DE OVERTOCHT DER JENISEÏ.

Tegen den avond van 25 Augustus kreeg de kibitka Krasnoïarsk in het

gezicht. De reis van Tomsk was in acht dagen afgelegd. Had Nikolaas

meer geslapen, de tocht zou in korteren tijd volbracht zijn.

Gelukkig was er nog geen sprake van de Tartaren. Geen verkenner had

zich nog vertoond op den weg door de kibitka genomen. Voor het

vertraagde oprukken naar Irkoetsk moest zeker eene gewichtige reden

bestaan.

Inderdaad bestond er zulk eene reden. Een nieuw Russisch korps, in

allerijl in het gouvernement Jeniseïsk verzameld, was naar Tomsk

gemarcheerd om het te hernemen. Maar te zwak, had het voor de troepen

van den emir moeten terugtrekken. Met inbegrip zijner eigene soldaten

en die van de khanaten Khokhand en Koendoez, telde Feofar-Khan nu twee

honderd vijftig duizend man onder zijne bevelen.

De slag van Tomsk was op 22 Augustus geleverd—hetgeen aan Michael

Strogoff niet bekend was—maar dat eene verklaring gaf voor het niet

verschijnen der voorhoede van den emir te Krasnoïarsk op den 25sten

dier maand.

Maar dit wist Michael Strogoff: dat hij de Tartaren verscheidene dagen

vóor was en dat hij er alzoo niet aan behoefde te wanhopen om vóor hen

Irkoetsk te bereiken, dat nog acht honderd vijftig wersten (900

kilometer) verwijderd was.

Te Krasnoïarsk, eene stad van twaalf duizend zielen, zouden hem geene

vervoermiddelen ontbreken. Daar Nikolaas Pigassoff er stil hield, zou

hij er een gids moeten nemen en de kibitka door een ander rijtuig

moeten vervangen. Michael Strogoff twijfelde er niet aan of hij zou, na

aan den gouverneur zijne identiteit bewezen te hebben, in staat worden

gesteld om zijne reis naar Irkoetsk spoedig te kunnen vervolgen.

Zoo Nikolaas echter te Krasnoïarsk bleef, zou hij dit alleen doen als

hij er eene betrekking had gevonden.

Inderdaad stond dit voorbeeld van een beambte er op, om, na tot de

laatste minuut op zijn post te Kolivan te zijn gebleven, zich weder ter

beschikking van de administratie te stellen.

»Waarom zou ik loon trekken, zonder het verdiend te hebben?” herhaalde

hij steeds.

Zoo hij dus daar of te Oedinsk geen dienst kon bewijzen, zou hij tot

naar de hoofdstad van Siberië trekken en dan met broeder en zuster

medereizen, die moeielijk een beteren gids konden vinden.

De kibitka was Krasnoïarsk tot op een halve werst genaderd. Men zag

links en rechts de tallooze houten kruizen, die, bij den toegang eener

stad, langs den weg staan. Het was ’s avonds zeven uur. Tegen den

helderen hemel teekenden zich de omtrekken der kerken en de gevels der

huizen af, die op het hooge voorgebergte van de Jeniseï gebouwd waren.

De wateren van den stroom weerkaatsten de laatste lichtstralen, die in

den dampkring verspreid waren.

De kabitka stond stil.

»Waar zijn wij, zuster?” vroeg Michael Strogoff.

»Hoogstens op eene halve werst van de eerste huizen,” antwoordde Nadia.

»Slaapt die stad dan?” hernam Michael Strogoff. »Er komt niet het

minste leven tot mijn gehoor.”

»En ik zie geen enkel licht in het duister schitteren, noch een

rookwolkje in de lucht opstijgen,” voegde Nadia er bij.

»Wat een zonderlinge stad,” zeide Nikolaas. »Men maakt er geen geraas,

en gaat vroeg naar bed.”

Michael Strogoff vond het een slecht voorteeken en vreesde dat zijne

hoop om te Krasnoïarsk het noodige te vinden om Irkoetsk spoedig te

bereiken, ijdel zou zijn. Nadia had zijne gedachte geraden, hoewel zij

niet vatte waarom hij, zonder den keizerlijken brief, toch Irkoetsk zoo

spoedig wilde bereiken. Zij had hem vroeger daar al eens over

onderhouden, maar hij bepaalde zich toen tot dit antwoord:

»Ik heb gezworen naar Irkoetsk te gaan.”

Maar om zijne zending te vervullen, was het een vereischte dat hij te

Krasnoïarsk een snel middel van vervoer vond.

»Wel vriend,” zeide hij tot Nikolaas, »waarom gaan we niet vooruit?”

»Omdat ik bang ben de bewoners dezer stad door het geraas mijner kar

wakker te maken!”

En daarop zette Nikolaas, met een lichten zweepslag, zijn paard aan.

Serko blafte even en toen daalde de kibitka op een drafje, den weg af

die in Krasnoïarsk uitliep.

Tien minuten later kwamen zij in de hoofdstraat.

Krasnoïarsk was verlaten. »Er was geen Athener meer in dit Noordsch

Athene” zooals mevrouw de Bourboulon het noemt. Geen rijtuigen, geen

voetgangers, geene sierlijke Siberische dames, op Fransche wijze

gekleed, in de straten.—De groote klok der hoofdkerk was stom en geen

klokkenspel liet zijne tonen hooren.

Het laatste telegram uit het kabinet van den czaar afgezonden, vóordat

de draad verbroken werd, hield het bevel in voor den gouverneur, voor

de bezetting en de inwoners, onverschillig wie ook, om Krasnoïarsk te

verlaten, al wat waarde had of den Tartaren van nut zou kunnen zijn,

medetevoeren en naar Irkoetsk de wijk te nemen. Hetzelfde was aan de

inwoners der vlekken van de provincie bevolen. Het Moskovische

gouvernement wilde eene woestijn aan de overweldigers overstellen. Deze

bevelen werden niet besproken, maar dadelijk uitgevoerd.

Michael Strogoff, Nadia en Nikolaas doorliepen stilzwijgend de stad.

Hunne voetstappen weerklonken als in eene uitgestorven plaats. Michael

Strogoff liet echter niets blijken van de teleurstelling, die hij

opnieuw ondervond.

»Lieve Hemel!” riep Nikolaas uit, »in deze woestijn zal ik mijne

bezoldiging nooit verdienen!”

»Vriend,” sprak Nadia, »gij moet met ons naar Irkoetsk gaan.”

»Ja, het moet!” antwoordde Nikolaas. »De draad moet nog in werking zijn

tusschen Oedinsk en Irkoetsk, en daar.... vertrekken we, vadertje?”

»Laat ons tot morgen wachten,” antwoordde Michael Strogoff.

»Gij hebt gelijk,” antwoordde Nikolaas. »Wij moeten de Jeniseï

overtrekken en daarbij moet men kunnen zien!”

»Kunnen zien!” mompelde Nadia, terwijl ze aan haar blinden metgezel

dacht.

Nikolaas had haar verstaan en zeide, zich tot Michael Strogoff

keerende:

»Vergeef me, vadertje. Helaas! het is waar dat dag en nacht voor u

hetzelfde zijn!”

»Verwijt u zelven niets, mijn vriend,” antwoordde Michael Strogoff, die

zijne hand over de oogen streek. »Met u tot gids, ben ik nog tot

handelen in staat. Neem dus eenige uren rust. Laat Nadia ook wat

rusten. Morgen zal het dag zijn!”

Michael Strogoff, Nadia en Nikolaas vonden spoedig eene rustplaats in

een openstaand ledig huis. Na voor een eenvoudig beeld der Panaghia

geknield te hebben, sliepen Nikolaas en het meisje spoedig in, terwijl

Michael Strogoff, die den slaap niet kon vatten, wakende bleef.

Des anderen daags, 26 Augustus, vóor het aanbreken van den dageraad,

reed de kabitka een berkenbosch bij de stad door en begaf ze zich naar

den oever der Jeniseï.

Michael Strogoff was zeer bezorgd hoe hij het zou aanleggen om dien

breeden stroom over te steken. In gewone omstandigheden duurt de

overtocht met ponten, bijzonder ingericht tot vervoer van reizigers,

voertuigen en paarden, drie uur en gaat dan nog met de uiterste moeite

gepaard. Hoe zou de kabitka nu, bij gebreke van eenig vaartuig, de

overzijde bereiken?

»Ik zal er over komen, hoe het ook ga,” zeide Michael Strogoff telkens.

De dag begon aan te breken, toen de kabitka op den linkeroever aankwam,

dezelfde waar eene der lanen van het berkenbosch op uitkwam. De oever

was hier honderd voet boven den waterspiegel verheven. Men kon de

Jeniseï hier dus over eene groote uitgestrektheid waarnemen.

»Ziet ge eene pont?” vroeg Michael Strogoff, naar alle zijden

rondkijkende, alsof hij zijn gezicht nog had. »Het is nauwelijks dag,

broeder,” antwoordde het meisje. »De nevel hangt nog te zwaar over den

stroom, zoodat men zijne wateren niet kan onderscheiden.”

»Ik hoor ze loeien,” antwoordde Michael Strogoff. Inderdaad liet zich

uit de onderste lagen van den nevel een dof geraas van stroomen en

tegenstroomen vernemen, die tegen elkander inwerkten. De op dit

tijdstip des jaars zeer gestegen wateren, stroomden met het geweld van

een stortvloed af. Allen luisterden, in afwachting dat de gordijn van

nevelen zou optrekken. De zon steeg boven den gezichteinder en hare

eerste stralen zouden deze dampen spoedig opslurpen.

»Welnu?” vroeg Michael Strogoff.

»De nevelen beginnen weg te drijven, broeder,” antwoordde Nadia, »en

het daglicht breekt er al doorheen.”

»Ziet ge den waterspiegel nog niet, zuster?”

»Nog niet.”

»Een weinig geduld, vadertje,” zeide Nikolaas. »Het zal alles

verdwijnen! Hoor! daar zet de wind op! Hij begint dien nevel al te

verstrooien. De hooge heuvelen van den rechteroever vertoonen hunne

boomrijen reeds. Alles gaat weg! Alles vervliegt! De goedige stralen

der zon hebben dien berg van nevelen al verdikt. Ach! mijn arme blinde,

hoe schoon is dat en wat een ongeluk voor u, dat gij zulk een

schouwspel niet meer kunt zien!”

»Ziet gij een vaartuig?” vroeg Michael Strogoff.

»Geen enkel,” was het antwoord van Nikolaas.

»Zie goed rond, mijn vriend, op dezen en op den tegenoverliggenden

oever, zoover uw gezicht reikt. Een vaartuig, eene boot, een kano van

boomschors!”

Nikolaas en Nadia hadden zich, terwijl zij zich aan de meest

vooruitgeschoven berkeboomen op het voorgebergte vasthielden, over den

stroom gebogen. Een onmetelijk veld strekte zich toen voor hun blik

uit. Op deze plaats is de Jeniseï niet minder dan anderhalve werst

breed en vormt zij twee armen van ongelijke grootte, waardoor het water

met snelheid afstroomde. Tusschen deze armen lagen onderscheidene

eilanden met elzen, wilgen en populieren begroeid, die even zoovele

groenachtige vaartuigen schenen, in den stroom voor anker liggende.

Maar een werkelijk vaartuig was er niet te ontdekken, noch op den

linker- noch op den rechteroever, noch op den oever der eilanden. Allen

waren op hoog bevel medegenomen of vernield. Zeker was het, dat, zoo de

Tartaren uit het zuiden niet het materieel voor eene schipbrug lieten

komen, hun marsch naar Irkoetsk gedurende zekeren tijd door den

hinderpaal, dien de Jeniseï opleverde, zou worden tegengehouden.

»Ik herinner mij iets,” zeide Michael Strogoff. »Hoogerop, bij de

laatste huizen van Krasnoïarsk, is eene kleine inschepingshaven. Daar

landen de ponten. Vriend, laten wij stroomopwaarts gaan en zien of er

geene boot op den oever vergeten is.”

Nikolaas snelde in de aangewezen richting voort. Nadia had Michael

Strogoff bij de hand genomen en leidde hem, snel voortstappende. Eene

boot, eene eenvoudige sloep groot genoeg om de kabitka te dragen of,

bij gebreke van haar, hen die ze tot hier gebracht had, en Michael

Strogoff zou niet schromen om den overtocht te beproeven!

Twintig minuten later hadden alle drie het haventje van inscheping

bereikt, welks laatste huizen den waterspiegel raakten.

Maar er lag geen enkel vaartuig op den oever; geen bootje aan den

steiger die tot inschepingsplaats diende, zelfs niet om een vlot samen

te stellen, dat drie personen kon dragen.

Michael Strogoff had Nikolaas ondervraagd en deze had hem het

ontmoedigende antwoord gegeven, dat de overtocht van den stroom hem ten

eenenmale ondoenlijk toescheen.

»Wij zullen er overgaan,” antwoordde Michael Strogoff.

In de verlaten woningen van Krasnoïarsk zoekende, maar niets vindende

wat hun van nut kon zijn, hoorden Nikolaas en het jonge meisje zich

eensklaps aanroepen.

Beiden liepen naar den oever terug, waar zij Michael Strogoff op den

drempel eener woning vonden staan.

»Komt!” riep hij hun toe.

Nikolaas en Nadia volgden hem in de hut.

»Wat is dat?” vroeg Michael Strogoff, onderscheidene voorwerpen, die

achter in een spijskelder opgehoopt waren, met de hand aanrakende.

»Een half dozijn lederen zakken,” antwoordde Nikolaas.

»Zijn ze vol?”

»Ja, vol koemijss.”

De »koemijss” is een drank vervaardigd uit melk van eene merrie of van

een wijfjes-kameel; een versterkende, bedwelmende drank en Nikolaas was

met die vondst zeer in zijn schik.

»Zet er een ter zijde, maar ledig de anderen,” zeide Michael Strogoff.

»Dadelijk, vadertje.”

»Dat zal ons helpen om de Jeniseï over te steken.”

»En het vlot?”

»De kibitka, die licht genoeg is om te drijven, terwijl wij haar en het

paard bovendien met de lederen zakken zullen steunen.”

»Goed bedacht, vadertje,” riep Nikolaas uit, »en met Gods hulp zullen

wij in eene goede haven aanlanden .... misschien niet in eene rechte

lijn, want de stroom is zoo snel!”

»Wat maakt dat!” antwoordde Michael Strogoff. »Eerst er over en dan

zullen wij aan de overzijde den weg naar Irkoetsk wel vinden.”

»Aan het werk,” zeide Nikolaas, die de zakken al ledigde en ze naar de

kibitka droeg.

Een zak met koemijss werd bewaard; de anderen aan de kibitka en het

paard bevestigd, waardoor het vlot gevormd was.

»Zult ge niet bang zijn, Nadia?” vroeg Michael Strogoff.

»Neen, broeder,” antwoordde het meisje.

»En gij, vriend?”

»Ik!” riep Nikolaas uit. »Ik zie nu een mijner droomen verwezenlijkt:

in eene kar te varen!”

De hellende oever te dezer plaatse was bijzonder geschikt om de kibitka

te water te laten. In een oogenblik dreef alles, terwijl Serko dapper

rondzwom.

Michael Strogoff hield de teugels van het paard en op aanwijzing van

Nikolaas stuurde hij het dier in schuinsche richting. Zoolang de

kibitka den stroomdraad volgde, ging alles goed en na weinige minuten

was ze de kaden van Krasnoïarsk voorbij. Zij dreef naar het noorden af

en het was blijkbaar dat zij den anderen oever ver beneden de stad zou

bereiken.

De overtocht der Jeniseï zou dus zonder groot bezwaar volbracht zijn,

zonder de draaikolken; maar, niettegenstaande al de krachtsinspanning

die Michael Strogoff betoonde, werd de kibitka onwederstaanbaar in een

dier trechters medegesleept.

Toen werd het gevaar groot. De kibitka dreef niet meer naar den

oostelijken oever af, maar zij draaide met een uiterste snelheid in een

cirkel rond. Het paard kon het hoofd bijna niet meer boven water houden

en stikte bijna, terwijl Serko op de kibitka een steunpunt had gezocht.

Michael Strogoff begreep wat er omging. Hij voelde dat hij werd

medegesleept langs eene zich steeds vernauwde cirkelvormige lijn,

waaruit geen ontkomen mogelijk was. Maar hij kon niet zien!

Nadia was stil. Zij hield zich krampachtig aan de stijlen van de kar

vast, heen en weer geschommeld door de ongeregelde bewegingen van den

toestel, die meer en meer naar het middelpunt van samendrukking

overhelde.

Wat Nikolaas betreft, hij was volmaakt kalm. Het was alsof hij het

leven van geene waarde beschouwde, gelijk de Oosterlingen, die het een

logement voor vijf dagen noemen, dat men den zesden dag, goed of

kwaadschiks, moet verlaten. De glimlach verliet zijn gelaat niet.

De kibitka bleef dus in den maalstroom ronddraaien, terwijl het paard

af was. Eensklaps ontdeed Michael Strogoff zich van de kleederen die

hem konden hinderen en wierp zich te water; daarna greep hij met kracht

den teugel van het verschrikte paard en duwde het door een krachtigen

stoot buiten de aantrekkingskracht van de draaikolk, waarna de kibitka

weder in den macht van den snellen stroom gekomen, met vernieuwde vaart

afdreef.

»Hoezee!” schreeuwde Nikolaas.

Eerst twee uur na het te waterlaten, was de kibitka den breedsten

stroomarm overgestoken en landde zij op den oever van een eiland, zes

wersten beneden het punt van vertrek gelegen. Daar werd de kar door het

paard op den oever getrokken en kreeg dit een uur rust. Vervolgens werd

het eiland in zijne volle breedte doorgetrokken, waarna men zich op den

oever van den kleinsten arm der Jeniseï bevond.

Deze overtocht ging gemakkelijk, hoewel de stroom zoo snel was dat de

kibitka den rechteroever eerst vijf wersten stroomafwaarts bereikte. In

het geheel bedroeg de afwijking nu elf wersten.

Die groote stroomen op het Siberisch grondgebied, waarover nergens nog

eene brug geslagen is, zijn een groot beletsel voor de gemeenschap.

Allen waren Michael Strogoff noodlottig geweest. Op de Irtisch werd de

pont, die hem en Nadia vervoerde, door de Tartaren aangetast. Op de Obi

was hij, nadat zijn paard door een kogel getroffen was, slechts door

een wonder aan de hem vervolgende ruiters ontsnapt. Bij slot van

rekening had de overtocht der Jeniseï nog de minste ongelukken

opgeleverd.

»Het zou niet zoo vermakelijk zijn geweest,” riep Nikolaas, zich in de

handen wringende, uit, »indien het niet zoo moeitevol was geweest!”

»Wat voor ons moeilijk is geweest, vriend,” antwoordde Michael

Strogoff, »zal den Tartaren misschien onmogelijk zijn.”

Michael Strogoff · 第 50 / 68 题