Een half uur later hadden Michael Strogoff en Nadia Tomsk verlaten.
Dienzelfden nacht slaagden nog eenige gevangenen er in om aan de
Tartaren te ontsnappen. Officieren en soldaten verkeerden in een roes
en veronachtzaamden nu de strenge waakzaamheid, die zij, zoowel in het
kamp van Zabediero, als gedurende den marsch der konvooien hadden
betracht. Nadat Nadia aanvankelijk met de andere gevangenen was
medegevoerd, had zij later de vlucht kunnen nemen en was zij op de
bergvlakte teruggekeerd, op het oogenblik dat Michael Strogoff voor den
emir werd gebracht.
Daar had zij, tusschen de menigte verborgen, alles gezien. Geen kreet
ontsnapte haar, toen de witgloeiende kling langs de oogen van haar
makker werd gestreken. Zij had de kracht onbeweeglijk en stom te
blijven. Eene ingeving der Voorzienigheid spoorde haar, die nu vrij
was, aan om zich beschikbaar te houden om den zoon van Marfa Strogoff
tot gids te verstrekken naar het doel dat hij gezworen had te zullen
bereiken. Een oogenblik hield haar hart op te kloppen, toen de oude
Siberische vrouw als dood ter aarde stortte, maar eene gedachte schonk
haar al hare geestkracht terug.
»Ik zal,” zeide zij, »de hond van den blinde zijn!”
Na het vertrek van Ivan Ogareff had Nadia zich in het duister
verborgen. Zij had gewacht totdat de menigte de bergvlakte verlaten
had. Als een ellendig wezen, waarvan niets meer te vreezen was, lag
Michael Strogoff daar verlaten en alleen. Zij zag hoe hij zich naar
zijne moeder sleepte, hoe hij over haar heen bukte, haar op het
voorhoofd kuste, en zich eindelijk oprichtte om, al rondtastende, te
vluchten...
Eenige oogenblikken later waren beiden, hand in hand, de steile
glooiing afgedaald, en na tot aan het uiteinde der stad, de oevers der
Tom te hebben gevolgd, kwamen zij gelukkig door eene bres in de
omwalling naar buiten.
De weg naar Irkoetsk was de eenige, die zich oostwaarts richtte. Daar
kon men zich niet in vergissen. Nadia sleepte Michael snel mede. De
mogelijkheid bestond dat de veldontdekkers van den emir, den volgenden
dag, na een paar uur gezwelgd te hebben, zich in de steppen wierpen en
alle gemeenschap afsneden. Het kwam er dus op aan hen vooruit te komen,
vóor hen Krasnoïarsk, vijf honderd wersten (533 kilometer) van Tomsk,
te bereiken en vooral den grooten weg zoolang mogelijk te houden. Den
gebaanden weg te verlaten, stond gelijk met het onzekere, het
onbekende, met den dood op de snelste wijze te zoeken.
Hoe was het mogelijk dat Nadia de vermoeienissen van den nacht van 16
op 17 Augustus doorstond? Waar vond zij de noodige lichaamskracht om
zulk een langen weg af te leggen? Hoe zouden hare voeten, die door den
geweldigen marsch bloedden, haar tot daar kunnen voeren? het was bijna
onbegrijpelijk. Maar niettemin is het waar dat Michael Strogoff en zij
den anderen dag, twaalf uren na hun vertrek van Tomsk, na een tocht van
twintig wersten, het vlek Semilowskoë bereikten.
Michael Strogoff had geen woord gesproken. Nadia hield zijne hand niet
vast, maar hij de hare, gedurende den geheelen nacht en het trillen
alleen van hare hand, was voldoende geweest om hem met zijn gewonen pas
te doen voortgaan.
Semilowskoë was bijna geheel verlaten. De bewoners dier plaats waren,
uit vrees voor de Tartaren, naar de provincie Jeniseïsk gevlucht.
Nauwelijks waren er twee of drie huizen, die bewoond waren. Al wat de
plaats nuttigs of kostbaars bezat, was op karren weggevoerd.
Toch moest Nadia er een paar uur stilhouden. Zij hadden beiden behoefte
aan voedsel en aan rust.
Het meisje bracht haren makker dus naar het einde van het vlek. Daar
stond een ledig huis, met geopende deur. Zij gingen binnen. Bij den
hoogen haard aan de Siberische woningen eigen, stond eene oude houten
bank, waarop zij plaats namen.
Thans keek Nadia haar blinden makker goed in het gelaat, zooals zij het
vroeger nog nooit gedaan had. Uit haar blik straalde meer dan een
gevoel van dankbaarheid en van medelijden. Had Michael Strogoff haar
kunnen zien, hij zou in haar schoonen, droevigen blik de uitdrukking
eener onbegrensde toegenegenheid en teederheid gelezen hebben.
De door het gloeiende ijzer geblakerde oogleden van den blinde bedekten
zijne geheel verdroogde oogen slechts ten halve. Het oogvlies was licht
gerimpeld en als hoornachtig geworden, de oogappel op eene zonderlinge
wijze vergroot; het blauw van den oogappelboog scheen donkerder dan
vroeger; de oogharen en de wenkbrauwen waren half verschroeid; maar,
althans schijnbaar, was het alsof de doordringende blik van den jongen
man geene verandering had ondergaan. Zoo hij het gezicht miste, zoo
zijne blindheid volkomen was, werd dit veroorzaakt doordat de
gevoeligheid van het netvlies en van de gezichtszenuw, door de
gloeiende hitte van het staal, geheel en al vernietigd waren.
Op dit oogenblik strekte Michael Strogoff de handen uit.
»Zijt gij daar, Nadia?” vroeg hij.
»Ja,” gaf het meisje ten antwoord, »ik ben bij u en ik zal u niet meer
verlaten, Michael.”
Bij het uitspreken van zijn naam door Nadia voor de éerste maal,
sidderde Michael Strogoff. Hij begreep dat zijne gezellin alles wist,
wie hij was en welke banden hem aan de oude Marfa verbonden.
»Nadia,” hernam hij, »wij moeten scheiden!”
»Scheiden? Waarom dat, Michael?”
»Ik wil geen hinderpaal op uwe reis zijn! Uw vader wacht u te Irkoetsk.
Gij moet zorgen dat gij bij hem komt!”
»Mijn vader zou mij vervloeken, Michael, zoo ik u verliet, na al
hetgeen gij voor mij gedaan hebt!”
»Nadia! Nadia!” antwoordde Michael Strogoff, de hand van het meisje,
die zij in de zijne gelegd had, drukkende, »gij moet alleen aan uw
vader denken.”
»Michael,” hernam Nadia, »gij hebt mij meer noodig dan mijn vader!
Zoudt gij dan de reis naar Irkoetsk willen opgeven?”
»Nooit!” riep Michael Strogoff uit op een toon, die bewees dat hij
niets van zijn geestkracht verloren had.
»Maar, gij hebt den brief niet meer!....”
»Dien brief mij door Ivan Ogareff ontstolen!.... Welnu! daar kan ik
buiten, Nadia! Zij hebben mij als een spion behandeld! Ik zal nu als
een spion handelen! Ik zal te Irkoetsk gaan vertellen wat ik gezien en
wat ik gehoord heb en, bij den levenden God, zweer ik, dat de verrader
mij nog eenmaal van aangezicht tot aangezicht zal zien! Maar ik moet
vóor hem te Irkoetsk aankomen!”
»En gij spreekt van scheiden, Michael?”
»Nadia, de ellendelingen hebben mij van alles beroofd!”
»Mij blijven nog eenige roebels en mijne oogen over! Ik kan voor u
zien, Michael, en u geleiden daar, waar gij alleen niet meer zoudt
kunnen komen!”
»En hoe zullen wij gaan?”
»Te voet.”
»En hoe zullen wij aan den kost komen?”
»Al bedelend.”
»Laat ons dan gaan, Nadia!”
»Kom mee, Michael.”
De jonge lieden noemden elkander niet langer broeder en zuster. In
hunne gemeenschappelijke armoede, gevoelden zij zich nauwer aan
elkander verbonden. Beiden verlieten het huis, na een uur rust te
hebben genomen. De straten van het vlek afloopende, had Nadia zich
eenige stukken »tchornekhleb,” eene soort van gerstebrood en een weinig
mee, in Rusland bekend onder den naam van »meod,” verschaft. Het had
haar niets gekost, want zij had haar beroep van bedelares ingewijd. Het
brood en de mee hadden, zoo goed mogelijk, den honger en den dorst van
Michael Strogoff gestild. Nadia had voor hem het grootste deel van die
onvoldoende voeding afgezonderd. Hij at de stukken brood op die zijne
gezellin hem, het eene na het andere, aanbood. Hij dronk uit de
kalebas, die zij aan zijne lippen bracht.
»Eet gij wel, Nadia?” vroeg hij verscheidene malen.
»Ja zeker, Michael,” antwoordde het meisje steeds, terwijl het zich
vergenoegde met hetgeen haar makker overliet.
Michael en Nadia verlieten Semilowskoë en hernamen den moeielijken
tocht naar Irkoetsk. Het meisje weerstond de vermoeienis vol
geestkracht. Had Michael Strogoff haar kunnen zien, wellicht had hem de
moed ontbroken om verder te gaan. Maar Nadia klaagde niet en Michael
Strogoff, geene zucht vernemende, liep met eene haast, die hij niet kon
bedwingen. En waarom? Mocht hij dan hopen de Tartaren nog vóor te
blijven? Hij was te voet, zonder geld, blind, en indien Nadia, zijn
eenige gids, hem kwam te ontbreken, bleef hem niets anders over dan
zich aan den weg neder te leggen en er ellendig om te komen! Maar, zoo
hij door eene krachtige inspanning Krasnoïarsk kon bereiken, zou alles
nog niet verloren zijn, omdat de gouverneur, aan wien hij zich bekend
zou maken, niet zou aarzelen hem de middelen te verschaffen om Irkoetsk
te bereiken? Michael Strogoff vervolgde alzoo zijn weg, weinig pratende
en geheel in gedachten verzonken. Nadia leidde hem bij de hand; van
tijd tot tijd zeide Michael Strogoff tot Nadia:
»Spreek wat, Nadia.”
»Waarom, Michael? Wij denken te zamen,” antwoordde het meisje dan, maar
op een toon die geen vermoeienis verried.
Maar soms gebeurde het, dat haar hart niet meer scheen te kloppen en
dat hare knieën knikten, zoodat zij achter bleef. Michael Strogoff
hield dan stil, zocht door den donkeren sluier, die zijn gezicht
overschaduwde, het meisje gade slaan en na eene zucht geslaakt te
hebben, hield hij haar steviger vast en schreed hij weder voorwaarts.
Intusschen zou zich dien dag een gelukkig voorval opdoen, dat hun veel
vermoeienis zou besparen.
Zij hadden Semilowskoë sedert ongeveer twee uur verlaten, toen Michael
Strogoff stil stond en vroeg:
»Is de weg verlaten?”
»Geheel verlaten,” antwoordde Nadia.
»Hoort ge achter ons eenig geraas?”
»Ja, toch.”
»Indien het Tartaren zijn, moeten wij ons verbergen; kijk dus goed.”
»Wacht even, Michael!” antwoordde Nadia, terwijl zij den weg opstapte,
die eenige passen verder, eene buiging rechts maakte.
Michael Strogoff bleef een oogenblik alleen en luisterde.
Nadia kwam oogenblikkelijk terug en zeide:
»Het is eene kar door een jongen man gevoerd.”
»Is hij alleen?”
»Alleen.”
Michael Strogoff aarzelde een oogenblik. Zou hij zich verschuilen? Zou
hij trachten, zoo niet voor zich zelven, dan toch voor Nadia een
plaatsje in de kar te verkrijgen? Hij zou, des noods, naast de kar
kunnen loopen, maar Nadia, sedert den overtocht der Obi—dus reeds acht
dagen—te voet medegesleept, was geheel uitgeput.
Hij wachtte.
Spoedig bereikte de kar de kromming van den weg.
Het was een armoedig voertuig, dat met moeite drie personen kon
bevatten en dat »kibitka” wordt genoemd.
Gewoonlijk is de kibitka met drie paarden bespannen, maar deze werd
getrokken door slechts één paard, ruigharig, met een langen staart en
welks mongoolsch bloed kracht en moed aanduidde.
Zij werd door een jongen man gevoerd, die een hond naast zich had.
Nadia zag dat het jonge mensch een Rus was. Hij had een zacht, kalm
gelaat, dat vertrouwen inboezemde. Gehaast scheen hij volstrekt niet.
Hij reed zeer langzaam om zijn paard niet af te matten en men zou hem
ziende, niet gezegd hebben, dat hij een weg volgde, die elk oogenblik
door de Tartaren kon worden afgesneden.
Nadia had zich, Michael Strogoff vasthoudende, ter zijde van den weg
geplaatst.
De kibitka hield stil en de voerman zag het meisje glimlachend aan.
»En waar gaat gijlieden zoo naar toe?” vroeg hij haar, terwijl hij een
paar goedaardige, geheel ronde oogen opzette.
Op het geluid dier stem zeide Michael Strogoff tot zich zelf dat hij
haar meer gehoord had. En hij was er, ten aanzien van den voerman, zoo
door gerust gesteld, dat zijn voorhoofd dadelijk ophelderde.
»Welnu, waar gaat ge naar toe?” herhaalde de jonge man, zich nu meer
rechtstreeks tot Michael Strogoff wendende.
»Naar Irkoetsk,” antwoordde deze.
»Wel! vadertje, weet ge dan niet dat er nog wat wersten tusschen hier
en Irkoetsk liggen?”
»Dat weet ik.”
»En gij gaat te voet?”
»Te voet.”
»Gij, dat gaat! maar de juffer?...”
»Het is mijne zuster,” zeide Michael Strogoff, die het voorzichtig
achtte dezen naam weder aan Nadia te geven.
»Zoo, uwe zuster, vadertje! Maar geloof mij dat zij Irkoetsk nimmer zal
kunnen bereiken!”
»Vriend,” antwoordde Michael Strogoff naderbij komende, »de Tartaren
hebben ons van alles beroofd en ik kan u geen kopek meer aanbieden;
maar wilt gij mijne zuster opnemen, dan kan ik uw voertuig wel te voet
volgen en zal ik geen uur vertraging teweegbrengen.”
»Broeder,” riep Nadia uit, »dat wil ik niet, neen, dat wil ik niet!
Mijnheer, mijn broeder is blind!”
»Blind!” antwoordde de jonge man, met eene bewogene stem.
»De Tartaren hebben hem de oogen uitgebrand!” hernam Nadia, terwijl
zij, als om mededoogen in te roepen, hare handen uitstrekte.
»De oogen uitgebrand? Ach! arm vadertje! Ik ga naar Krasnoïarsk Waarom
zoudt gij met uwe zuster niet in de kibitka stappen. Met wat
inschikkelijkheid vinden wij er met ons drieën plaats in. Mijn hond zal
er niet tegen te hebben om te loopen. Maar ik rijd niet vlug, om mijn
paard te sparen.”
»Vriend, hoe heet gij?” vroeg Michael Strogoff.
»Ik heet Nikolaas Pigassoff.”
»Dat is een naam dien ik nimmer zal vergeten,” antwoordde Michael
Strogoff.
»Welnu, blind vadertje, stap in. Uwe zuster kan bij u, achter in de kar
zitten; ik blijf voorop om te besturen. Er ligt goede berkenschors en
gerstestroo op den grond. Het is een waar nestje. Komaan Serko, maak
plaats voor ons!”
De hond, van Siberisch ras, sprong dadelijk op den grond.
Michael Strogoff en Nadia waren aanstonds op hun gemak in de kibitka.
Michael Strogoff strekte zijne handen naar die van Nikolaas Pigassoff
uit.
»Gij wilt mijne handen drukken!” zeide Nikolaas. »Hier zijn ze,
vadertje, en druk ze zoolang ge er lust in hebt!”
De kibitka ging naar Michael Strogoff’s zin te langzaam voorwaarts maar
Nadia ondervond zooveel te minder vermoeienis.
Door het schommelen der kibitka viel zij spoedig in een diepen slaap.
Michael Strogoff en Nikolaas legerden zich zoo goed mogelijk op het
berkenloof en zoo Michael Strogoff geen traan van dankbaarheid liet,
kwam dit omdat het gloeiende ijzer den laatsten verschroeid had.
»Wat is zij lief,” zeide Nikolaas.
»Ja,” antwoordde Michael Strogoff.
»Dat wil sterk zijn, vadertje; maar hoe moedig ook, zijn die lievertjes
toch zwak! Komt ge ver weg?”
»Zeer ver.”
»Arme jongelieden! Dat uitbranden uwer oogen moet zeer smartelijk zijn
geweest!”
»Zeer smartelijk,” antwoordde Michael Strogoff, terwijl hij zich naar
Nikolaas wendde.
»Hebt gij niet geweend?”
»Zeker.”
»Ik zou ook geweend hebben, bij de gedachte van zijne geliefden niet
meer te kunnen aanschouwen! Maar zij zien u toch. Dat is wellicht een
troost.”
»Ja, misschien! Zeg eens vriend,” vroeg Michael Strogoff, »hebt gij mij
nooit ergens anders gezien?”
»U, vadertje? Neen nooit.”
»Uwe stem komt mij toch niet onbekend voor.”
»Kijk eens aan!” antwoordde Nikolaas glimlachend. »Hij kent den klank
mijner stem. Vraagt gij het misschien om te weten waar ik vandaan kom?
Welnu, ik kom van Kolivan.”
»Van Kolivan?” zeide Michael Strogoff. »Maar dan heb ik u daar ontmoet.
Waart gij op het telegraafkantoor?”
»Dat kan wel,” antwoordde Nikolaas. »Ik woonde er. Ik was de beambte
met het overseinen belast.”
»En gij zijt tot op het laatste oogenblik op uw post gebleven?”
»Wel, juist dan moet men tegenwoordig zijn!”
»Het was op een dag toen een Engelschman en een Franschman elkander, de
handen met roebels gevuld, de plaats aan uw raampje betwistten; terwijl
de Engelschman de eerste verzen uit den Bijbel telegrapheerde.”
»Dat is wel mogelijk, vadertje, maar ik herinner het mij niet!”
»Wat! gij herinnert u dat niet?”
»Ik lees nooit de dépêches die ik oversein. Daar het mijn plicht is die
te vergeten, is het de kortste weg ze niet te weten.”
Dit antwoord bevatte het beeld van Nikolaas Pigassoff.
Intusschen ging de kibitka langzaam vooruit. Het paard liep drie uur en
had dan een uur rust; dit ging zoo dag en nacht. Gedurende de halten
graasde het paard en gebruikten de reizigers wat, in gezelschap van den
trouwen Serko.
Na een dag rust, was Nadia weer wat versterkt. Nikolaas droeg zorg dat
zij het zoo goed mogelijk had. De reis werd langzaam, maar geregeld
voortgezet. Des nachts echter, als Nikolaas den slaap des
rechtvaardigen sliep, had men kunnen bespeuren hoe Michael Strogoff
zich van de teugels meester maakte en hoe de stap van het paard in den
draf overging. En al werd de stap bij het ontwaken van Nikolaas
hernomen, er was toch menige werst meer afgelegd dan de aangenomen
snelheid toeliet.
Zoo trok men over de rivier van Ichimsk, door de vlekken Ichimskoë,
Berikilskoë, Küskoë, de rivier Mariinsk, het vlek van dienzelfden naam,
Rogostowskoë en eindelijk door de Tchoela, een stroompje dat
West-Siberië van oostelijk Siberië scheidt.
Alles, langs dien weg, was verlaten. De vlekken waren bijna geheel
onbewoond. De boeren waren over de Jeniseï gevlucht, in de hoop dat
deze breede stroom de Tartaren wellicht zou tegenhouden.
Den 22sten Augustus bereikte de kibitka het stadje Atchinsk, op drie
honderd tachtig wersten van Tomsk. Honderd twintig wersten scheidden
haar nog van Krasnoïarsk. Er was niets bijzonders onder weg
voorgevallen.
Michael Strogoff had, om zoo te zeggen, het doorreisde land door de
oogen van Nikolaas en van het meisje gezien. Beurtelings hadden zij hem
alles, waar de kabitka langs ging, medegedeeld en bij die gelegenheid
bleek Nikolaas een onderhoudend verteller te zijn.
Eens vroeg Michael Strogoff hem, welk weer het was.
»Wel genoeg, vadertje,” antwoordde hij, »maar het zijn de laatste
zomersche dagen. De herfst duurt maar kort in Siberië en weldra zullen
wij de eerste winterkou gevoelen. Misschien dat de Tartaren er wel over
denken om de winterkwartieren te betrekken.”
Michael Strogoff schudde, twijfelend, het hoofd.
»Gij denkt het niet, vadertje,” antwoordde Nikolaas. »Gij gelooft dat
ze naar Irkoetsk zullen oprukken?”
»Ik vrees het,” antwoordde Michael Strogoff.
»Ja, ge hebt gelijk. Zij hebben een slecht mensch bij zich, dat hen
geen rust zal laten.—Hebt ge wel eens van Ivan Ogareff hooren spreken?”
»Ja.”
»Weet ge, dat het niet goed is om zijn land te verraden?”
»Neen.... dat is niet goed....” antwoordde Michael Strogoff, die
onverschillig wilde blijven.
»Vadertje,” hernam Nikolaas, »ik vind dat uwe verontwaardiging niet
sterk genoeg is, als er, in uwe tegenwoordigheid, over Ivan Ogareff
gesproken wordt. Ieder Russisch hart moet opspringen, als die naam
wordt uitgesproken.”
»Geloof mij, vriend,” zeide Michael Strogoff, »ik haat hem meer, dan
gij hem ooit zult kunnen haten.”
»Dat is niet mogelijk,” antwoordde Nikolaas, »neen, dat is niet
mogelijk! Wanneer ik aan Ivan Ogareff denk, en aan het kwaad dat hij
over ons heilig Rusland brengt, dan word ik door toorn bevangen, en zoo
ik hem beet had....”
»Nu, zoo ge hem beet hadt, vriend?....”
»Dan zou ik hem, geloof ik, dooden.”
»En ik, ik zou het zeker doen,” antwoordde Michael Strogoff bedaard.