EEN HAAS OVER DEN WEG.

Eindelijk mocht Michael Strogoff gelooven, dat de weg tot Irkoetsk vrij

was. Hij was de Tartaren, die te Tomsk werden achter gehouden, vooruit

en de soldaten van den emir zouden te Krasnoïarsk slechts eene verlaten

stad vinden. Tenzij zij eene, moeielijk te plaatsen schipbrug

medebrachten, zou de overtocht bijna onmogelijk zijn.

Voor het eerst, na de noodlottige ontmoeting met Ivan Ogareff te Omsk,

gevoelde de koerier van den czaar zich minder ongerust en hoopte hij nu

geen hinderpalen meer te ontmoeten.

Na in eene schuinsche richting een vijftiental wersten naar het

zuidoosten te zijn gedaald, vond de kibitka den langen steppenweg weder

terug en sloeg zij dien in.

De weg was goed en zelfs wordt het gedeelte, dat zich tusschen

Krasnoïarsk en Irkoetsk uitstrekt, als het beste beschouwd. Minder

schokken der reizigers, schaduw tegen de zonnehitte en soms pijnboom-

en cederwouden ter lengte van honderd wersten. Maar dit rijke land was

toen ontvolkt. Overal verlaten vlekken. Geen Siberische boeren meer met

den Slavischen gelaatstrek. Het was de woestijn en, zoo als men weet,

de woestijn op hoog bevel.

Het weder was schoon, maar de lucht, die ’s nachts reeds koel was, werd

door de zonnestralen zoo gemakkelijk niet meer verwarmd. Men was dan

ook in de eerste dagen van September, en op deze hooge breedte wordt de

dagboog zichtbaar kleiner boven den gezichteinder. De herfst duurt er

slechts kort, hoewel dit gedeelte van Siberië niet boven den vijf en

vijftigsten parallel—die van Edinburgh en Kopenhagen—gelegen is. Soms

volgt de winter plotseling op den zomer. Het moeten zeer voorspoedige

winters zijn, die winters van Aziatisch-Rusland, gedurende welke de

thermometer tot op het vriespunt der kwik daalt [7] en waar men

gemiddelden van twintig honderddeelige graden onder nul, een draaglijke

temperatuur rekent.

Het weder was den reizigers dus gunstig. Het was noch storm- noch

regenachtig. De warmte was matig, de nachten waren koel. Nadia en

Michael Strogoff bleven gezond en, sedert zij Tomsk verlaten hadden,

waren zij langzamerhand van hunne vermoeinissen bekomen.

Wat Nikolaas Pigassoff betrof, deze was nooit zoo welvarend geweest.

Deze reis was voor hem eene wandeling, een aangenaam uitstapje, waartoe

hij zijn vrijen tijd, als ambtenaar buiten dienst, besteedde.

»Zeker,” zeide hij, »is het beter dan twaalf uur daags, op een stoel,

met den stroomafsluiter van den telegraaftoestel in de hand te zitten!”

Michael Strogoff had Nikolaas kunnen overreden om zijn paard wat meer

gang te geven, zoodat gemakkelijk zestig wersten in het etmaal konden

worden afgelegd, zonder dat het dier werd uitgeput.

Nikolaas had vooral toegegeven om Nadia en haar broeder spoediger hun

vader te doen wederzien. Ook zeide hij glimlachend tegen haar:

»Hemelsche goedheid! wat zal de heer Korpanoff blijde zijn als hij u

wederziet, als zijne armen zich zullen openen om u te omhelzen! Als ik

tot Irkoetsk ga—en dat komt mij nu wel waarschijnlijk voor—mag ik dan

bij die ontmoeting zijn? Ja, niet waar?”

Daarop sloeg hij zich tegen het voorhoofd en zeide hij:

»Maar ook welk eene droefheid, als hij zal bespeuren dat zijn arme,

kloeke zoon blind is! Ach! wat is alles in deze wereld toch

dooreengemengd.”

Een en ander had het gevolg dat de kibitka sneller reed en naar de

berekening van Michael Strogoff nu tien à twaalf wersten in het uur

aflegde.

Dientengevolge kwamen de reizigers op 28 Augustus tot voorbij het vlek

Balaisk op tachtig wersten van Krasnoïarsk en den 29sten voorbij het

vlek Ribinsk, op veertig wersten van Balaisk.

Den volgenden dag, kwam zij, vijf en dertig wersten verder, te Kamsk

aan, een aanzienlijker stadje, besproeid door de rivier van dienzelfden

naam en behoorende tot het stroomgebied van de Jeniseï, die van het

Saïansk-gebergte afvloeit. Als stad is het niet van veel gewicht; de

huizen zijn schilderachtig om een marktplein geplaatst; terwijl de

hooge klokketoren der hoofdkerk alles overziet en zijn verguld kruis in

de zon laat schitteren.

Ledige huizen en een verlaten kerk. Geen wisselplaats meer, geene

herberg meer die bewoond was. Geen paard op stal. Geen huisdier in de

steppe. De bevelen van het Moskovische gouvernement waren met volkomen

gestrengheid uitgevoerd. Wat niet medegevoerd kon worden, was vernield.

Toen zij Kamsk uitreden, vertelde Michael Strogoff aan Nadia en aan

Nikolaas dat zij nu nog slechts een eenigszins belangrijk stadje,

Nijni-Oedinsk, zouden ontmoeten, voor dat zij Irkoetsk bereikten.

Nikolaas antwoordde dat hij zulks wist, daar er een telegraafkantoor in

die plaats bestond. Was Nijni-Oedinsk dus evenzeer verlaten als Kamsk,

dan zou hij, om bezigheid te vinden, verplicht zijn tot de hoofdstad

van Oost-Siberië door te gaan.

De kibitka kwam op eene waadbare plaats gemakkelijk het riviertje over,

dat den weg voorbij Kamsk snijdt. Bovendien was tusschen de Jeniseï en

de Angara, aan eerstgenoemde schatplichtig en die Irkoetsk besproeit,

geen hindernis van eenigen belangrijken stroom—de Dinka misschien

uitgezonderd—te vreezen.

Van Kamsk naar het eerstvolgende vlek, was het een lange weg, bijna

honderd wersten. De vastgestelde halten moesten dus in acht genomen

worden, wilde men zich, zooals Nikolaas zeide, »niet aan een billijk

beklag van het paard blootstellen.” Er was met dit moedige dier

overeengekomen dat het om de vijftien wersten zou rusten en wanneer men

eene overeenkomst sluit, eischt de billijkheid, zelfs tegenover dieren,

dat men zich aan de bepalingen dier overeenkomst houde.

Na het riviertje Birioesa overgetrokken te zijn, bereikte de kibitka,

in den morgen van 4 September, Birioesinsk.

Daar vond Nikolaas, wiens voorraad uitgeput raakte, gelukkig een dozijn

»pogatchas” eene soort van koeken met schapenvet toebereid en eene

goede hoeveelheid rijst in water gekookt. Dit buitenkansje kwam ter

rechter tijd den voorraad koemijss versterken, waarvan de kibitka te

Krasnoïarsk voldoende voorzien was.

Na eene behoorlijke halte werd de reis in den namiddag van 8 September

hervat. De afstand tot Irkoetsk bedroeg nog slechts vijf honderd

wersten. Achter hen was nog niets van de voorhoede der Tartaren te

bespeuren. Michael Strogoff had dus grond om te gelooven dat zijne reis

geene verhindering meer zou ondervinden en dat hij binnen acht, of

hoogstens tien dagen, voor den grootvorst zou staan.

Bij het uitkomen van Birioesinsk sprong een haas dwars over den weg, op

dertig pas vóor de kibitka.

»Ach!” zeide Nikolaas.

»Wat scheelt u, vriend?” vroeg Michael Strogoff haastig als een blinde,

die op het minste gerucht let.

»Hebt ge het dan niet gezien?....” zeide Nikolaas, wiens lachend gelaat

plotseling een sombere plooi had aangenomen.

Daarna liet hij er op volgen:

»O! neen! gij kondt het niet zien en dat is gelukkig voor u, vadertje!”

»Maar ik heb niets gezien,” zeide Nadia.

»Zooveel te beter! zooveel te beter! Maar ik.... ik heb gezien!....”

»Wat dan?” vroeg Michael Strogoff.

»Een haas die onzen weg kruiste!” antwoordde Nikolaas.

Wanneer een haas den weg van een reiziger kruist, wil het volksgeloof

in Rusland daarin het voorteeken van een aanstaand ongeluk zien.

Even bijgeloovig als het meerendeel der Russen, had Nikolaas de kibitka

stil laten staan.

Hoewel Michael de bijgeloovigheid ten aanzien van hazen, die iemands

weg kruisen, niet deelde, begreep hij de aarzeling van zijn metgezel en

trachtte hij hem gerust te stellen.

»Vriend,” zeide hij, »er is niets te vreezen.”

»Voor u en voor haar niet, vadertje, dat weet ik, maar voor mij wel,”

antwoordde Nikolaas.

En daarna hernam hij:

»Het is het noodlot.”

En hij zette zijn paard weer in den draf.

Intusschen ging de dag, niettegenstaande het ongunstige voorteeken,

zonder ongeluk voorbij.

Den volgenden dag, op den middag, hield de kibitka in het vlek

Alsaleïsk stil, dat even verlaten was als de geheele omstreek.

Daar vond Nadia, op den drempel eener woning, twee van die messen met

sterk lemmet, bij de Siberische jagers in gebruik. Zij gaf er een aan

Michael Strogoff, die het onder zijne kleederen verborg, terwijl zij er

een voor zich hield. De kibitka was nu nog vijf en zeventig wersten van

Nijni-Oedinsk af.

Gedurende de beide laatste dagen had Nikolaas zijne gewone goede luim

maar niet teruggekregen. Het kwade voorteeken had hem meer aangedaan,

dan men zou kunnen gelooven, en hij, die anders geen uur zonder praten

was, verviel nu dikwijls in een langdurig stilzwijgen, waaruit Nadia

hem slechts met moeite opwekte. Die verschijnselen waren werkelijk die

van een getroffen geest, dat zich bij lieden van een Noorsch ras

verklaart, als men bedenkt dat hunne voorvaderen de stichters waren der

Noordsche fabelleer.

Van Ekaterinenburg uitgaande loopt de weg naar Irkoetsk bijna

evenwijdig met de vijf en vijftigsten graad noorderbreedte; maar

Birioesinsk verlatende, buigt hij schuins naar het zuidoosten af,

zoodat hij den honderdsten meridiaan oosterlengte dwars doorsnijdt. Hij

bereikt de hoofdstad van Oost-Siberië op de kortste wijze door de

laatste hellingen van het Saïansk-gebergte over te gaan. Deze bergen

zijn zelven slechts een uitspruitsel van de Altaï-keten, die op een

afstand van twee honderd wersten zichtbaar is.

De kibitka snelde dus op dien weg voort. Ja, zij snelde voort! Men

gevoelde dat Nikolaas zijn paard niet meer spaarde en dat hij spoed

maakte om aan te komen. Niettegenstaande zijne fatalistische

onderworpenheid, geloofde hij dat hij eerst binnen de wallen van

Irkoetsk veilig zou zijn. Vele Russen zouden met hem van dezelfde

gedachten zijn geweest en menigeen onder hen, zou, na het oversteken

van zijn weg door een haas, dadelijk omgekeerd zijn.

Intusschen leidden eenige opmerkingen die hij maakte en wier juistheid

door Nadia, na ze aan Michael Strogoff medegedeeld te hebben,

beoordeeld werden, er toe om te vreezen dat de reeks van beproevingen

voor hen nog niet geëindigd zou wezen.

Inderdaad, mocht de grond van af Krasnoïarsk in zijne natuurlijke

voortbrengselen al gespaard zijn, de wouden begonnen nu de sporen van

vuur en zwaard te vertoonen; de weiden langs den weg waren verwoest en

het was blijkbaar dat een aanzienlijke troep daar voorbijgetrokken was.

Dertig wersten aan deze zijde van Nijni-Oedinsk konden de sporen eener

kortelings plaats gehad hebbende verwoesting niet geloochend worden en

deze was onmogelijk anders dan aan de Tartaren toe te schrijven.

Ook vertoonden zich half afgebroken of verbrande huizen, terwijl, op de

muren der woningen, de indrukken van kogels zichtbaar waren.

Men begrijpt licht hoe ongerust Michael Strogoff was. Er viel niet meer

aan te twijfelen dat eene afdeeling Tartaren kort geleden dit gedeelte

van den weg was langs gekomen en toch konden het de soldaten van den

emir niet zijn geweest, want deze konden hen niet vooruit zijn gekomen,

zonder dat hij ze gezien had. Maar wie waren dan die nieuwe

overweldigers en langs welken zijweg waren zij uit de steppe op den

grooten weg naar Irkoetsk gekomen. Met welke nieuwe vijanden zou de

koerier van den czaar nu weer te doen krijgen?

Deze beduchtheid deelde Michael Strogoff noch aan Nikolaas, noch aan

Nadia mede, omdat hij hen niet ongerust wilde maken.

Bovendien had hij besloten zijn weg te vervolgen, zoolang geen

onoverkomelijk beletsel hem tegenhield. Later zou hij zien, wat hem te

doen stond.

Den volgenden dag vertoonden zich, meer en meer, de sporen van den

doortocht van een sterken troep ruiters en voetknechten. Rookwolken

waren aan den gezichteinder merkbaar. De kibitka ging behoedzaam

voorwaarts.—Eenige huizen van het vlek brandden nog en zeker was het

geen vier en twintig uur geleden dat ze in brand waren gestoken.

Eindelijk hield de kibitka den 8sten September stil. Het paard weigerde

om vooruit te gaan. Serko blafte op eene erbarmelijke wijze.

»Wat is er?” vroeg Michael Strogoff.

»Een lijk!” antwoordde Nikolaas, die uit de kibitka sprong.

Het lijk was dat van een moejiek, vreeselijk verminkt en reeds koud.

Nikolaas maakte een kruis. Daarna bracht hij, door Michael Strogoff

geholpen, het lijk naar den berm van den weg. Hij had het een

behoorlijk graf willen geven, het diep willen begraven, opdat de

roofdieren der steppe de ellendige overblijfselen niet zouden

verscheuren, maar Michael Strogoff liet er hem den tijd niet voor.

»Laat ons vertrekken, vriend, laat ons vertrekken!” riep hij. »Wij

mogen zelfs geen uur vertragen!”

En de kibitka reed weder voorwaarts.

Overigens zou Nikolaas toch niet in staat zijn geweest de laatste eer

te bewijzen aan alle dooden, die hij voortaan op den Siberischen

grooten weg zou ontmoeten! Bij het naderen van Nijni-Oedinsk lagen de

lichamen bij twintigtallen op den grond.

Men moest den weg echter volgen, totdat het blijkbaar onmogelijk werd

dit te doen, zonder in de handen der overweldigers te vallen. De

reisweg werd dus niet gewijzigd en nochtans namen, bij elk vlek, de

verwoesting en de bouwvallen steeds toe. Al deze dorpen, wier namen

aanwezen, dat zij door Poolsche ballingen werden gesticht, waren aan de

ijselijkheden van plundering en brand overgeleverd. Het bloed der

slachtoffers was nog niet eens volkomen gestold. Onder welke

omstandigheden deze noodlottige voorvallen plaats hadden gegrepen, was

niet uit te maken. Er was geen levend wezen over om het te vertellen.

Dienzelfden dag, tegen vier uur des avonds, bespeurde Nikolaas aan den

gezichteinder de hooge klokketorens der kerken van Nijni-Oedinsk. Zij

waren gehuld in zware dampen, die geene wolken schenen te zijn.

Nikolaas en Nadia keken en deelden den uitslag hunner waarnemingen aan

Michael Strogoff mede. Er moest een besluit worden genomen. Was de stad

verlaten, dan kon men haar zonder gevaar doortrekken, maar zoo de

Tartaren haar bezetten, moest men tot elken prijs er om heen trekken.

»Laten wij voorzichtig vooruit gaan,” zeide Michael Strogoff, »maar

laat ons vooruit gaan!”

Er werd nog eene werst afgelegd.

»Het zijn geene wolken, het is rook!” riep Nadia uit. »Broeder, men

steekt de stad in brand!”

Inderdaad, was het maar al te blijkbaar. Zwartachtige schijnsels

vertoonden zich te midden der dampen. Die dwarrelende wolken werden

steeds dikker en stegen hemelwaarts. Overigens, nergens een

vluchteling. Het was waarschijnlijk dat de brandstichters de stad

verlaten hadden gevonden en dat ze haar nu verbrandden. Maar waren het

Tartaren die dus te werk gingen? Of Russen die aan de bevelen van den

grootvorst gehoorzaamden? Had het gouvernement van den czaar gewild dat

van af Krasnoïarsk en van af de Jeniseï, geene stad, geen vlek eene

schuilplaats aan de soldaten van den emir zouden kunnen aanbieden? Wat

Michael Strogoff aangaat, moest hij zijne reis staken of haar

vervolgen?

Hij was besluiteloos. Maar na het voor en tegen gewogen te hebben,

meende hij dat, welke vermoeienissen de steppen ook opleverden, hij

zich niet moet blootstellen eene tweede maal in handen der Tartaren te

vallen. Hij wilde dus aan Nikolaas voorstellen den weg te verlaten en

hem, zoo noodig, niet te hernemen alvorens Nijni-Oedinsk omgereden te

zijn, toen er, ter rechterzijde, een schot viel. Het gefluit van een

kogel werd gehoord en het paard der kibitka viel, in den kop getroffen,

dood neder.

Op hetzelfde oogenblik wierp zich een dozijn ruiters op den weg en

omsingelden het rijtuig. Zonder dat Michael Strogoff, Nadia en Nikolaas

zich van het gebeurde eenige rekenschap konden geven, waren zij

gevangen genomen en werden zij snel naar Nijni-Oedinsk medegesleept.

Michael Strogoff had, gedurende dezen plotselingen aanval, niets van

zijne koelbloedigheid verloren. Zijne vijanden niet kunnende zien, had

hij er niet aan gedacht zich te verdedigen. En al had hij het gebruik

zijner oogen gehad, hij zou het nochtans niet beproefd hebben. Hij zou

den dood te gemoet geloopen zijn. Maar kon hij niet zien, hij kon

hooren en begrijpen wat zij zeiden.

Inderdaad herkende hij aan hunne spraak dat de soldaten Tartaren waren

en aan hunne woorden, dat zij de voorloopers van het leger der

overweldigers waren.

Ziehier overigens wat Michael Strogoff vernam zoo uit de gesprekken die

nu in zijne tegenwoordigheid gevoerd werden, als uit stukken van

samensprekingen, die hij later opving.

Deze soldaten stonden niet onder rechtstreeksch bevel van den emir, die

nog aan gene zijde van de Jeniseï werd opgehouden. Zij behoorden tot de

derde kolonne, meer uitsluitend samengesteld uit Tartaren van de

Khanaten Khokhand en Koendoez, waarmede het leger van Feofar zich

weldra in de omstreken van Irkoetsk zou vereenigen.

Op raad van Ivan Ogareff en ten einde het slagen van den inval in de

oostelijke provinciën te verzekeren, was deze kolonne, na de grens van

het gouvernement Semipalatinsk overschreden te hebben en het meer

Balkhach ten zuiden langs getrokken te zijn, verder langs den voet van

het Altaï-gebergte opgemarcheerd. Onder aanvoering van een officier van

den khan van Koendoez plunderende en vernielende, had zij den bovenloop

der Jeniseï bereikt. Daar had die officier, vóoruitziende wat op bevel

van den czaar te Krasnoïarsk geschied was en om den overtocht van den

stroom voor de troepen van den emir te vergemakkelijken, eene kleine

vloot te water gelaten, die hetzij als vaartuigen, hetzij als

bruggenmaterieel, Feofar in staat zou stellen op den rechteroever den

weg naar Irkoetsk te vervolgen. Daarna was deze derde kolonne na den

voet van het gebergte te zijn omgetrokken in de vallei der Jeniseï

afgedaald en had zij genoemden weg ter hoogte van Alsalevsk weder

bereikt. Dit was de oorzaak van de vreeselijke ophooping van

bouwvallen—het kenmerkende der Tartaarsche oorlogen—die van af dat

stadje werden waargenomen. Nijni-Oedinsk had het algemeene lot

ondergaan en de Tartaren, ten getale van vijftig duizend man, hadden

het reeds verlaten om de eerste stellingen voor Irkoetsk in te nemen.

Binnenkort zouden zij met de troepen van den emir vereenigd zijn.

Zoo was de toestand op dit oogenblik; een toestand allerernstigst voor

dit geheel afgezonderd gedeelte van oostelijk Siberië en de

betrekkelijk weinig talrijke verdedigers van zijne hoofdstad.

Michael Strogoff wist dus het volgende: aankomst voor Irkoetsk van eene

derde Tartaarsche kolonne en aanstaande vereeniging van den emir en van

Ivan Ogareff met het gros hunner troepen. Bij gevolg was de insluiting

van Irkoetsk en hare overgaaf, slechts eene zaak van tijd, wellicht van

slechts zeer korten tijd.

Men begrijpt door welke gedachten Michael Strogoff bestormd werd! Wie

zou er verwonderd zijn geweest, zoo hij eindelijk allen moed, elke hoop

verloren had? Toch was dit zoo niet en prevelden zijne lippen slechts

deze woorden:

»Ik zal er komen!”

Een half uur na den aanval der Tartaarsche ruiters deden Michael

Strogoff, Nikolaas en Nadia hun intocht binnen Nijni-Oedinsk. De

getrouwe hond was hun, maar van verre, gevolgd. Zij zouden zich in de

stad niet ophouden die in brand stond en op het punt was van door de

laatste stroopers verlaten te worden.

De gevangenen werden dus te paard gezet en snel medegevoerd. Nikolaas,

gelaten als altijd, Nadia in haar vertrouwen in Michael Strogoff niet

het minst geschokt en Michael Strogoff oogenschijnlijk onverschillig,

maar gereed om elke gelegenheid tot ontvluchting aan te grijpen.

De Tartaren hadden spoedig bemerkt dat een hunner gevangenen blind was

en hunne aangeboren barbaarschheid dreef hen aan om zich met den

ongelukkige te vermaken. Men schreed snel voorwaarts. Het paard van

Michael Strogoff dat niemand anders tot bestuurder had, maakte dikwijls

zijsprongen, die de ruiterafdeeling in wanorde brachten. Van daar

scheldwoorden en onbeschoftheden die het hart van Nadia braken en

Nikolaas verontwaardigden. Maar wat er tegen te doen? Zij verstonden de

Tartaarsche taal niet en hunne tusschenkomst werd onmeedoogend

afgewezen.

Zelfs kwamen de soldaten door hunne uiterste barbaarschheid er toe om

het paard dat Michael Strogoff bereed, te verwisselen voor een ander

dat blind was. Deze ruil was het gevolg eener aanmerking van een der

ruiters, door Michael Strogoff opgevangen en van dezen inhoud:

»Maar misschien ziet die Rus wel!”

Dit gebeurde op zestig wersten van Nijni-Oedinsk, tusschen de stadjes

Tetan en Chibarlinskoë. Zoo had men Michael Strogoff op dat paard gezet

en hem spottenderwijs de teugels in de handen gegeven. Daarna zette men

het in galop door zweepslagen, steenworpen en schreeuwen.

Het paard dat door zijn even blinden berijder niet in eene rechte

richting kon worden gehouden, liep dan eens tegen een boom of geraakte,

een ander maal, van den weg af. Daarvan waren schokken en vallen het

gevolg, die zeer noodlottig konden worden.

Michael Strogoff stribbelde niet tegen. Geene klacht liet hij hooren.

Stortte zijn paard, hij wachtte tot men het kwam oprichten. En

inderdaad richtte men het op en hernam het wreede spel dan zijn gang.

Bij deze slechte behandeling kon Nikolaas zich niet bedwingen. Hij

wilde zijn makker te hulp snellen. Men hield hem tegen, men mishandelde

hem.

Dit spel zou tot groot vermaak der Tartaren zeker nog lang geduurd

hebben, zoo een ernstiger voorval er geen einde aan gemaakt had.

Op zeker oogenblik den 10den September, ging het blinde paard op hol en

liep recht op een modderpoel toe die, dertig tot veertig voet diep,

langs den weg liep.

Nikolaas wilde toeschieten! Men hield hem tegen. Het paard, niet

bestuurd wordende, wierp zich met zijn ruiter in dien kuil.

Nadia en Nikolaas stieten een hevigen kreet uit!.... Zij dachten dat

hun ongelukkige makker in zijn val moest verpletterd zijn!

Toen men hem ophielp, bleek het dat Michael Strogoff, die zich uit het

zadel had kunnen werpen, geen enkele wond had, maar dat het paard twee

pooten gebroken had en geen dienst meer kon doen.

Men liet het daar sterven, zonder het den genadeslag te geven, terwijl

Michael Strogoff aan den zadelknop van een Tartaar vastgemaakt, de

afdeeling verder te voet moest volgen.

Nog geene klacht, noch geen bezwaar! Hij liep met een snellen pas,

nauwelijks getrokken door het touw waarmede hij vastgebonden was. Hij

was nog altijd »de ijzeren man” waarover generaal Kissoff met den czaar

gesproken had!

Daags daarop, 11 September, kwam de afdeeling voorbij het stadje

Chibarlinskoë.

Toen viel er iets voor dat de ernstigste gevolgen zou hebben.

De nacht was gevallen. De Tartaarsche ruiters, die halt hadden gemaakt,

waren min of meer dronken. Zij waren op het punt om te vertrekken.

Op dat oogenblik werd Nadia, die, tot dusverre als door een wonder door

de soldaten ontzien was, door een hunner beleedigd.

Michael Strogoff had noch beleediging, noch beleediger kunnen zien,

maar Nikolaas had voor hem toegekeken.

Toen ging Nikolaas, rustig, zonder nadenken en zonder wellicht het

gewicht zijner daad te beseffen, recht op den soldaat af, en vóor dat

deze eene beweging had kunnen maken om hem tegen te houden, had hij

eene pistool uit den zadelholster gepakt, en haar in de volle borst van

den soldaat afgevuurd.

De officier, die over de afdeeling het bevel voerde, kwam, op het

geraas der losbranding, dadelijk aanrijden.

De ruiters waren op het punt Nikolaas door midden te houwen, maar, op

een teeken van den officier, werd hij gebonden en dwars op een paard

gezet, waarna de afdeeling in galop weder vertrok.

Het touw, waarmede Michael Strogoff vastgebonden was en dat hij bijna

had doorgebeten, brak door een plotselingen sprong van het paard,

terwijl zijn halfdronken berijder, door een snellen rit medegevoerd het

niet eens bemerkte.

Michael Strogoff en Nadia stonden alleen op den weg.

Michael Strogoff · 第 52 / 68 题