Zooals de toestand van den hemel het deed vooruit zien, was de geheele
streek om acht uur ’s avonds in diepe duisternis gehuld. De maan, nieuw
zijnde, zou niet boven den gezichteinder verschijnen. De oevers waren
uit het midden van den stroom niet te zien. De steile gebergten langs
de rivier liepen op eene geringe hoogte ineen met de zware wolken,
waarin geen beweging was. Bij tusschenpoozen kwam er een zuchtje uit
het oosten, dat in de enge vallei van de Angara scheen weg te sterven.
De duisternis kon de plannen der vluchtelingen niet anders dan zeer
bevorderen. Want hoewel Tartaarsche schildwachten langs beide oevers
geplaatst moesten zijn, had het vlot alle kans om ongemerkt voorbij te
varen. Ook was het niet waarschijnlijk dat de belegeraars den stroom
boven Irkoetsk zouden hebben versperd, daar zij wisten, dat de Russen
uit het zuiden der provincie geene hulp konden verwachten. Bovendien
zou de natuur zelve die afsluiting hebben gemaakt, als zij door de
koude de ijsschotsen, tusschen de beide oevers opgehoopt, aan elkander
zou hebben doen vastmetselen.
Aan boord van het vlot heerschte nu volkomen stilte. Sedert het den
stroom afdreef, werden de stemmen der pelgrims niet meer vernomen. Zij
baden nog, maar hun gebed bestond nu in een geprevel dat aan wal niet
meer gehoord kon worden. Plat uitgestrekt verbrak het uitstekende
hunner lichamen nauwelijks de horizontale lijn van het water. De oude
schipper die vooruit bij zijne manschappen lag, hield zich slechts
onledig met de ijsschotsen wegteduwen, hetgeen zonder geraas
geschiedde.
Indien de drijvende ijsschotsen later geen onoverkomelijk beletsel voor
de doorvaart van het vlot opleverden, vormden zij op zich zelven eene
gunstige omstandigheid. Inderdaad liep het vlot, indien het alléen op
de open wateren gedreven had, veel kans van zelfs te midden der dichte
duisternis, ontdekt te worden, terwijl het nu ineensmolt met de
drijvende massa’s van allerlei grootte en vorm en het geraas der tegen
elkander stootende blokken tevens elk verdacht geluid overstemde.
Eene zeer scherpe koude vervulde den dampkring. De vluchtelingen, die
geene andere beschutting dan eenige berketakken hadden, leden er
vreeselijk onder. Zij drongen zich tegen elkander aan om de daling der
temperatuur, die dezen nacht tot tien graden onder nul zou gaan, beter
te kunnen verdragen. De zwakke wind die opstak, na over de oostelijke
met sneeuw bedekte bergen te zijn gestreken was zeer snijdend.
Michael Strogoff en Nadia, achter op het vlot liggende, verdroegen
zonder klagen, deze verzwaring van lijden. Alcide Jolivet en Harry
Blount, in hunne nabijheid gezeten, weerstonden zoo goed mogelijk de
eerste aanvallen van den Siberischen winter. Geen hunner sprak nu meer,
zelfs niet in stilte. Overigens letten zij alleen op den toestand
waarin men verkeerde. Ieder oogenblik kon zich eene gebeurtenis, een
gevaar, een ramp voordoen, waar zij niet zonder letsel zouden afkomen.
Voor iemand, die weldra zijn doel dacht te bereiken, scheen Michael
Strogoff bijzonder kalm. Overigens had zijne wilskracht hem, in de
ernstigste verwikkelingen, nimmer verlaten. Hij voorzag reeds het
oogenblik dat het hem eindelijk vergund zou wezen aan zijne moeder, aan
Nadia, aan zichzelven te denken! Hij vreesde slechts eene laatste en
kwade kans: namelijk dat het vlot werd tegengehouden door eene
versperring van ijsschotsen vóor dat het Irkoetsk bereikt had. Daar
dacht hij steeds over; maar verder was hij vast besloten, zoo noodig,
eene uiterste poging te wagen.
Door eenige uren rust weder versterkt, had Nadia hare lichaamskracht
herwonnen, die het gebrek soms had kunnen onderdrukken, zonder dat hare
zedelijke wilskracht echter ooit aan het wankelen kon worden gebracht.
Ook dacht zij er aan dat wanneer Michael Strogoff eene nieuwe poging
mocht beproeven om zijn doel te bereiken, zij bij de hand moest zijn om
hem te leiden. Maar naarmate zij Irkoetsk naderde, kwam het beeld van
haar vader haar duidelijker voor den geest. Zij zag hem in de belegerde
stad, ver van zijne geliefden, maar—daaraan twijfelde zij niet—met al
het vuur zijner vaderlandsliefde tegen de overweldigers worstelende.
Zoo de hemel hun eindelijk gunstig was, zou zij, binnen een paar uur,
in zijne armen liggen, hem de laatste woorden harer moeder herinneren
en dan zouden zij elkander niet meer verlaten. Werd de ballingschap van
Wassili Fedor niet verkort, dan zou zijne dochter zijne ballingschap
blijven deelen. Daarna werd zij door hare natuurlijke neiging er toe
geleid aan hem te denken aan wien zij de terugkomst bij haar vader te
danken had, aan dien braven makker, aan dien »broeder” die, nadat de
Tartaren verdreven zouden zijn, naar Moskou zou terugkeeren; dien zij
dan misschien nooit meer zou terugzien!....
Alcide Jolivet en Harry Blount hadden slechts eene en dezelfde
gedachte: dat de toestand zoo dramatisch mogelijk was en dat ze, goed
verwerkt, een der allerbelangwekkendste verhalen zou opleveren. De
Engelschman dacht dus aan de lezers van de Daily Telegraph en de
Franschman aan die van zijne nicht Madeleine. Inderdaad waren zij
beiden eenigszins aangedaan.
»Welaan! zooveel te beter,” dacht Alcide Jolivet. »Om aandoening te
verwekken moet men zelf aangedaan zijn! Ik geloof zelfs dat er een
vermaard vers over dat onderwerp bestaat, maar de duivel hale mij! als
ik het weet....”
En met zijne zoo geoefende oogen trachtte hij de dichte duisternis, die
den stroom omgaf, te doorboren.
Intusschen werd deze duisternis soms door sterke flikkeringen van licht
afgebroken, die de donkere lichamen op den oever dan een spookachtig
aanzicht gaven. Het was een woud dat in brand stond of een dorp dat nog
brandde en dus eene sombere herhaling der tooneelen van den dag, nog
verhoogd door de tegenstelling van den nacht. De Angara werd dan van
den eenen tot den anderen oever verlicht. De ijsschotsen vormden even
zoovele spiegels die, de vlam onder alle hoeken en met allerlei kleuren
terugkaatsende, zich naar de luimen van den stroom verplaatsten. Het
vlot onder al deze drijvende lichamen vermengd, gleed ongemerkt
voorbij.
Daar zat het gevaar hem dus niet.
Maar een gevaar van gansch anderen aard bedreigde de vluchtelingen. Dat
konden zij niet voorzien, maar wat meer is, zij konden het niet
afweren. Het toeval maakte er Alcide Jolivet mede bekend en wel onder
de volgende omstandigheid.
Alcide Jolivet had, op den rechterkant van het vlot liggende, zijne
hand in den stroom laten afhangen. Plotseling was hij verwonderd over
de werking die de aanraking van het water op de oppervlakte zijner hand
uitoefende. Het scheen uit een kleverige zelfstandigheid te bestaan,
alsof het uit aard-olie was saamgesteld.
Het gevoel door den reuk nagaande, bleef er voor Alcide Jolivet geen
twijfel over. Het was inderdaad eene laag vloeibare naphta die op de
oppervlakte van het water der Angara dreef en met haar meestroomde!
Dreef het vlot dan werkelijk op deze zoo brandbare zelfstandigheid?
Waar kwam die naphta vandaan? Was het eene werking der natuur die het
op de oppervlakte der Angara gelegerd had of wel een
vernielingswerktuig door de Tartaren aangewend? Wilden zij, door
middelen die het oorlogsrecht tusschen beschaafde natiën niet
rechtvaardigde, den brand tot in Irkoetsk voortplanten?
Deze vragen deed Alcide Jolivet aan zich zelven, maar hij deelde het
geval aan niemand anders mede dan aan Harry Blount en beiden waren van
gevoelen om hunne makkers niet te verontrusten door hun dit nieuwe
gevaar te openbaren.
Het is bekend dat de bodem van Middel-Azië als eene spons doortrokken
is van een vloeibaar mengsel van koolstof met waterstof. In de haven
van Bakoe, op de Perzische grens, op het schiereiland Abcheron, op de
Kaspische zee, in Klein-Azië, in China, in den Joeg-Hijan, in Birma,
borrelen de bronnen van minerale oliën bij duizenden boven de
oppervlakte van den grond. Het is de »oliestreek” gelijkende op die,
welke in Noord-Amerika denzelfden naam draagt.
Bij sommige godsdienstige feesten werpen de inboorlingen, voornamelijk
die van de havenstad Bakoe, welke vuur-aanbidders zijn, vloeibare
naphta op de oppervlakte der zee, die dan bovendrijft omdat ze lichter
dan het water is. Als het dan nacht geworden is en zich eene laag
minerale olie over de Kaspische zee verspreid heeft, steken zij haar
aan en verschaffen zij zich het onvergelijkelijk schoone schouwspel van
eene vuurzee, wier golven door den wind heen en weer bewogen worden.
Maar wat te Bakoe slechts een vermaak was, zou op de wateren der Angara
eene ramp zijn geweest. Of het vuur door kwaadwilligheid of door
onvoorzichtigheid werd aangebracht, in een oogenblik zou de brand zich
tot voorbij Irkoetsk hebben uitgestrekt.
In elk geval was op het vlot geene onvoorzichtigheid te vreezen; maar
er was alles te duchten van de branden die op beide oevers der Angara
woedden, want een brandend stuk hout of eene vonk, die in den stroom
vielen, waren voldoende om de naphtavloed in vuur te zetten.
De vrees van Alcide Jolivet en Harry Blount is gemakkelijker te
begrijpen, dan er eene beschrijving van te geven. Zij vroegen zich af
of het met het oog op dit nieuwe gevaar, niet verkieslijker ware, een
der oevers aan te doen, er te ontschepen en te wachten?
»In ieder geval,” zeide Alcide Jolivet, »ken ik iemand die, om geen
enkel gevaar, zou ontschepen!”
En hij zinspeelde op Michael Strogoff.
Intusschen dreef het vlot snel af te midden der ijsschotsen die zich
steeds dichter aan elkander sloten.
Tot dusverre was er nog geene enkele Tartaarsche afdeeling op de oevers
der Angara waargenomen, hetgeen aantoonde dat het vlot nog niet ter
hoogte van hunne voorposten was aangekomen. Maar, tegen tien uur ’s
avonds, meende Harry Blount talrijke zwarte lichamen zich op de
ijsschotsen te zien bewegen. Die gedaanten, van schots tot schots
springende, naderden snel.
»Tartaren!” dacht hij.
En naar den ouden schipper toekruipende, die voorop zat, wees hij hem
de verdachte beweging.
De oude schipper keek scherp uit.
»Dat zijn slechts wolven,” zeide hij. »Die heb ik liever dan Tartaren.
Maar wij moeten ons verdedigen, doch zonder leven te maken!”
Inderdaad hadden zij tegen de woeste, verscheurende dieren te
worstelen, die de honger en de koude door de provincie gedreven had. De
wolven hadden het vlot geroken en spoedig vielen zij het aan. De
vluchtelingen waren dus tot het gevecht gedwongen maar zonder van
vuurwapenen gebruik te maken, daar zij niet ver van de Tartaarsche
posten verwijderd konden zijn. De vrouwen en kinderen plaatsten zich
midden op het vlot, terwijl de mannen, sommigen met staken, anderen met
messen, de meesten met stokken gewapend, zich gereed maakten om de
aanvallers af te slaan. Zij lieten geen geluid hooren, maar het gehuil
der wolven vervulde de lucht.
Michael Strogoff wilde niet werkeloos blijven. Hij had zich uitgestrekt
aan de zijde van het vlot, die door de wolven werd aangevallen. Hij had
zijn mes getrokken en telkenmale als een wolf onder zijn bereik kwam,
wist hij het hem in de keel te stooten. Harry Blount en Alcide Jolivet
zaten ook niet stil; zij werkten hard. Hunne makkers stonden hen dapper
bij. Deze slachting geschiedde in alle stilte, hoewel onderscheidene
vluchtelingen zich voor ernstige beten niet had kunnen behoeden.
Intusschen scheen de worsteling niet zoo spoedig te zullen eindigen. De
troep wolven werd steeds aangevuld en de rechteroever der Angara scheen
er van te wemelen.
»Houdt het dan nooit op!” zeide Alcide Jolivet, zijn dolk, rood van het
bloed, rondzwaaiende.
En inderdaad renden, een half uur nadat het gevecht begonnen was, de
wolven nog bij honderden over de ijsschotsen.
De uitgeputte vluchtelingen werden toen zichtbaar zwakker. Het gevecht
begon in hun nadeel te staan. Op dit oogenblik maakte een troep van
tien groote wolven, dol van woede en honger en wier oogen in de
duisternis als kolen vuurs schitterden, zich van het plat van het vlot
meester. Alcide Jolivet en zijn makker wierpen zich midden tusschen
deze vreeselijke dieren en Michael Strogoff kroop naar hen toe, toen er
plotseling een front-verandering plaats greep.
Binnen eenige seconden hadden de wolven niet alleen het vlot, maar ook
de in den stroom verspreide ijsschotsen verlaten. Al die donkere
gedaanten verspreidden zich en het was spoedig blijkbaar dat zij, met
den meesten spoed, naar den rechteroever van den stroom waren
teruggekeerd.
Om te handelen hadden die wolven de duisternis noodig en thans
verlichtte een helle gloed de Angara over haar geheelen loop.
Het was het schijnsel van een hevigen brand. Het stadje Poshkavsk stond
geheel in vlammen. Nu waren er de Tartaren dan toch aan het werk. Van
dit punt bezetten zij de beide oevers tot voorbij Irkoetsk. Nu kwamen
de vluchtelingen aan de gevaarlijkste streek van hun doortocht en zij
waren nog dertig wersten van de hoofdstad verwijderd.
Het was half twaalf ’s avonds. Het vlot vervolgde in het donker zijn
tocht door de ijsschotsen, waarmede zijn vorm geheel te samen smolt;
maar soms werd het door breede lichtstrepen bestraald. Ook
veroorloofden de op het dek van het vlot uitgestrekte vluchtelingen
zich geene enkele beweging die hen zou hebben kunnen verraden.
De brand van het stadje geschiedde met buitengemeene hevigheid. De van
dennenhout gebouwde huizen brandden als hars. Er brandden er honderd
vijftig te gelijk. Aan het geknetter der vlammen paarde zich het gebrul
der Tartaren. De oude schipper had een steunpunt genomen op de
omringende ijsschotsen, vanwaar hij het vlot naar den rechteroever
terugduwde, zoodat een afstand van drie tot vierhonderd voet het toen
van de brandende steile oevers van Poshkavsk scheidde.
Niettemin zouden de vluchtelingen, die telkenmale eenige oogenblikken
verlicht waren, zeker ontdekt zijn geworden, zoo de brandstichters het
met de vernieling van het stadje niet te druk hadden gehad. Maar men
zal kunnen begrijpen hoe Alcide Jolivet en Harry Blount te moede waren,
als zij dachten aan de brandbare vloeistof, waarop het vlot dreef.
Intusschen vlogen bundels vonken uit de huizen, die gloeiende ovens
schenen. In het midden der rookkolommen stegen die vonken tot eene
hoogte van vijf- of zes honderd voet naar boven. Op den rechteroever,
die vlak tegenover den brand gelegen was, vertoonden de boomen en
oevergebergten zich alsof ze in vlam stonden. Nu had slechts een vonk
op het watervlak der Angara te vallen en de brand deelde zich aan het
stroomende water mede, waardoor de ramp zich van oever tot oever zou
hebben uitgestrekt. Het was de vernieling, in weinig tijds, van het
vlot en van hen die het meevoerde.
Maar gelukkig woeien de nachtelijke zuchtjes niet naar den kant van het
vlot. Zij bleven uit het oosten blazen en sloegen de vlammen naar de
linkerzijde. Er bestond dus mogelijkheid dat de vluchtelingen aan dit
nieuwe gevaar zouden ontsnappen.
En werkelijk kwam men eindelijk voorbij het brandende vlek.
Langzamerhand verflauwde de gloed van den brand, het geknetter
verminderde en de laatste schijnsels verdwenen achter de hooge steile
oevers bij eene scherpe bocht der Angara.
Het was omstreeks middernacht. De duisternis, die weder ingetreden was,
beschutte het vlot opnieuw. De Tartaren, die er waren, liepen heen en
weer aan beide oevers. Men zag ze niet, maar men hoorde hen. De vuren
der voorposten waren buitengewoon helder.
Intusschen werd het noodzakelijk om tusschen de opzettende ijsschotsen
met meer nauwkeurigheid te sturen.
De oude schipper stond op en de moejieks namen hunne boomen weder op.
Allen hadden de handen vol en de besturing van het vlot werd steeds
moeielijker, want de bedding van den stroom vernauwde zich merkbaar.
Michael Strogoff was naar het voorste gedeelte geslopen.
Alcide Jolivet was hem gevolgd.
Beiden luisterden naar hetgeen de schipper en zijne lieden spraken.
»Houd rechts de wacht!”
»Daar komen de ijsschotsen links opzetten.”
»Houd af! Houd af met je boom!”
»Binnen een uur liggen we stil!....”
»Als God het wil!” antwoordde de oude schipper. »Tegen zijn wil is
niets te doen.”
»Verstaat gij hen,” zeide Alcide Jolivet.
»Ja,” antwoordde Michael Strogoff, »maar God is met ons!”
Intusschen verergerde de toestand meer en meer. Indien de vaart van het
vlot gestaakt moest worden, zouden de vluchtelingen niet alleen
Irkoetsk niet bereiken, maar zij zouden genoodzaakt worden hun
drijvenden toestel te verlaten, die, door de ijsschotsen verbrijzeld,
spoedig onder hunne voeten zou wegzinken. De teenen banden zouden
breken, de met geweld vaneengescheiden pijnboomstammen zouden onder de
harde korst geraken en er zou den ongelukkigen niets dan de ijsschotsen
zelven tot wijkplaats overblijven. Bij het aanbreken van den dag zouden
zij door de Tartaren ontdekt en zonder genade vermoord worden!
Michael Strogoff begaf zich weder naar achteren, waar Nadia hem
wachtte. Hij naderde het meisje, greep hare hand en deed haar deze
onveranderlijke vraag: »Nadia, zijt ge gereed?” waarop zij, als altijd,
ten antwoord gaf:
»Ik ben gereed!”
Het vlot bleef nog eenige wersten lang tusschen het drijfijs afzakken.
Indien de Angara nauwer werd, zou er eene verstopping ontstaan en zou
het bijgevolg onmogelijk worden, den stroom te volgen. Reeds was er
minder drift in het vlot. Ieder oogenblik schokken of afwijkingen. Hier
eene aanvaring te vermijden, daar eene geul op te zoeken. Om kort te
gaan, vele onrustbarende vertragingen.
En de nacht zou nog maar eenige uren duren. Zoo de vluchtelingen
Irkoetsk niet vóor vijf uur ’s morgen bereikten, konden zij de hoop wel
opgeven om er ooit binnen te komen.
Om half twee stiet het vlot, niettegenstaande alle aangewende pogingen,
tegen eene zware versperring en lag het voor goed stil. De ijsschotsen,
die van boven afdreven, liepen op het vlot aan, drukten het tegen de
verstopping en maakten het zoo onbeweeglijk, alsof het op eene klip
gestrand ware.
Op deze plaats vernauwde de Angara zich en besloeg hare bedding slechts
de helft der gewone breedte. Vandaar opeenhooping van ijsschotsen, die
zich langzamerhand aaneengehecht hadden onder den dubbelen invloed der
samenpersing, die belangrijk was, en van de koude, wier hevigheid
verdubbelde. Vijfhonderd schreden benedenwaarts verbreedde zich het bed
van den stroom weder en de ijsschotsen, die daar langzaam van den rand
van het ijsveld losraakten, vervolgden hun tocht naar Irkoetsk. Het was
dus waarschijnlijk dat, zonder deze vernauwing, de opstopping zich niet
zou gevormd hebben en dat het vlot zijne vaart zou hebben kunnen
vervolgen. Maar het was een onherstelbaar ongeluk en de vluchtelingen
moesten alle hoop om hun doel te bereiken, opgeven.
Hadden zij gereedschap ter hunner beschikking gehad, zooals de
walvischvaarders het gewoonlijk gebruiken, om zich kanalen door de
ijsvelden te openen; hadden zij het ijsveld kunnen doorzagen tot aan de
plek waar de rivier breeder werd, de tijd zou hun er wellicht niet voor
ontbroken hebben. Maar geene zaag, geen houweel, niets wat hen in staat
stelde die korst aantetasten, welke door de koude zoo hard als graniet
was geworden.
Welk besluit te nemen?
Op dit oogenblik knalden geweerschoten op den rechteroever der Angara.
Een hagelbui van kogels kwam in de richting van het vlot. Waren de
ongelukkigen dan ontdekt? Waarschijnlijk want ook van den linkeroever
werd geweervuur gehoord. De alzoo tusschen twee vuren geplaatste
vluchtelingen werden het mikpunt der Tartaarsche schutters. Enkelen
hunner werden door die kogels verwond, hoewel ze, in de duisternis, hen
slechts bij toeval bereikten.
»Kom, Nadia,” fluisterde Michael Strogoff aan het oor van het meisje.
Zonder eene opmerking, tot alles gereed, vatte Nadia de hand van
Michael Strogoff.
»We moeten de verstopping over,” zeide hij zacht tot haar. »Leid mij,
maar dat niemand ons het vlot zie verlaten!”
Nadia gehoorzaamde. Michael Strogoff en zij slopen snel over het
ijsveld, in eene duisternis, die hier en daar door het flikkeren van
geweerschoten afgebroken werd.
Nadia kroop Michael Strogoff vooruit. De kogels vielen als eene hevige
hagelbui om hen heen en kletterden tegen de ijsschotsen. De oppervlakte
van het ijsveld deed door zijne oneffenheden en scherpe kanten hunne
handen bloeden, maar zij kwamen toch vooruit.
Tien minuten daarna werd de benedenrand van de verstopping bereikt.
Daar was het water der Angara weder open. Eenige schotsen,
langzamerhand van het ijsveld losgeraakt, volgden weder den stroom en
zakten naar de stad af.
Nadia begreep wat Michael Strogoff beproeven wilde. Zij zag eene schots
die nog maar met eene dunne strook vastzat.
»Kom mede,” zeide Nadia.
En beiden gingen op dit ijsbrok liggen, dat door eene lichte
schommeling van de verstopping los raakte.
De ijsschots begon af te drijven. Daar het bed der rivier breeder werd
was de weg open.
Michael Strogoff en Nadia luisterden naar de geweerschoten, de
noodkreten en het gebrul der Tartaren, dat zich bovenwaarts liet
hooren... Daarna stierven de geluiden van hevigen angst en wreedaardige
woede langzamerhand in de verte weg. »Arme makkers!” mompelde Nadia.
De stroom voerde de ijsschots, waarop Michael Strogoff en Nadia zich
bevonden, gedurende een half uur snel mede. Ieder oogenblik konden ze
vreezen dat zij onder hen zou wegzinken. In den stroomdraad geraakt,
volgde zij het midden der rivier en het zou dan eerst noodig zijn om
haar eene schuinsche richting te geven, wanneer het oogenblik om de
kaden van Irkoetsk aan te doen, daar zou zijn. De tanden op elkander
gesloten en het oor gespitst, sprak Michael Strogoff geen enkel woord.
Nooit was hij het doel zoo nabij geweest. Hij gevoelde dat hij op het
punt was het te bereiken!...
Tegen twee uur des morgens schitterde een dubbele rij lichten tegen den
donkeren gezichteinder, waarin beide oevers der Angara ineenvloeden.
Rechts was ’t het licht dat van Irkoetsk uitstraalde. Ter linkerhand
waren het de vuren van het Tartaarsche kamp.
Michael Strogoff was nog slechts op een halve werst van de stad.
»Eindelijk!” mompelde hij.
Maar plotseling deed Nadia een kreet hooren.
Op dezen kreet ging Michael Strogoff overeind staan op de ijsschots die
waggelde. Hij strekte zijn hand naar de Angara uit. Zijn gelaat, door
blauwachtige schijnsels verlicht, werd vreeselijk om te aanschouwen en
toen, alsof hij het gezicht teruggekregen had, riep hij uit:
»Ach! God zelf is dan tegen ons!”