Gelukkig dat Michael Strogoff zoo plotseling de wisselplaats verlaten
had, want Ivan Ogareff had zijn signalement naar alle uitgangen der
stad gezonden, om hem te kunnen doen aanhouden; maar, daar hij niet
oogenblikkelijk achtervolgd was, was het hem gelukt door eene der
bressen van de wallen te ontsnappen.
Den 29sten Juli, te acht uur ’s avonds, had Michael Strogoff Omsk
verlaten. Die stad ligt halverwege Moskou en Irkoetsk, waar hij binnen
tien dagen moest aankomen, indien hij het Tartaarsche leger voor wilde
zijn. Het ongelukkig toeval dat hem zijne moeder deed ontmoeten, had
zijn incognito verraden en Ivan Ogareff zou wel alles in het werk
stellen om zich van hem meester te maken. Michael Strogoff spoorde dus
zijn paard stevig aan.
Te middernacht kwam hij te Koelikovo aan, na zeventig wersten afgelegd
te hebben. Hier vond hij noch rijtuig, noch paarden. Ter nauwernood kon
Michael Strogoff hier voor hem en voor zijn paard eenig voedsel
bekomen. Alles was door de Tartaren geroofd geworden.
Het kwam er nu op aan zijn paard te sparen. Evenwel moest hij spoed
maken, om niet ingehaald te worden door de ruiters, die Ivan Ogareff
hem waarschijnlijk achterna gezonden had. Tot nog toe had het weder de
reis van den koerier van den czaar begunstigd. De luchtgesteldheid was
draaglijk. De zeer korte nachten in dien tijd van het jaar maakten voor
Michael Strogoff het reizen wel gemakkelijk, doch minder veilig. Daarom
had hij liever gezien, dat deze geheele Siberische streek, gedurende
een paar maanden, in het duister van den poolnacht verzonken ware
geweest.
Den 30sten Juli te acht uur in den morgen kwam hij voorbij het
wisselstation van Toeroenoff en snelde hij de moerassige streken der
Baraba binnen.
Daar konden, over eene oppervlakte van drie honderd wersten, de
natuurlijke moeielijkheden zeer groot worden. Dat wist hij, maar hij
wist ook dat hij ze zou te boven komen, van welken aard zij ook mochten
zijn.
Deze uitgestrekte moerassen, loopende van het noorden naar het zuiden
tusschen den zestigsten en twee en vijftigsten parallelcirkel, dienen
tot vergaarplaats van al het water dat, na langdurige regens, geene
uitwatering vindt noch in de Obi, noch in de Irtisch. De grond is er
kleiachtig, en bijgevolg ondoordringbaar, zoodat het water er eene
streek vormt die in het warme jaargetijde zeer moeilijk door te trekken
is.
De weg naar Irkoetsk loopt evenwel door die streek, die in den winter
beter bereisbaar en zeer bezocht wordt door de jagers die ter jacht
gaan op den marter, het sabeldier, en de kostbare vossen, wier pels zoo
gezocht is.
Michael Strogoff reed onvermoeid door, springende over de kloven, die
zich hier en daar in den weg bevonden. Maar hoe vlug zij ook reden,
konden paard noch ruiter aan de steken der tweevleugelige insecten
ontkomen, die dit moerassige land ten plaag verstrekken.
De reizigers die ’s zomers genoodzaakt zijn de Baraba over te steken,
dragen zorg zich te voorzien van een paardenharen masker, waaraan een
soort van maliënkolder van zeer fijn ijzerdraad bevestigd is, die hunne
schouders bedekt. Ondanks deze voorzorgen zijn er weinigen, die uit
deze moerassen komen, zonder hun gezicht, hun hals en hunne handen vol
roode bulten te hebben.
Het paard van Michael Strogoff, door deze venijnige insecten gestoken,
ging er van door alsof het door duizenden sporen aangezet werd, zijne
zijden met zijn staart zweepende, en door de snelheid van zijn vaart
eene afleiding voor zijne pijniging zoekende.
Wie zou gelooven dat deze streek van de Baraba, zoo ongezond gedurende
de hitte, nog bewoond kon zijn? En dat was toch zoo. Eenige ver van
elkander gelegen Siberische gehuchten vertoonden zich tusschen het
reusachtige riet, dat aan weerszijden van den weg stond. Mannen,
vrouwen, kinderen, grijsaards, gekleed in dierenhuiden, en hun gelaat
bedekt met blaren, met pek bestreken, lieten kudden magere schapen
grazen; maar om deze dieren tegen den aanval der insecten te
beschutten, hielden zij ze onder den wind van hoopen brandend groen
hout, die zij dag en nacht aanvulden en waarvan de scherpe bijtende
rook zich langzaam over het onmetelijke moeras verspreidde.
Toen Michael Strogoff gewaar werd dat zijn paard, afgemat van
vermoeienis, op het punt was van neder te storten, hield hij voor een
dier ellendige gehuchten stil, en wreef hij, zijne eigene vermoeienis
vergetende, volgens de gewoonte in Siberië, zelf de steken van het arme
dier met warm vet in; vervolgens gaf hij het een goed rantsoen voeder,
en eerst na het goed verzorgd te hebben, dacht hij aan de versterking
van zijn eigen persoon door het gebruiken van een stuk brood met
vleesch en een paar glazen kwass. Een uur, hoogstens twee uren daarna,
zette hij in allerijl zijne reis, langs den oneindigen weg naar
Irkoetsk, voort.
Negentig wersten werden aldus van af Toeroenoff afgelegd, en den 30sten
Juli, te vier uur in den namiddag, kwam Michael Strogoff te Elamsk aan.
Daar moest hij aan zijn paard een nacht rust geven. Het moedige dier
zou niet langer die reis hebben kunnen vervolgen, hier, evenals overal
anders was geen middel van vervoer meer te vinden.
Elamsk, eene kleine stad die de Tartaren nog niet bezocht hadden, was
bijna geheel ontvolkt, want zij was gemakkelijk te bemachtigen; daarom
waren de paardenposterij, de bureaux van politie, en het
gouvernementshuis op hooger bevel verlaten geworden.
Den volgenden dag verliet Michael Strogoff Elamsk op het oogenblik dat
men vertelde dat de Tartaarsche verkenners zich op een afstand van tien
wersten vertoond hadden. Hij haastte zich dus om vooruit te komen. De
weg was wel effen, maar zeer kronkelend en daardoor veel langer; echter
was aan den regelrechten, korteren tocht, door het net van vijvers en
poelen, geen denken.
Twee dagen daarna, den 1sten Augustus, honderd twintig wersten verder,
kwam hij tegen twaalf uur aan het vlek Spaskoë en tegen twee uur hield
hij stil in het vlek Pokrowskoë, waar hij tot den volgenden morgen
moest vertoeven, omdat zijn paard, geheel afgereden, niet meer
voortkon.
Den 2den Augustus bereikte hij te vier uur Kamsk, na weder vijf en
zeventig wersten te hebben afgelegd.
Het land had hier een geheel ander aanzien. Het kleine vlek Kamsk ligt,
als een bewoonbaar en gezond eiland, in het midden der onbewoonbare
landstreek. Het ligt midden in de Baraba. Dank zij de kanalisatie van
de Tom, eene nevenrivier van de Irtisch, die langs Kamsk vloeit, zijn
de verpestende moerassen in weelderige weilanden herschapen. Evenwel
hebben deze verbeteringen nog niet geheel over de koortsen gezegevierd,
die, gedurende den herfst, het verblijf in die stad gevaarlijk maken.
En toch is het hier, dat de bewoners van de Baraba eene toevlucht
zoeken, wanneer de peststof, die uit de moerassen opstijgt, hen uit
andere deelen van de provincie verjaagt.
Het stadje Kamsk was nog niet verlaten; het was tot nog toe van den
inval der Tartaren vrij gebleven.
Michael Strogoff kon hier dus geen nieuws vernemen. Hij bleef dan ook
maar in de herberg waar hij zijn intrek had genomen en vertoonde zich
zoo min mogelijk.
Den volgenden morgen, te zes uur vertrok hij met het voornemen dien dag
de tachtig wersten af te leggen, die Kamsk van het gehucht Oebinsk
scheidden.
Te Oebinsk overnachtte hij, om zijn paard te laten uitrusten, en den
volgenden morgen bij het krieken van den dag vertrok hij naar het
honderd wersten verder gelegen Ikoelskoï, maar ongelukkig was de weg
daarheen allerellendigst door den regen, die gedurende eenige weken
gevallen was. Doch eenmaal de honderd vijf en twintig wersten, die dit
vlek van Kolivan scheiden, afgelegd hebbende, zou de weg beter worden;
maar zoo hij dan geen natuurlijke hinderpalen meer te duchten had, zou
hij waarschijnlijk alles van den mensch te vreezen hebben.
Eindelijk tegen half vier in den namiddag verliet hij de laatste
moerassige streken van de Baraba en weerklonk de harde en droge
Siberische grond weder onder den hoef van zijn paard. Hij had Moskou
den 15den Juli verlaten. Den 5den Augustus had hij dus een en twintig
dagen gereisd, de meer dan zeventig uren medegerekend, die hij aan de
boorden van de Irtisch verloren had. Hij was nu nog vijftien honderd
wersten van Irkoetsk verwijderd.