Irkoetsk, de hoofdstad van Oostelijk-Siberië is eene stad, die, in
gewone tijden, een bevolking van dertig duizend inwoners telt. Een
redelijk steile oever, die zich op de rechterzijde van de Angara
verheft strekt tot grondlaag voor hare kerken, die door de hoofdkerk
beheerscht worden en voor hare in schilderachtige wanorde geplaatste
huizen.
Op een zekeren afstand van de hoogte van den berg gezien, die zich op
twintig wersten op den Siberischen grooten weg verheft, vertoont het
een eenigszins Oostersch aanzien met zijne koepels; zijne klokketorens,
zijne spitse naalden gelijk aan minarets, zijne domtorens zoo buikig
als Japansche poppen. Maar dat voorkomen wijkt van de oogen der
reizigers, zoodra hij de stad is binnengetreden. De half Byzantijnsche,
half Chineesche stad herneemt een Europeesch karakter door hare
mac-adam straten, voorzien van trottoirs, met goten doorsneden en met
reusachtige berkeboomen beplant; door hare half baksteenen, half houten
huizen, waarvan er eenigen onderscheidene verdiepingen hebben; door de
talrijke rijtuigen die haar doorkruisen, niet alleen tarentassen en
telega’s maar coupé’s en kalessen; eindelijk door eene geheele klasse
zeer beschaafde inwoners, aan wie de laatste Parijsche modes niet
vreemd waren.
Op dit tijdstip was Irkoetsk, als wijkplaats voor de Siberiërs uit de
provincie, overvol. De hulpmiddelen van allerlei soort, waren er in
overvloed voorhanden. Irkoetsk is het entrepôt van de tallooze
koopmanschappen die tusschen China, Middel-Azië en Europa geruild
worden. Men had dus niet geschroomd er de landlieden uit de vallei der
Angara, Mongoolsche Khalkas, Tongoesen en Boeretiërs heen te lokken en
de woestijn zich tusschen de overweldigers en de stad te laten
uitstrekken.
Irkoetsk is de verblijfplaats van den gouverneur-generaal van
Oost-Siberië. Onder hem staat een burgerlijk gouverneur, in wiens
handen het beheer der provincie vereenigd is, een politiemeester die
het in zijn stad vol ballingen zeer druk heeft en eindelijk een
burgemeester, hoofd der kooplieden, een persoon zeer aanzienlijk wegens
zijne onmetelijke bezittingen en den invloed dien hij op de door hem
geregeerden uitoefent.
Het garnizoen van Irkoetsk bestond toen uit een regiment kozakken te
voet, dat ongeveer twee duizend man telde, en uit een korps stedelijke
gendarmen met helm en blauwe met zilver geboorde uniform.
Bovendien is het bekend dat de broeder van den czaar, tengevolge van
bijzondere omstandigheden, sedert het begin van den inval, in de stad
was opgesloten.
Deze omstandigheid moet nader omschreven worden.
Eene reis van staatkundig gewicht had den grootvorst naar deze
verwijderde streken van Oostelijk-Azië gevoerd.
Na de voornaamste Siberische steden doorgetrokken te zijn had de
grootvorst, die meer als soldaat dan als vorst reisde, zich zonder
eenige praal, door zijne officieren vergezeld en begeleid door eene
afdeeling kozakken, naar de streken aan gene zijde van het meer Baïkal
begeven.
Nikolaevsk, de laatste Russische stad op het kustgebied der zee van
Okhotsk, was door hem met een bezoek vereerd.
Van de grenzen van het onmetelijke Moscovitische rijk kwam de
grootvorst naar Irkoetsk terug, vanwaar hij de terugreis naar Europa
dacht aan te nemen, toen hij de tijding ontving van den zoo
plotselingen, als dreigenden inval. Hij haastte zich naar de hoofdstad
terug te keeren, maar toen hij er aankwam, was de gemeenschap met
Rusland op het punt van afgebroken te worden. Hij ontving nog eenige
telegrammen uit Petersburg en Moskou en hij kon ze zelfs beantwoorden.
Daarna werd de draad, onder de ons bekende omstandigheden, afgesneden.
Irkoetsk was van het overige deel der wereld afgezonderd.
De grootvorst kon zich bepalen tot het regelen der verdediging en dit
deed hij met die standvastigheid en die koelbloedigheid waarvan hij in
andere omstandigheden, onwedersprekelijke bewijzen heeft gegeven.
De berichten omtrent het innemen van Ichim, Omsk en Tomsk kwamen
achtereenvolgens te Irkoetsk aan. Men moest dus, tot elken prijs, de
hoofdstad van Siberië voor vermeestering vrijwaren. Op spoedige hulp
kon men niet rekenen. De geringe troepenmacht in de provinciën van den
Amoer en in het gouvernement van Irkoetsk verspreid, kon niet in
genoegzamen getale oprukken om de Tartaarsche kolonnes tegen te houden.
En daar Irkoetsk nu onmogelijk aan eene insluiting kon ontsnappen, was
het vooral zaak de stad in staat te stellen een beleg van eenigen duur
te kunnen weerstaan.
Deze werken werden aangevangen op den dag waarop Tomsk in handen der
Tartaren viel. Tegelijk met dat bericht, vernam de grootvorst dat de
emir van Boekhara en de verbonden khans de beweging in persoon
aanvoerden, maar wat hij niet wist, was dat de luitenant dezer
barbaarsche opperhoofden Ivan Ogareff was, dien hij zelf van zijn rang
vervallen had verklaard en dien hij niet kende.
Gelijk men gezien heeft werden de bewoners der provincie Irkoetsk al
dadelijk gedwongen steden en vlekken te verlaten. Zij, die niet de wijk
naar de hoofdstad namen, moesten zich achter het meer Baïkal
terugtrekken, omdat het niet waarschijnlijk was dat de inval zijne
verwoestingen tot daar zou uitbreiden. De oogst van graan en veevoeder
werd voor de stad in beslag genomen en dit laatste bolwerk der
Moscovitische macht in het verre oosten in staat gesteld om eenigen
tijd weerstand te bieden.
Irkoetsk, in 1611 gesticht, is gelegen aan de samenvloeiing van de
Irkoet en de Angara, op den rechteroever van dezen stroom. Twee houten
bruggen op paalwerk gebouwd en zoodanig ingericht dat zij over de volle
breedte van het vaarwater ten dienste der scheepvaart konden geopend
worden, verbonden de stad aan hare voorsteden, die zich op den
linkeroever uitstrekken. Aan deze zijde was de verdediging gemakkelijk.
De voorsteden werden verlaten en de bruggen vernield. De overtocht der
op dit punt zeer breede Angara zou, onder het vuur der belegerden, niet
mogelijk zijn geweest. Maar de stroom kon boven en beneden de stad
overgetrokken worden en bijgevolg stond Irkoetsk bloot om aan de
oostzijde, door geen ringmuur beschermd, te worden aangetast.
Aan de vestingwerken werd dus allereerst gearbeid. Men werkte dag en
nacht. De grootvorst vond eene volijverige bevolking aan den gang, die
hij later als dappere verdedigers zou terugvinden. Soldaten,
kooplieden, ballingen, landlieden allen offerden zich voor het gemeene
welzijn op. Acht dagen voordat de Tartaren aan de Angara verschenen,
waren aarden wallen opgericht. Een gracht met water uit de Angara
gevuld, was tusschen de eskarp en de contre-eskarp gegraven. De stad
kon nu niet meer bij verrassing worden ingenomen; zij moest berend en
belegerd worden.
De derde Tartaarsche kolonne—dezelfde die de vallei der Jeniseï was
opgetrokken—verscheen 24 September in het gezicht van Irkoetsk. Zij nam
dadelijk de verlaten voorsteden in bezit, waarvan de huizen echter
vernield waren, om de werking der ongelukkigerwijze te zwakke
artillerie van den grootvorst niet te hinderen.
De Tartaren namen dus stelling in afwachting der aankomst van de beide
andere kolonnes, aangevoerd door den emir en zijne bondgenooten.
De vereeniging der onderscheidene korpsen had plaats op 25 September in
het kamp van de Angara en het geheele leger, uitgenomen de bezettingen
in de voornaamste veroverde steden achtergelaten, was nu saamgetrokken
onder bevel van Feofar-Khan.
Daar Ivan Ogareff den overtocht der Angara vóor Irkoetsk niet doenlijk
vond, stak eene sterke troepen-afdeeling eenige wersten benedenwaarts
den stroom over op schipbruggen. De grootvorst deed geene poging om
zich tegen dezen overtocht te verzetten. Hij had dien kunnen
belemmeren, maar niet verhinderen, omdat hij geen veldgeschut tot zijne
beschikking had en daarom hield hij zich wijselijk binnen Irkoetsk
opgesloten.
De Tartaren hadden dus den rechteroever van den stroom bezet;
vervolgens trokken zij naar de stad op, staken onderweg het
zomerverblijf van den gouverneur-generaal, gelegen in de bosschen aan
het bovengedeelte der Angara, in brand en namen zij eindelijk hunne
stellingen voor het beleg in, na Irkoetsk geheel omsingeld te hebben.
Als bekwaam ingenieur was Ivan Ogareff gewis in staat om de
werkzaamheden van een geregeld beleg te besturen; maar de materieele
middelen ontbraken hem om spoedig te handelen. Daarom had hij ook
gehoopt Irkoetsk, het doel van al zijn streven, bij verrassing in te
nemen.
De zaken waren dus anders geloopen dan hij berekend had. Aan de eene
zijde de marsch van het Tartaarsche leger vertraagd door den veldslag
van Tomsk, aan den anderen kant de spoed door den grootvorst bij de
verdedigingswerken aangewend: deze twee redenen waren voldoende geweest
om zijn plan te doen schipbreuk lijden. Hij zag zich dus genoodzaakt
een geregeld beleg te voeren.
Intusschen beproefde de emir op zijn raad tweemaal, om de stad, ten
koste van veel volk, in te nemen. Hij wierp zijne manschappen tegen
eenige zwakke punten der aarden versterkingen; maar beide stormen
werden allermoedigst afgeslagen. De grootvorst en zijne officieren
ontzagen zich niet bij deze gelegenheid. Zij waren voorop en sleepten
de bevolking mede naar de wallen. Burgers en moejieks vervulden hun
plicht op bewonderenswaardige wijze. Bij het tweede stormloopen waren
de Tartaren er in geslaagd een der poorten van de omwalling met geweld
binnen te dringen. Er had een gevecht plaats aan het begin der
Bolchaïa-straat die twee wersten lang is en die op de oevers der Angara
uitloopt. Maar Kozakken, gendarmes en burgers boden hevigen wederstand,
zoodat de Tartaren naar hunne stellingen moesten terugtrekken.
Ivan Ogareff dacht er toen over om door verraad te verkrijgen, wat het
geweld hem niet verschaffen kon. Men weet dat hij van plan was de stad
binnen te dringen, den grootvorst te naderen, zijn vertrouwen te
winnen, op een gegeven oogenblik een der poorten aan de belegeraars
over te leveren, en om daarna zijn wraak aan den broeder des czaars te
koelen.
De zigeunerin Sangarre, die hem naar het kamp aan de Angara vergezeld
had, zette hem aan om dit plan ten uitvoer te brengen.
Inderdaad moest er zonder dralen gehandeld worden. De Russische troepen
uit het gouvernement Jakoetsk rukten op Irkoetsk aan. Zij hadden zich
vereenigd aan den bovenloop der Lena, vanwaar zij in de vallei van dien
naam oprukten. Binnen zes dagen zouden zij aangekomen zijn. Voor dat
zes dagen verstreken waren moest Irkoetsk dus bij verraad overgeleverd
zijn.
Ivan Ogareff aarzelde dus niet langer.
Op den 2den October, des avonds, werd er in de groote zaal van het
paleis van den gouverneur-generaal krijgsraad gehouden. De grootvorst
hield daar zijn verblijf.
Dit paleis aan het uiteinde van de Bolchaïa-straat staande, beheerschte
den loop van den stroom over eene groote uitgestrektheid. Door de ramen
van den hoofdgevel bespeurde men het Tartaarsche kamp, en
belegeringsgeschut dat verder droeg dan dat der Tartaren, zou het
onbewoonbaar gemaakt hebben.
De grootvorst, generaal Woranzoff en de stedelijke gouverneur, het
hoofd der kooplieden, bijgestaan door eenige hoofdofficieren, hadden
juist eenige beschikkingen vastgesteld.
»Mijne heeren,” sprak de grootvorst, »gij zijt nauwkeurig met onzen
toestand bekend. Ik koester de vaste hoop dat wij het tot aan de
aankomst der troepen uit Jakoetsk zullen kunnen uithouden. Dan zullen
wij die barbaarsche horden wel verjagen en het zal niet van mij
afhangen dat zij deze overweldiging van het Moscovische grondgebied ten
duurste zullen betalen.”
»Uwe Hoogheid weet dat zij op de geheele bevolking van Irkoetsk staat
kan maken,” antwoordde generaal Woranzoff.
»Ja generaal,” antwoordde de grootvorst, »en ik breng hulde aan hare
vaderlandsliefde. Door ’s Hemels goedheid heeft zij de verschrikkingen
van besmettelijke ziekten of hongersnood nog niet behoeven te verduren
en ik heb reden om te gelooven dat zij daar buiten zal blijven; maar op
de wallen heb ik haren moed slechts kunnen bewonderen. Heer, hoofd der
kooplieden, gij hoort mijne woorden en ik zal u verzoeken die wel te
willen overbrengen.”
»Ik zeg Uwe Hoogheid dank in naam der stad,” antwoordde het hoofd der
kooplieden. »Zou ik haar mogen vragen binnen welk uiterst tijdstip zij
verwacht, dat het hulpleger zal aankomen?”
»Binnen zes dagen op zijn hoogst, mijnheer,” was het antwoord van den
grootvorst. »Een behendig en moedig zendeling is dezen morgen in de
stad kunnen binnendringen en hij heeft mij bericht dat vijftig duizend
Russen met versnelden marsch, onder bevel van generaal Kisselef,
aanrukken. Twee dagen geleden waren zij te Kirensk aan de boorden van
Lena en nu zullen koude noch sneeuw hunne aankomst meer beletten.
Vijftig duizend man goede troepen, die de Tartaren in de flank
aantasten, zullen ons spoedig bevrijd hebben.”
»Ik kan hier nog bijvoegen,” antwoordde het hoofd der kooplieden, »dat
wanneer Uwe Hoogheid een uitval mocht bevelen, wij gereed zullen zijn
dat bevel ten uitvoer te brengen.”
»Goed, mijnheer,” antwoordde de grootvorst. »Wacht tot dat de spits
onzer kolonnes zich op de hoogten vertoont, dan zullen wij de
overweldigers verpletteren.”
Zich daarna tot generaal Woranzoff wendende, zeide hij:
»Wij zullen morgen de werken op den rechteroever bezien. De Angara
begint ijsschotsen te kruien, zij zal spoedig vastzitten en, in dat
geval zouden de Tartaren haar kunnen oversteken.”
»Uwe Hoogheid sta mij toe eene opmerking te maken,” zeide het hoofd der
kooplieden.
»Ga uw gang, mijnheer.”
»Ik heb de temperatuur meermalen tot dertig à veertig graden onder nul
zien dalen en de Angara bleef dan kruien, maar raakte niet vast. Dat
ligt zeker aan haar snellen stroom. Indien de Tartaren dus geen ander
middel hebben om over den stroom te komen, kan ik Uwe Hoogheid
verzekeren, dat zij langs dien weg Irkoetsk niet zullen binnen komen.”
De gouverneur-generaal bevestigde de verklaring van het hoofd der
kooplieden.
»Dat is wel eene gelukkige omstandigheid,” antwoordde de grootvorst.
»Niettemin zullen wij ons op alles voorbereid houden.”
En zich daarna tot den politiemeester wendende, zeide hij:
»Hebt u mij niets te zeggen, mijnheer?”
»Ik heb,” antwoordde de politiemeester, »Uwe Hoogheid met een
smeekschrift in kennis te stellen, dat door mijne tusschenkomst aan U
gericht is.”
»Aan mij gericht door...?”
»Door de Siberische ballingen die, zoo als Uwe Hoogheid weet, zich ten
getale van vijfhonderd in de stad bevinden.”
De over de geheele provincie verdeelde staatkundige ballingen waren
sedert het begin van den opstand te Irkoetsk verzameld. Zij hadden
gehoorzaamd aan het bevel om naar de stad te komen en de vlekken te
verlaten waar zij onderscheidene beroepen uitoefenden, dezen als
geneesheer, genen als leeraar hetzij aan het gymnasium, hetzij aan de
Japansche school, hetzij aan de zeevaart-school. Reeds had de
grootvorst even als de czaar in hunne vaderlandsliefde vertrouwen
stellende, hen gewapend en in hen dappere verdedigers gevonden.
»Wat vragen de ballingen?” zeide de grootvorst.
»Zij vragen aan Uwe Hoogheid,” antwoordde de politiemeester,
»vergunning om een bijzonder korps te mogen vormen en om bij den
eersten uitval de spits uit te maken.”
»Ja,” antwoordde de grootvorst met een gevoel dat hij niet zocht te
onderdrukken, »die ballingen zijn Russen en zijn in hun recht wanneer
zij voor hun land willen vechten!”
»Ik meen Uwe Hoogheid te kunnen verzekeren,” zeide de
gouverneur-generaal, »dat zij geen betere soldaten zal hebben.”
»Maar zij moeten een hoofd hebben,” antwoordde de grootvorst. »Wie zal
dat wezen?”
»Zij wilden,” zeide de politiemeester, »dat Uwe Hoogheid een hunner,
die zich bij verschillende gelegenheden onderscheiden heeft, als
zoodanig zoudt willen aannemen.”
»Is het een Rus?”
»Ja, een Rus uit de Oostzee-provinciën.”
»Hij heet...?”
»Wassili Fedor.”
Deze balling was Nadia’s vader.
Wassili Fedor oefende, gelijk men weet, te Irkoetsk het beroep van
geneesheer uit. Het was een geleerd en liefdadig mensch en tevens een
moedig, vaderlandlievend man. Al den tijd, dien hij niet aan de zieken
wijdde, besteedde hij om de verdediging te regelen. Hij was het die
zijne makkers in ballingschap tot samenwerken vereenigd had. De tot
dusverre onder de verschillende klassen der bevolking levende ballingen
hadden zich zoodanig gedragen, dat zij de aandacht van den grootvorst
hadden getrokken. In onderscheidene uitvallen hadden zij, met hun
bloed, hunne schuld aan het heilige Rusland betaald; het heilige ja, en
als zoodanig door zijne kinderen aangebeden! Wassili Fedor had zich
heldhaftig gedragen. Zijn naam werd meer dan eens genoemd, maar hij had
nooit gunsten noch gaven gevraagd en toen de ballingen te Irkoetsk er
over dachten een bijzonder korps op te richten, wist hij zelfs niet dat
zij het voornemen hadden hem als hun hoofd te kiezen.
Toen de politiemeester dezen naam voor den grootvorst had uitgesproken,
antwoordde deze dat hij hem niet onbekend was.
»Inderdaad,” antwoordde generaal Woranzoff, »Wassili Fedor is een
onverschrokken, moedig man. Zijn invloed op zijne makkers is altijd
zeer groot geweest.”
»Sedert wanneer is hij te Irkoetsk?” vroeg de grootvorst.
»Sedert twee jaar.”
»En zijn gedrag ...?”
»Zijn gedrag,” antwoordde de politiemeester, »is dat van iemand, die
zich onderwerpt aan de bijzondere wetten, waaronder hij staat.”
»Generaal,” antwoordde de grootvorst, »wil hem mij dadelijk
voorstellen.”
De bevelen van den grootvorst werden uitgevoerd en nog geen half uur
later, werd Wassili Fedor in zijne tegenwoordigheid binnengeleid.
Het was een man van ten hoogste veertig jaar, kloek, met een streng en
treurig gelaat. Men gevoelde dat zijn geheele leven was samen te vatten
in dit enkele woord: worstelen; hij had geworsteld en geleden. Zijne
gelaatstrekken hadden verwonderlijk veel van die zijner dochter Nadia
Fedor.
Meer dan iemand anders was hij door den Tartaarschen inval in zijn
teederste genegenheid getroffen, daar hij de grootste hoop van dezen op
acht duizend wersten van zijne geboortestad verbannen vader
vernietigde. Een brief had hem den dood zijner vrouw bericht en,
tegelijkertijd, het vertrek zijner dochter, die van het gouvernement
vergunning had verkregen om zich bij hem te Irkoetsk te voegen.
Nadia had Riga den 10den Juli moeten verlaten. De inval dagteekende van
15 Juli. Indien Nadia, op dit tijdstip, de grens was overgetrokken, wat
was er dan van haar te midden der overweldigers geworden? Men begrijpt
dat deze vader door ongerustheid verteerd werd, daar hij, sedert dien
tijd, niets van zijne dochter had vernomen.
Wassili Fedor maakte eene buiging voor den grootvorst en wachtte tot
hij ondervraagd werd.
»Wassili Fedor,” zeide de grootvorst tot hem, »uwe makkers in de
ballingschap hebben gevraagd om eene keurbende te vormen. Weten zij dat
men zich in zoodanig korps tot den laatsten man moet laten dooden?”
»Dat weten zij,” antwoordde Wassili Fedor.
»Zij verlangen u als aanvoerder.”
»Mij, Uwe Hoogheid?”
»Stemt gij er in toe u aan hun hoofd te plaatsen?”
»Ja, indien het welzijn van Rusland het vordert.”
»Commandant Fedor,” sprak de grootvorst, »gij zijt geen balling meer.”
»Ik dank Uwe Hoogheid, maar kan ik hen, die het nog zijn, bevelen?”
»Zij zijn het niet meer!”
Zoo verleende de broeder van den czaar genade aan de makkers zijner
ballingschap, die nu zijn wapenbroeders waren!
Wassili Fedor drukte vol aandoening de hand, die de grootvorst hem
toestak en verwijderde zich.
Deze zeide glimlachend, terwijl hij zich tot zijne officieren wendde:
»De czaar zal niet weigeren den genadebrief, dien ik op hem trek,
aantenemen. Wij hebben helden noodig om de hoofdstad van Siberië te
verdedigen en ik heb ze daar gemaakt.”
Inderdaad was die gratie aan de ballingen te Irkoetsk verleend, eene
daad van rechtvaardigheid, die van een goede staatkunde getuigde.
Het was toen nacht geworden. Door de vensters van het paleis schenen de
vuren van het Tartaarsche kamp, die aan gene zijde van de Angara
schitterden. De stroom kruide talrijke ijsschotsen, waarvan er eenigen
tegen de eerste palen van de voormalige houten bruggen bleven liggen.
Die welke de stroom in de vaargeul hield, dreven met buitengewone
snelheid af. Het was blijkbaar dat, zoo als het hoofd der kooplieden
had doen opmerken, de Angara niet gemakkelijk over hare geheele
oppervlakte kon bevriezen. Het gevaar om van die zijde aangevallen te
worden, boezemde den verdedigers van Irkoetsk dus geene zorg in.
Het had tien uur ’s avonds geslagen. De grootvorst was op het punt
zijne officieren te laten weggaan en zich naar zijne vertrekken te
begeven, toen zich een geraas buiten het paleis deed hooren.
Bijna op hetzelfde oogenblik werd de deur der zaal geopend en verscheen
er een adjudant die, naar den grootvorst toegaande, zeide:
»Uwe Hoogheid, een koerier van den czaar!”