Het meer Baïkal ligt zeventienhonderd voet boven het oppervlak der zee.
Het is bijna negenhonderd wersten lang en honderd breed. Zijne diepte
is niet bekend. Mevrouw Bourboulon verhaalt dat het, naar het zeggen
der schippers, »Mevrouw Zee” wil genoemd worden. Indien men ’t
»Mijnheer Meer” noemt wordt het dadelijk onstuimig. Intusschen wil de
legende dat er nimmer een Rus in verdronken is.
Dit onmetelijk zoetwater-bekken, door meer dan driehonderd rivieren
gevoed, wordt door een prachtigen ring van vulkanische bergen omlijst.
Het heeft geen anderen uitloop dan de Angara, die, na langs Irkoetsk te
zijn gestroomd, zich een weinig boven de stad Jeniseïsk in de Jeniseï
werpt. De bergen, die het omringen, vormen een tak van het
Toengoes-gebergte en zij behooren tot het uitgestrekte gebied van het
Altaï-gebergte.
De koude deed zich op dit tijdstip reeds gevoelen. Zooals het in deze
aan eene bijzondere luchtgesteldheid onderhevige landstreek gebeurt,
scheen de herfst in een vroegtijdigen winter te zullen overgaan. Het
was in de eerste dagen van October. De zon verliet den gezichteinder nu
om vijf uur ’s avonds en de lange nachten deden den thermometer op nul
dalen. De eerste sneeuw, die tot aan den zomer zou aanhouden, bedekte
de bergkruinen in den omtrek van het Baïkalmeer. Dit binnenmeer,
gedurende den Siberischen winter verscheidene voeten dik bevroren,
wordt dan in alle richtingen door sleden van koeriers en karavanen
doorkruist.
Of het is omdat men, de regels der wellevendheid vergetende, het den
naam geeft van »Mijnheer Meer” of wel om eenige andere weerkundige
reden, zeker is het dat het Baïkalmeer aan hevige stormen onderhevig
is. Zijne golven, kort als die van alle binnenzeeën, zijn zeer
gevaarlijk voor vlotten, schuiten en stoombooten, die het des zomers
bevaren.
Michael Strogoff kwam nu aan de zuidwestelijke punt van dit meer aan,
terwijl hij Nadia, wier leven zich tot hare oogen bepaalde, in zijne
armen droeg. Wat konden zij in dit woeste gedeelte der provincie anders
verwachten dan van uitputting en van gebrek om te komen? En wat bleef
er intusschen van den langen weg van zesduizend wersten nog afteleggen
door den koerier van den czaar, zoo hij zijn doel wilde bereiken?
Slechts zestig wersten over het meer naar de monding der Angara en
tachtig wersten van den mond der Angara tot Irkoetsk: in het geheel
honderd veertig wersten, dat is drie dagreizen voor een gezond,
krachtig man, al ging hij te voet.
Was Michael Strogoff nog zoo’n man?
Ongetwijfeld wilde de hemel hem deze proef besparen. Het noodlot, dat
hem vervolgde, scheen hem eenige oogenblikken rust te willen gunnen.
Dit uiteinde van het Baïkalmeer, dit gedeelte der steppe, dat hij
verlaten waande en dat zulks anders altijd is, was het nu niet.
Een vijftigtal personen bevonden zich in den hoek door de
zuidwestelijke punt van het meer gevormd.
Nadia bespeurde dien hoop menschen dadelijk toen Michael Strogoff, haar
dragende, den bergpas uitstapte.
Het meisje vreesde in het eerst dat het eene Tartaarsche afdeeling was,
afgezonden om de oevers van het meer Baïkal af te stroopen, in welk
geval de vlucht voor beiden onmogelijk ware geweest.
Maar Nadia werd, in dit opzicht, spoedig gerustgesteld.
»Russen!” riep zij uit.
En, na deze laatste inspanning, sloten hare oogleden zich weder en zonk
haar hoofd op de borst van Michael Strogoff.
Maar zij waren opgemerkt en eenige Russen, die naar hen toeliepen,
brachten den blinde en het meisje naar een smallen oever, waar een vlot
vastgemeerd lag.
Het vlot lag tot vertrek gereed.
Die Russen waren vluchtelingen van elken stand, door éénzelfde belang
op dit punt van het Baïkalmeer vereenigd. Door de Tartaarsche
veldontdekkers afgewezen, beproefden zij eene wijkplaats in Irkoetsk te
vinden en dit land niet kunnende bereiken, sedert de overweldigers de
beide oevers der Angara bezet hadden, hoopten ze er te komen door den
stroom, die de stad doorsnijdt, af te zakken.
Hun voornemen deed het hart van Michael Strogoff opspringen. Er
vertoonde zich eene laatste kans in zijn spel. Maar hij had de kracht
om te veinzen, daar hij zijn incognito nog strenger dan vroeger wilde
bewaren.
Het plan der vluchtelingen was zeer eenvoudig. Een stroom van het
Baïkalmeer trekt langs den bovenoever tot aan de monding der Angara.
Van dezen stroom wilden zij gebruik maken om allereerst den uitloop van
het Baïkalmeer te bereiken. Van dit punt tot Irkoetsk zou het
snelvlietende water van den stroom hen met een spoed van tien tot
twaalf wersten per uur meevoeren. Zij zouden in anderhalven dag in het
gezicht der stad zijn.
Geen enkel vaartuig was in deze streek aanwezig. Men had er dus iets op
moeten verzinnen. Er was een vlot gebouwd of liever een houtsleep,
zooals er gewoonlijk de Siberische rivier afzakken. Een pijnboomenwoud,
dat zich op den oever verhief, had de drijvende bouwstoffen geleverd.
De boomstammen met teenen aan elkander verbonden, vormden een plat,
waarop honderd menschen gemakkelijk plaats zouden hebben gevonden.
Op dit vlot werden Michael Strogoff en Nadia overgebracht. Het meisje
was weder tot zichzelve gekomen. Men gaf haar en haren makker eenig
voedsel. Daarna viel zij, op een bed van bladeren, spoedig in een
diepen slaap.
Michael Strogoff vertelde aan hen, die hem ondervroegen, niets van de
zaken die te Tomsk waren voorgevallen. Hij gaf zich uit voor een
inwoner van Krasnoïarsk, die Irkoetsk niet had kunnen bereiken voordat
de troepen van den emir op den linkeroever der Dinka waren aangekomen
en hij voegde er bij dat het gros der Tartaarsche troepen
waarschijnlijk voor de hoofdstad van Siberië stelling had genomen.
Er viel dus geen oogenblik te verliezen. Bovendien werd de koude steeds
vinniger. De temperatuur daalde gedurende den nacht, beneden nul. Er
hadden zich reeds ijsschotsen op de oppervlakte van het meer Baïkal
gevormd. Zoo het vlot op het meer gemakkelijk kon varen, tusschen de
oevers van de Angara zou dit, indien de ijsschotsen zijn loop
belemmerden, niet het geval zijn.
Om al deze redenen moesten de vluchtelingen met hun vertrek spoed
maken.
Te acht uur des avonds werden de touwen losgegooid en door de werking
van den stroom, volgde het vlot de kust. Lange boomen, door eenige
stevige moejieks gehanteerd, waren voldoende om het in de goede
richting te houden.
Een oude schipper van het meer Baïkal had het bevel over het vlot op
zich genomen. Het was een man van vijf en zestig jaar, door de
windvlagen van het meer geheel verweerd. Een zeer dikke, witte baard
hing op zijne borst neder. Eene bonten muts bedekte zijn ernstig en
eerbiedwaardig hoofd. Zijn wijde en lange schanslooper, om zijn middel
gesloten, viel hem tot op de hielen. Deze stilzwijgende grijsaard, die
achter op het vlot zat, gaf zijne bevelen door gebaren, en hij sprak in
tien uren geen tien woorden. Overigens bestond de besturing slechts in
de zorg om het vlot in den langs de kust loopenden stroom te houden, en
te zorgen dat het niet in het volle meer geraakte.
Zooeven is gezegd dat Russen van allerlei stand op het vlot plaats
hadden genomen. Inderdaad hadden zich bij de inlandsche moejieks,
mannen, vrouwen, grijsaards en kinderen, twee of drie door den inval
verraste pelgrims gevoegd, zoomede eenige monniken en een pope. De
pelgrims droegen den reisstaf, eene aan den gordel bevestigde kalebas
en zij zongen psalmen op een klagenden toon. De eene kwam uit de
Ukraïne, de andere van de Gele Zee, de derde uit Finland. De laatste,
reeds hoog bejaard, droeg aan den gordel eene offerbus met een hangslot
er aan, even alsof ze aan een kerkpijler was opgehangen. Van alles wat
hij gedurende dien langen en vermoeienden omgang ophaalde, was niets
voor hem zelven en hij had zelfs geen sleutel van het hangslot, dat
eerst bij zijn terugkeer werd geopend.
De monniken kwamen uit het noorden des rijks. Zij hadden sedert drie
maanden Archangel verlaten, de stad waaraan de reizigers terecht een
Oostersch aanzicht hebben opgemerkt. Zij hadden de Heilige eilanden, op
de kust van Karelië bezocht, zoomede het klooster Solowetsk, het
klooster Troïtsa, de kloosters van den Heiligen Antonius en van de
Heilige Theodosia te Kiew, dat oude lievelingsoord der Jagellonen, het
mannenklooster van Siméonow te Moskou, dat van Kasan, zoomede de kerk
der Oud-Geloovigen aldaar en zij begaven zich nu naar Irkoetsk, gekleed
in eene pij, eene kap en verdere kleederen uit saai vervaardigd.
De pope was een eenvoudig dorpspriester, een dier zes honderd duizend
herders die het Russische rijk telt. Hij was even ellendig als de
moejieks gekleed, boven wie hij in werkelijkheid ook niet verheven was,
daar hij rang noch macht in de kerk bezat en hij, als een boer, zijn
stukje grond bearbeidde, voor het overige doopende, in den echt
verbindende en begravende. Hij had zijne kinderen en zijne vrouw aan de
gewelddadigheden der Tartaren kunnen onttrekken, door hen naar de
Noordelijke provinciën te zenden. Hij was echter tot het laatste
oogenblik in zijn kerspel gebleven. Vervolgens was hij genoodzaakt om
te vluchten en, daar de weg naar Irkoetsk versperd was, had hij het
meer Baïkal moeten trachten te bereiken.
Die verschillende geestelijken, voor op het vlot in groepen gezeten,
baden op geregelde tijdstippen, de stem in dezen stillen nacht
verheffende; terwijl aan het slot van elk vers van hun gebed het »Slava
Bogu” (Glorie zij God), over hunne lippen kwam.
Er viel gedurende de vaart niets bijzonders voor. Nadia bleef in een
diepe sluimering verzonken. Michael Strogoff had bij haar gewaakt. De
slaap had hem slechts bij korte tusschenpoozen overmeesterd, terwijl
zijne gedachte steeds wakker bleef.
Bij het aanbreken van den dag was het vlot, opgehouden door tegenwind
die de werking van den stroom belemmerde, nog op veertig wersten van de
uitmonding der Angara. Waarschijnlijk zou het die niet voor drie of
vier uur ’s namiddags bereiken. Dit was geen bezwaar, integendeel, want
nu konden de vluchtelingen den stroom des nachts afzakken en zou de
duisternis hunne aankomst te Irkoetsk begunstigen.
De eenige vrees, die de schipper verscheidene malen te kennen gaf,
betrof het ontstaan van ijs op de oppervlakte van het water. De nacht
was buitengemeen koud geweest. Men zag vrij talrijke ijsschotsen onder
den invloed des winds, in eene westelijke richting drijven. Deze waren
echter niet te duchten omdat zij niet in de Angara konden afdrijven,
daar zij reeds voorbij hare monding waren. Maar men moest aan de
schotsen denken die uit de oostelijke gedeelten van het meer kwamen en
die door den stroom nader gebracht, zich tusschen de oevers van den
stroom konden vastzetten. Daaruit konden bezwaren en vertragingen
voortspruiten, misschien wel een onoverkomelijk beletsel dat het vlot
kon tegenhouden.
Michael Strogoff had er dus het grootste belang bij om den toestand van
het meer te kennen en te weten of de ijsschotsen zich in grooten getale
opdeden. Nadia ontwaakt zijnde, ondervroeg hij haar dikwijls en zij gaf
hem verslag van alles wat op de oppervlakte der wateren voorviel.
Terwijl de ijsschotsen zoo afdreven, vertoonden zich merkwaardige
natuurverschijnselen op de oppervlakte van het Baïkalmeer. Het was een
prachtig springen van bronnen kokend water, opstijgende uit de
artesische putten die de natuur zelve in de bedding van het meer
geboord heeft. Deze stralen verhieven zich tot eene groote hoogte en
verspreidden zich daarna in dampen, waar de zonnestralen regenbogen op
vormden, die door de koude oogenblikkelijk verdikt werden. Zeker zou
dit belangwekkende schouwspel den blik verrukt hebben van den reiziger,
die, in vollen vrede en voor zijn genoegen, op deze Siberische zee had
gereisd.
Om vier uur ’s avonds werd de mond van de Angara door den ouden
schipper tusschen de hooge granietrotsen der kust verkend. Men
bespeurde op den rechteroever de kleine haven van Livenitchnaïa, zijne
kerk en zijne op den oever gebouwde huisjes.
Maar eene ernstige omstandigheid was het dat de eerste ijsschotsen, uit
het oosten komende, reeds tusschen de oevers der Angara afdreven en dat
zij bijgevolg naar Irkoetsk afzakten. Intusschen kon hun aantal nog
niet groot genoeg zijn om den stroom te verstoppen, noch de koude hevig
genoeg om ze te doen samenpakken.
Het vlot bereikte het haventje en hield er stil. De oude schipper had
beslist dat daar een uur zou worden stil gehouden om eenige
noodzakelijke herstellingen te doen. De losgeraakte boomstammen liepen
gevaar zich van elkander te verwijderen en het kwam er op aan ze stevig
te verbinden om den zeer snellen stroom der Angara weerstand te kunnen
bieden.
Gedurende het schoone jaargetijde is de haven van Livenitchnaïa een
station voor het in- en ontschepen der reizigers op het meer Baïkal,
hetzij dat zij zich naar Kiachta, de laatste stad op de
Russisch-Chineesche grens begeven, hetzij zij vandaar terugkeeren. Zij
wordt dus druk bezocht door de stoombooten en de kustvaarders van het
meer.
Maar op dit oogenblik was Livenitchnaïa verlaten. Zijne inwoners wilden
zich niet blootstellen aan de verwoestingen der Tartaren, die nu de
beide oevers der Angara afliepen. Zij hadden de kleine vloot van
schuiten en booten, die gewoonlijk in hunne haven overwintert, naar
Irkoetsk gezonden, en voorzien van al wat vervoerbaar was, hadden zij
tijdig de wijk binnen de hoofdstad van Oost-Siberië genomen.
De oude schipper verwachtte dus niet nieuwe vluchtelingen in de haven
van Livenitchnaïa te zullen opnemen en echter kwamen er, op het
oogenblik dat het vlot aan wal kwam, uit een ledig huis, twee
passagiers zoo hard zij konden, op den oever aanloopen.
Nadia, die achterop zat, keek met een verstrooiden blik.
Bijna ontsnapte haar een kreet. Zij greep de hand van Michael Strogoff,
die, bij deze beweging, het hoofd oprichtte.
»Wat hebt ge, Nadia?” vroeg hij.
»Michael, daar zijn onze twee reismakkers.”
»Die Franschman en de Engelschman, die wij in de bergpassen van den
Oeral ontmoet hebben?”
»Ja.”
Michael Strogoff sidderde, want het strenge incognito dat hij niet
wilde opgeven, liep gevaar opgeheven te worden.
Inderdaad zouden Alcide Jolivet en Harry Blount in hem niet meer
Nikolaas Korpanoff zien, maar wel den echten Michael Strogoff, den
koerier van den czaar.
De beide dagbladschrijvers hadden hem reeds twee keer ontmoet na hunne
scheiding op de wisselplaats te Ichim: de eerste maal in het kamp van
Zabediero, toen hij het gelaat van Ivan Ogareff met den knoet
doorstriemde; de tweede keer te Tomsk toen hij door den emir
veroordeeld werd. Zij wisten dus waaraan zij zich, ten zijnen aanzien,
te houden hadden, ook wat zijne werkelijke hoedanigheid betrof.
Michael Strogoff nam een snel besluit.
»Nadia,” zeide hij, »zoodra die Franschman en die Engelschman scheep
zullen zijn, verzoek hen dan om bij mij te komen.”
Inderdaad waren het Harry Blount en Alcide Jolivet, die, even als
Michael Strogoff, niet door het toeval, maar door den drang der
gebeurtenissen naar de haven van Livenitchnaïa gedreven waren.
Men weet dat ze, na den intocht der Tartaren te Tomsk te hebben
bijgewoond, vertrokken waren vóor de wreede terechtstelling, die het
feest besloot. Zij twijfelden er dus niet aan of hun makker was ter
dood gebracht; dat hij op last van den emir blind was gemaakt, wisten
ze niet.
Na zich van paarden voorzien te hebben, hadden zij dienzelfden avond
Tomsk verlaten, met het vaste voornemen om voortaan hunne berichten uit
de Russische legerplaatsen in Oost-Siberië te dagteekenen.
Alcide Jolivet en Harry Blount begaven zich met versnelden marsch naar
Irkoetsk. Zij hoopten er Feofar-Khan voor te zijn en zouden zulks ook
geweest zijn, zonder de plotselinge verschijning van de derde, uit de
zuidelijke streken der Jeniseï-vallei aanrukkende kolonne. Evenals
Michael Strogoff werden zij afgesneden vóor zij de Dinka bereikten en
moesten zij daarom weder tot aan het meer Baïkal afzakken.
Toen zij te Livenitchnaïa aankwamen, vonden zij de haven reeds ledig.
Van eene andere zijde konden zij Irkoetsk niet bereiken, dat door de
Tartaren reeds omsingeld was. Zij vertoefden er dus reeds drie dagen in
groote verlegenheid, toen het vlot aankwam.
Het oogmerk der vluchtelingen werd hun toen medegedeeld. Zeker was er
wel kans om gedurende den nacht door te sluipen en binnen Irkoetsk te
komen. Ze besloten dus de zaak te beproeven.
Alcide Jolivet stelde zich dadelijk met den ouden schipper in
betrekking en vroeg hem overtocht van zijn makker en hem, met aanbod
elken prijs, dien hij eischte, te zullen betalen.
»Hier wordt niet betaald,” antwoordde de oude schipper op ernstigen
toon, »men waagt zijn leven, en daarmee uit.”
De beide dagbladschrijvers kwamen aan boord en Nadia zag hen plaats
nemen op het voorste gedeelte van het vlot.
Harry Blount was nog steeds de koele Engelschman die haar, gedurende
den overtocht van het Oeral-gebergte, nauwelijks een woord had
toegesproken.
Alcide Jolivet scheen iets ernstiger dan gewoonlijk en het valt niet te
ontkennen dat zijn ernst door de omstandigheden wel gerechtvaardigd
was.
Alcide Jolivet zat dus voor op het vlot, toen hij eene hand op zijn arm
voelde.
Hij keerde zich om en herkende Nadia, de zuster niet van Nikolaas
Korpanoff, maar van Michael Strogoff, koerier van den czaar.
Een kreet van verrassing ontsnapte hem bijna, maar hij zag dat het
meisje een vinger aan hare lippen bracht.
»Kom mede,” zeide Nadia.
En terwijl Alcide Jolivet aan Harry Blount een teeken gaf om hem te
vergezellen, volgde hij haar met een onverschillig gelaat.
Maar was de verrassing der dagbladschrijvers groot, toen zij Nadia op
het vlot ontmoetten, zij kende geene grenzen toen zij Michael Strogoff
bespeurden, dien zij niet meer onder de levenden waanden.
Op hunne nadering, maakte Michael Strogoff geene beweging.
Alcide Jolivet wendde zich daarop tot het meisje.
»Hij ziet u niet, heeren,” zeide Nadia. »De Tartaren hebben hem de
oogen uitgebrand! Mijn arme broeder is blind!”
Een levendig gevoel van medelijden vertoonde zich op het gelaat van
Alcide Jolivet en van zijn makker.
Een oogenblik later zaten ze naast Michael Strogoff, drukten hem de
hand en wachtten tot dat hij hen aansprak.
»Heeren,” zeide Michael Strogoff op zachten toon, »gij behoort niet te
weten wie ik ben, noch wat ik in Siberië ben komen uitvoeren. Ik vraag
u om mijn geheim te eerbiedigen. Belooft gij mij dat?”
»Op mijne eer,” antwoordde Alcide Jolivet.
»Op mijn woord van gentleman,” voegde Harry Blount er bij.
»Goed, heeren.”
»Kunnen wij u van eenigen dienst zijn?” vroeg Harry Blount. »Wilt gij
dat wij u helpen om uwe taak te volbrengen?”
»Ik geef er de voorkeur aan om alleen te handelen,” was het antwoord
van Michael Strogoff.
»Maar die schelmen hebben u het gezicht vernietigd,” zeide Alcide
Jolivet.
»Ik heb Nadia en haar oogen zijn mij voldoende.”
Een half uur later voer het vlot, na het haventje van Livenitchnaïa
verlaten te hebben, den stroom op. Het werd nacht. Hij zou zeer donker
en ook zeer koud zijn, want de temperatuur was reeds onder nul.
Maar al hadden Alcide Jolivet en Harry Blount geheimhouding beloofd,
toch verlieten zij Michael Strogoff niet. Zij praatten zachtjes en,
hetgeen hij wist aanvullende met hetgeen hij van hen vernam, kon de
blinde zich van den stand van zaken een duidelijk denkbeeld vormen.
Het was zeker dat de Tartaren Irkoetsk omsingeld hadden en dat de drie
kolonnes de vereeniging hadden volbracht. Er viel dus niet aan te
twijfelen dat de emir en Ivan Ogareff zich voor de hoofdstad bevonden.
Maar waarom had de koerier van den czaar, nu hij den keizerlijken brief
niet meer aan den grootvorst kon overhandigen en daar de inhoud hem
onbekend was, nog zoo’n haast om te Irkoetsk aan te komen? Alcide
Jolivet en Harry Blount begrepen het evenmin, als Nadia het had
begrepen.
Overigens werd er over het verledene niet gesproken, vóor het oogenblik
dat Alcide Jolivet tegen Michael Strogoff meende te moeten zeggen:
»Wij zijn haast verplicht onze verontschuldiging er over te maken dat
wij u, vóor onze scheiding op de pleisterplaats te Ichim, de hand niet
gegeven hebben.”
»Neen, gij hadt het recht mij als een lafaard te beschouwen!”
»In ieder geval,” voegde Alcide Jolivet er bij, »hebt gij het gelaat
van dien ellendeling maar aardig geknoet en hij zal er langen tijd het
merk van vertoonen!”
»Neen, niet lang!” antwoordde Michael Strogoff eenvoudig.
Een half uur na het vertrek van Livenitchnaïa waren Alcide Jolivet en
zijn makker op de hoogte van de wreede beproevingen die Michael
Strogoff en zijne gezellin ondergaan hadden. Zij hadden niets dan
bewondering voor eene wilskracht, slechts door de opoffering van het
meisje geëvenaard. En over Michael Strogoff dachten ze precies
overeenkomstig hetgeen de czaar van hem te Moskou had gezegd:
»Waarlijk, het is een man!”
Het vlot gleed snel voort tusschen de ijsschotsen die de stroom der
Angara medevoerde. Een beweeglijk panorama ontrolde zich langs de beide
oevers van den stroom en, door een gezichtsbedrog scheen het alsof de
drijvende toestel onbeweeglijk bleef tegenover die opeenvolging van
schilderachtige gezichtspunten. Hier waren het hooge granietachtige
voorgebergten; daar woeste berg-engten waaruit een stortvloed te
voorschijn kwam; soms eene breede insnijding met een nog rookend dorp
en dan weder dichte pijnboom-wouden die helle vlammen vertoonden. Maar
zoo de Tartaren overal sporen van hun doortocht hadden achtergelaten,
henzelven zag men nog niet, omdat zij aan de toegangswegen naar
Irkoetsk gelegerd waren.
In den tusschentijd vervolgden de pelgrims, met luider stem, hunne
gebeden en hield de oude schipper, de ijsschotsen, die het te dicht
naderde, op zijde duwende, het vlot in het midden van den snellen
stroom der Angara.