op 6 October, te twee uur des morgens, over te leveren.