Op eene dagreis van Kolivan, eenige wersten voor het vlek Diachinsk,
strekt zich eene groote vlakte uit, waarop eenige zware boomen,
voornamelijk pijnboomen en ceders uitstaken. Dit gedeelte der steppe is
gedurende het warme jaargetijde gewoonlijk door Siberische herders
ingenomen, die er, voor hunne talrijke kudden, voldoende voedsel
vinden. Doch op dit tijdstip, zou men er te vergeefs een enkele dezer
zwervende bewoners gezocht hebben. En toch was deze vlakte niet
verlaten, integendeel zij vertoonde eene buitengewone levendigheid.
Daar waren de Tartaarsche tenten opgeslagen, daar kampeerde
Feofar-Khan, de woeste emir van Boekhara en daar werden den volgenden
dag, 7 Augustus, de gevangenen van Kolivan opgebracht, na de
vernietiging van het kleine Russische korps. Van deze twee duizend man,
waren er nauwelijks eenige honderden overgebleven. De gebeurtenissen
namen dus, voor het keizerlijk bestuur, aanvankelijk eene ongunstige
wending, want de Russen zouden, vroeger of later, ongetwijfeld die
horden overweldigers weder verdrijven. Maar het hart van Siberië was
door den inval aangetast en hij dreigde zich nu dwars door het
opgestane land heen naar de oostelijke en westelijke provinciën te
zullen uitbreiden. Irkoetsk was nu van elke gemeenschap met Europa
verstoken. Wanneer de troepen van de Amoer en uit de provincie Jakoetsk
niet bijtijds aankwamen om Irkoetsk te bezetten, zou die hoofdstad van
Aziatisch Rusland in handen der Tartaren vallen, en voor dat zij kon
heroverd worden, zou de grootvorst, de broeder van den keizer, aan de
wraak van Ivan Ogareff zijn overgeleverd.
Wat zou er van Michael Strogoff worden? Zou hij onder den druk van
zoovele beproevingen eindelijk bezwijken? Zou hij door de reeks van
tegenspoeden, sedert het ongeval te Ichim ondervonden, zich als
overwonnen beschouwen? Zou hij zijne zending als mislukt beschouwen en
haar opgeven?
Neen, Michael Strogoff leefde nog, hij was niet gekwetst, den
keizerlijken brief had hij nog altijd bij zich, hij had zijn incognito
bewaard. Wel bevond hij zich onder de gevangenen, die door de Tartaren
als redeloos vee werden medegesleept, maar terwijl hij op die wijze
Tomsk naderde, kwam hij ook dichter bij Irkoetsk. In elk geval zou hij
Ivan Ogareff dan nog vóoruit zijn.
»Ik zal er komen!” zeide hij telkens bij zichzelven.
Sedert het gebeurde te Kolivan, had hij slechts éene gedachte,
namelijk: zijne vrijheid te herkrijgen! Hoe aan de soldaten van den
emir te ontsnappen? Wanneer het oogenblik daar was, zou hij zien.
Het kamp van Feofar bood een prachtig schouwspel aan. Tallooze tenten
uit huiden, vilt of zijden stoffen vervaardigd, glinsterden in de
stralen der zon. De rijksten dezer tenten behoorden aan de seïden en de
khodjas, de voornaamste personages van het khanaat.
Het kamp bevatte minstens honderd vijftig duizend man, zoowel
voetknechten als ruiters, die de verschillende typen van Aziatisch ras
vertoonden. Lastdieren telde men er bij duizenden.
Toen de gevangenen van Kolivan voor de tenten van Feofar en der
grootwaardigheid-bekleeders van het khanaat aankwamen, werd de roffel
geslagen, schalden de trompetten en bulderde het geschut.
Overigens was de omgeving van Feofar geheel militair, daar zijn om zoo
te zeggen burgerlijk gevolg en zijn harem zich te Tomsk bevonden, dat,
nu in de handen der Tartaren, de residentie van den emir zou worden,
tot zoolang hij haar eindelijk zou kunnen verwisselen tegen de
hoofdstad van oostelijk Siberië.
De tent van Feofar stak boven de naburige tenten uit. Met eene
schitterende zijden stof behangen, die opgehouden werd door koorden met
gouden kwasten, besloeg zij het middelpunt van eene uitgestrekte open
plaats tusschen de boomen, waarvan de achtergrond door prachtige
beukeboomen en reusachtige pijnboomen werd gevormd. Voor deze tent lag
op eene verlakte en met edelgesteenten ingelegde tafel, het heilige
boek van den Koran open, waarvan de bladzijden uit fijn gegraveerde
gouden blaadjes bestonden. Boven de tent wapperde de Tartaarsche
standaard, versierd met het wapen van den emir.
Op het oogenblik dat de gevangenen in het kamp gebracht werden, was de
emir in zijne tent. Hij kwam niet te voorschijn. En het was zonder
twijfel gelukkig. Éen woord, éene wenk zou wellicht slechts het sein
voor eene of andere bloedige terechtstelling zijn geweest. Maar, als
een echt Oostersch Vorst zonderde hij zich af; want hij, die zich niet
vertoont, wordt bewonderd en vooral gevreesd.
Wat de gevangenen aangaat, zij werden in eene afgesloten ruimte
gelegerd, waar zij, mishandeld, bijna zonder voedsel, blootgesteld aan
de guurheid van het klimaat, het welgevallen van Feofar verbeidden.
De gedweeste, zoo niet de geduldigste van allen was zeker Michael
Strogoff. Hij liet zich geleiden, want men bewaakte hem overal waar hij
heen wilde gaan en dus was hij zoo veilig, als hij, in vrijheid zijnde,
op den weg van Kolivan naar Tomsk nooit had kunnen zijn. Te willen
ontsnappen vóor dat hij in laatstgenoemde stad was aangekomen, ware
zich blootstellen om weder in handen te vallen van de verkenners die in
de steppe rondzwierven.
Eenmaal te Tomsk zijnde, zeide hij tot zich zelf, om eenigszins het
ongeduld te onderdrukken dat hij niet altijd kon bedwingen, kan ik in
weinige minuten voorbij de voorposten zijn; twaalf uren op Feofar,
twaalf uren op Ogareff gewonnen, zullen voldoende zijn om vóor hen te
Irkoetsk aan te komen!
Hetgeen Michael Strogoff inderdaad bovenal vreesde, was de
tegenwoordigheid van Ogareff in het Tartaarsche kamp. Buiten het gevaar
van herkend te worden, gevoelde hij instinctmatig dat het van belang
was dien verrader vooruit te komen. Hij begreep ook dat, wanneer de
troepen van Ivan Ogareff zich met die van Feofar vereenigd hadden, dit
leger, nu voltallig, zoo snel mogelijk tegen de hoofdstad van oostelijk
Siberië zou oprukken. Dit vooral vreesde hij en elk oogenblik luisterde
hij of niet een trompetgeschal de aankomst van Ivan Ogareff
aankondigde.
Bij die vrees voegde zich de gedachte aan zijne moeder en aan Nadia.
Zou hij haar wel ooit wederzien? Op deze vraag die hij niet durfde
oplossen, werd het hem vreeselijk benauwd om het hart.
Met Michael Strogoff en zooveel andere gevangenen, waren ook Harry
Blount en Alcide Jolivet naar het Tartaarsche kamp gevoerd. Michael
Strogoff zocht hen niet op; het kon hem weinig schelen wat zij van hem
dachten sedert het gebeurde aan de wisselplaats te Ichim. Hij wilde
liever alleen blijven om alleen te handelen, wanneer het er op aan
kwam.
Alcide Jolivet had, sedert zijn collega aan zijne zijde was gevallen,
dezen voortdurend verzorgd en hem ondersteund op den tocht van Kolivan
naar het kamp. In het kamp aangekomen, was het zijne eerste zorg
geweest de wond van Harry Blount te onderzoeken.
»Het beteekent niets,” zeide hij tot hem, »het is slechts een schram!
Na twee- of driemaal verbonden te zijn, zal er niets meer van zichtbaar
zijn!”
»Maar dat verband?....” vroeg Harry Blount.
»Dat zal ik wel leggen!”
»Gij zijt dus een halve heelmeester?”
»Dat zijn alle Franschen zoo wat half en half!”
En op deze verzekering scheurde Alcide Jolivet zijn zakdoek in twee
stukken, maakte van het eene pluksel, van het andere eene prop, waschte
de wond, die gelukkig niet ernstig was, uit en legde het vochtige
linnen zeer behendig op den schouder van Harry Blount.
»Ik genees u met water,” zeide hij, »want het is het heilzaamste
pijnstillende middel, dat voor het genezen van wonden bekend is. De
geneesheeren hebben zes duizend jaar er aan besteed om dit te
ontdekken! Ja, zes duizend jaar!”
»Ik dank u, mijnheer Jolivet,” antwoordde Harry Blount, die zich op een
bed van dorre bladeren nedervleide, dat zijn metgezel in de schaduw van
een berkeboom voor hem gereed had gemaakt.
»Blijf nu maar stil liggen en praat niet meer, want gij hebt volstrekt
rust noodig,” zeide Alcide Jolivet.
Maar Harry Blount had geen lust om te zwijgen.
»Mijnheer Jolivet,” vroeg hij, »denkt gij dat onze dépêches over de
Russische grenzen hebben kunnen komen!”
»En waarom niet,” antwoordde Alcide Jolivet. »Op het oogenblik weet
mijn goede nicht alles aangaande het gevecht bij Kolivan.”
»En hoeveel exemplaren van de dépêche laat uw nicht wel drukken?” vroeg
Harry Blount, die voor den eersten keer de vraag zoo rechtstreeks deed.
»Wel ja!” antwoordde Alcide Jolivet lachende. »Mijne nicht is iemand,
die zeer bescheiden is, die er niet van houdt dat men over haar
spreekt, en wie het zeer zou spijten als zij den slaap verstoorde, dien
gij zoo noodig hebt.”
»Ik wil niet slapen,” antwoordde de Engelschman.—»Wat zou uwe nicht van
de zaken in Rusland denken?”
»Dat zij op het oogenblik zeer slecht schijnen te staan. Maar dat
beteekent niets! De Russische regeering is machtig, zij zal zich niet
ongerust maken over een inval van barbaren en Siberië zal haar niet
ontvallen.”
»Al te veel eerzucht heeft de grootste rijken doen ten óndergaan!”
antwoordde Harry Blount, die niet vrij was van een zekere Engelsche
jaloerschheid, ten opzichte der Russische aanmatigingen in Middel-Azië.
»Ach! laten we niet over politiek praten!” riep Alcide Jolivet uit.
»Dat is door de faculteit verboden. Niets is slechter voor
schouderwonden!.... tenzij dit ware—om u te doen inslapen.”
»Laat ons dan spreken over hetgeen ons verder te doen staat,” zeide
Harry Blount. »Mijnheer Jolivet, ik ben niet van plan om voortdurend
bij deze Tartaren gevangen te blijven.”
»Ik voor den drommel ook niet!”
»Zullen wij bij de eerste gelegenheid trachten te ontsnappen?”
»Ja, als er geen ander middel is om onze vrijheid te herkrijgen.”
»Weet ge een ander?” vroeg Harry Blount, zijn makker aanziende.
»Zeker! Wij behooren niet tot de oorlogvoerende partijen, wij zijn
onzijdig, en wij zullen er tegen opkomen!”
»Bij dien onbeschaafden Feofar-Khan?”
»Neen, hij zou ons niet verstaan,” antwoordde Alcide Jolivet, »maar bij
Ivan Ogareff.”
»Dat is een schurk!”
»Zonder twijfel, maar die schurk is een Rus. Hij weet dat men met het
volkenrecht niet moet gekscheren, en hij heeft er geen belang bij om
ons gevangen te houden, integendeel!”
»Maar dat heer iets te vragen, bevalt mij niet erg!”
»Maar dat heer is niet in het kamp, ten minste ik heb hem er niet
gezien,” merkte Harry Blount op.
»Hij zal er komen. Dat is zeker. Hij moet zich bij den emir voegen, die
alleen op hem wacht om naar Irkoetsk op te trekken.”
»En eenmaal vrij, wat zullen wij dan doen?”
»Eenmaal vrij, dan zullen wij de Tartaren volgen tot dat de
gebeurtenissen ons zullen vergunnen om naar het Russische kamp over te
loopen. Drommels! wij moeten den moed niet laten zakken! Wij beginnen
pas. Gij collega, gij hebt reeds het geluk gehad in dienst van de Daily
Telegraph gewond te worden, terwijl ik nog niets bekomen heb in dienst
van mijne nicht, kom, kom!”
»Goed zoo,” mompelde Alcide Jolivet, »daar valt hij in slaap! Eenige
uren slaaps en eenige compressen met frisch water zijn meer dan
voldoende om een Engelschman weer op de been te helpen. Die lui zijn
van ijzer!”
En terwijl Harry Blount sliep, waakte Alcide Jolivet bij hem, en maakte
hij aanteekeningen in zijn boekje, vast besloten die met zijn collega
te deelen tot groote voldoening der lezers van de Daily Telegraph. De
gebeurtenissen hadden hen vereenigd, en tegen die vereeniging was hunne
ijverzucht niet bestand.
Zoo was, wat Michael Strogoff het meeste duchtte, juist datgene, waar
de beide dagbladschrijvers het zeerst naar verlangden. De komst van
Ivan Ogareff kon zeker voor hen goed zijn, want wanneer hunne qualiteit
van Engelsch en Fransch correspondent maar eerst bekend was, zouden
zij, allerwaarschijnlijkst, in vrijheid gesteld worden. Ivan Ogareff
zou Feofar wel doen begrijpen dat dagbladschrijvers geen eenvoudige
spionnen zijn.
Vier dagen waren reeds voorbij gegaan en de gevangenen hoorden er nog
maar niets van dat het kamp opgebroken zou worden. Zij werden streng
bewaakt en slecht gevoed. Tweemaal in de vier en twintig uren wierp men
hun een stuk geroosterd geiten-ingewand toe, of een stuk kaas, kroete
genaamd, uit zure schapenmelk vervaardigd, en daarna in paardenmelk
geweekt, eene Kirgiesche spijs, meestal koemijss genoemd. Daarbij kwam
nog dat het weer afschuwelijk was, eenige gewonden, vrouwen en
kinderen, stierven en hunne bewakers daartoe ongenegen zijnde, moesten
de gevangenen hunne lijken begraven.
Die toestand duurde gelukkig niet zeer lang. In den morgen van 20
Augustus hoorde men opeens de trompetten schallen, de trommels roeren,
de geweren losbranden en op den weg naar Kolivan zag men eene dikke
stofwolk oprijzen. Ivan Ogareff deed aan het hoofd van verscheidene
duizenden krijgslieden zijn intocht in het Tartaarsche kamp.