Omsk is de hoofdstad en het verblijf van den gouverneur-generaal van
westelijk Siberië. Zij is evenwel niet de belangrijkste stad van dit
eerste gedeelte van Aziatisch-Rusland. Tomsk is meer bevolkt en
aanzienlijker.
Omsk bestaat eigenlijk uit twee gedeelten. Het eene gedeelte is het
verblijf van het bewind en der rijksambtenaren, het andere wordt
bewoond door de Siberische kooplieden, alhoewel het toch niet zeer
handeldrijvend is.
Deze stad bevat twaalf à dertien duizend inwoners, en wordt door aarden
borstweringen verdedigd die haar zeer onvoldoende beschermen. Het
kostte dus den Tartaren weinig moeite zich, na eene belegering van
eenige dagen, stormenderhand van de stad meester te maken.
De bezetting had zich, na eene dappere verdediging, naar het hooge
gedeelte der stad teruggetrokken, en zich daar met den
gouverneur-generaal en zijne officieren verschanst, zonder evenwel veel
hoop te koesteren van bijtijds ontzet te zullen worden, want de
Tartaren kregen elken dag versterkingen, en wat erger was, zij werden
aangevoerd door een officier,—een landverrader—maar een man van groote
verdienste en van eene beproefde onverschrokkenheid.
Deze officier was de kolonel Ivan Ogareff. Ivan Ogareff was een bekwaam
militair. Daar er in hem een weinig Mongoolsch bloed zat van
moederszijde, die van Aziatischen oorsprong was, was hij listig, hield
hij er van hinderlagen uit te denken, en niets kon hem beletten om een
of ander geheim te weten te komen. Bedrieglijk en wreed van natuur, nam
hij tot de laagste vermommingen zijne toevlucht, en Feofar-Khan had in
hem een waardigen helper in dezen woesten oorlog gevonden.
Toen Michael Strogoff nu aan de boorden van de Irtisch aankwam, had
Ivan Ogareff zich reeds van Omsk meester gemaakt, en zette hij met
kracht het beleg van het hooge gedeelte der stad voort, daar hij zich
zoo snel mogelijk naar Tomsk wilde begeven, alwaar zich de hoofdmacht
van het Tartaarsche leger had saamgetrokken.
Tomsk was inderdaad sedert eenige dagen door Feofar-Khan ingenomen, en
vandaar moesten de overweldigers, reeds meester van Middel-Siberië,
naar Irkoetsk voortrukken.
Irkoetsk was het eenige en wezenlijke doel van Ivan Ogareff.
Het plan van dien verrader was om, onder een valschen naam, toegang tot
den grootvorst te verkrijgen, zijn vertrouwen te winnen, en, wanneer
het oogenblik gekomen was, aan de Tartaren de stad en den grootvorst
zelf over te leveren.
Met zulk eene stad en zulk een gijzelaar, moest geheel Siberië in de
handen der overweldigers vallen.
Nu weet men dat deze samenzwering den czaar bekend was, en dat, om haar
te verijdelen, aan Michael Strogoff de belangrijke dépêche was
toevertrouwd geworden. Deze zending had hij tot hiertoe getrouw
nagekomen, doch zou hij ze nu wel geheel ten einde kunnen brengen? De
lanssteek, dien hij gekregen had, was niet doodelijk. Al zwemmende had
hij, zonder gezien te worden, den rechteroever bereikt, alwaar hij in
het riet in zwijm gevallen was.
Toen hij tot zichzelf kwam, bevond hij zich in de hut van een moejiek
die hem opgenomen en verzorgd had, en wien hij het alzoo te danken had
dat hij nog leefde. Hoe lang hij bij dien braven Siberiër was, dat wist
hij niet. Maar toen hij de oogen weder opende, zag hij bij zijn bed een
goedig gelaat met een langen baard staan, dat hem met een medelijdenden
blik aanzag. Hij wilde vragen waar hij zich bevond, toen de moejiek,
hem voorkwam, zeggende:
»Spreek niet, vadertje, spreek niet! Je zijt nog te zwak. Ik zal je
zeggen waar je zijt en al hetgeen er gebeurd is, sedert dat ik je in
deze hut gedragen heb.”
En de moejiek vertelde Michael Strogoff de bijzonderheden van het
gevecht waarvan hij getuige was geweest, den aanval der Tartaarsche
vaartuigen, het plunderen van de tarentass, den moord der schippers....
Michael Strogoff luisterde niet meer naar hem, maar zijn hand in zijn
borstzak stekende, voelde hij, dat hij nog altijd den keizerlijken
brief bezat.
Dit stelde hem gerust, maar dat was nog niet genoeg.
»Een meisje vergezelde mij!” zeide hij.
»Zij hebben haar niet gedood,” antwoordde de moejiek, de ongerustheid
tegemoet komende, die hij in de oogen van zijn gast bemerkte. »Zij
hebben haar in hun vaartuig medegevoerd en zijn de Irtisch afgezakt!
Het is een gevangene te meer, die men naar Tomsk voert.”
Michael Strogoff kon geen woord spreken, zoozeer klopte zijn hart.
Doch, ondanks zooveel beproevingen, beheerschte het plichtgevoel toch
zijne geheele ziel.
»Waar ben ik hier?” vroeg hij.
»Op den rechteroever van den Irtisch, en slechts vijf wersten van Omsk
verwijderd,” antwoordde de moejiek.
»Welke wond is mij dan toegebracht, die mij zoo plotseling heeft
terneergeveld? Het is toch geen schotwond?”
»Neen, een lanssteek aan het hoofd, die nu geheeld is,” antwoordde de
moejiek. »Na eenige dagen rust zult ge je reis kunnen vervolgen. Ge
zijt in den stroom gevallen, maar de Tartaren hebben je noch aangeraakt
noch onderzocht, en je beurs is nog altijd in je zak.”
Michael Strogoff stak den moejiek de hand toe; zich daarna plotseling
met moeite oprichtende, vroeg hij:
»Vriend! sedert hoe lang ben ik in deze hut?”
»Sedert drie dagen.”
»Drie dagen verloren!”
»Drie dagen, dat ge buiten kennis zijt geweest!”
»Hebt ge een paard voor mij te koop?”
»Hoe! wilt ge vertrekken?”
»Terstond.”
»Ik heb noch paard, noch voertuig, vadertje! De Tartaren hebben alles
meegenomen!”
»Welnu, dan ga ik te voet naar Omsk om een paard te zoeken.”
»Eenige uren rust nog en ge zult beter in staat zijn de reis voort te
zetten!”
»Geen uur meer!”
»Kom dan!” zeide de moejiek, die wel inzag dat zijn gast niet te
overreden was. »Ik zal je dan zelf brengen,” voegde hij erbij.
»Trouwens er zijn nog zeer veel Russen te Omsk en ge zult misschien wel
ongemerkt kunnen doorsluipen.”
»Vriend,” antwoordde Michael Strogoff, »moge de hemel je beloonen voor
al hetgeen ge voor mij gedaan hebt!”
»Eene belooning! Alleen de dwazen verwachten die in deze wereld!”
antwoordde de moejiek.
Michael Strogoff wilde de hut verlaten, doch hij werd op eens duizelig,
en, zonder de hulp van den moejiek, zou hij neergevallen zijn. De open
lucht evenwel herstelde hem oogenblikkelijk. Hij voelde toen den
lanssteek, waarvan de kracht gelukkig door zijne bonte muts was
gebroken. Met de zielskracht, die hij bezat, was hij er de man niet
naar om zich door zoo weinig te laten terneerslaan. Eén doel had hij
slechts voor oogen, namelijk: het verre Irkoetsk te bereiken! Maar hij
moest Omsk doortrekken, zonder er zich op te houden.
»God bescherme mijne moeder en Nadia!” mompelde hij. »Ik heb nog het
recht niet om aan haar te denken!”
Michael Strogoff en de moejiek kwamen weldra in de door de kooplieden
bewoonde wijk aan. Op verscheidene plaatsen waren de aarden wallen
verwoest, en dit waren even zoovele openingen, waardoor voortdurend
soldaten van Feofar-Khan binnenslopen, die, achtergebleven, zich aan
roof en plundering overgaven.
Het groote marktplein geleek op een kamp; twee duizend Tartaren
bivakkeerden er in goede orde. De paarden aan palen vastgebonden, maar
opgetuigd, stonden gereed op het eerste bevel, te vertrekken, want Omsk
kon slechts eene voorloopige halte zijn voor die Tartaarsche ruiterij,
die de voorkeur moest geven aan de weelderige vlakte van Oostelijk
Siberië, waar rijker steden, vruchtbaarder velden gevonden worden, en
waar bijgevolg meer gelegenheid tot plunderen zou bestaan.
Boven het hoogere gedeelte der stad, dat zich dapper tegen de herhaalde
aanvallen van Ivan Ogareff verdedigde, wapperde de Russische vlag.
Michael Strogoff vermeed de drukke straten. Niet dat hij vreesde
herkend te worden, maar hij was bang dat, wanneer hij zijne moeder
mocht ontmoeten, deze hem bij zijn waren naam zou noemen.
De moejiek kende gelukkig een postmeester, die, wanneer hij goed
betaald werd, niet zou weigeren, hem rijtuig en paarden te verhuren of
te verkoopen. Het kwam er dan verder slechts op aan de stad ongemerkt
te verlaten.
De moejiek bracht Michael Strogoff dus regelrecht naar de wisselplaats,
toen deze in eene nauwe straat opeens bleef stilstaan en zich achter
een muur verschool.
»Wat scheelt u,” vroeg de moejiek hem schielijk, die zeer verwonderd
was over deze plotselinge beweging.
»Stil!” antwoordde Michael Strogoff haastig, terwijl hij een vinger op
zijn mond legde.
Op dit oogenblik kwam, van het marktplein, eene afdeeling Tartaren de
straat inrijden, die Michael Strogoff en zijn metgezel ingeslagen
hadden.
Aan het hoofd van de afdeeling, een twintigtal ruiters sterk, reed een
officier in eene zeer eenvoudige uniform. Ofschoon deze zijn blikken
overal liet rondgaan, kon hij toch het plotselinge verdwijnen van
Michael Strogoff niet opgemerkt hebben.
De ruiters reden in vollen draf door de nauwe straat, zonder acht te
geven op de voorbijgangers, die nauwelijks tijd hadden om uit den weg
te gaan.
Toen de ruiters voorbij waren, vroeg Michael Strogoff den moejiek:
»Wie was die officier?”
En, terwijl hij deze vraag deed, was zijn gelaat zoo bleek als dat van
een doode.
»Dat is Ivan Ogareff,” antwoordde de Siberiër, maar op een zachten
toon, die haat verried.
»Hij!” riep Michael Strogoff uit, wien dit woord ontsnapte met eene
uitdrukking van woede, die hij niet kon bedwingen.
Hij had in dien officier den reiziger herkend, die hem aan de
wisselplaats te Ichim een slag had gegeven!
En, het was alsof er een licht voor hem opging; die reiziger, ofschoon
hij hem slechts even gezien had, herinnerde hem dien ouden Zigeuner,
wiens woorden hij op de markt van Nijni-Novgorod had opgevangen.
Michael Strogoff vergiste zich niet. In de kleeding van een Zigeuner en
in gezelschap van den troep van Sangarre, had Ivan Ogareff de provincie
Nijni-Novgorod kunnen verlaten. Hij was het die, in den nacht op het
kermisplein, die zonderlinge woorden had gesproken, waarvan Michael
Strogoff nu den zin begreep; hij was het die aan boord van de Kaukasus
met de geheele bende Zigeuners reisde; hij was het, die langs een
anderen weg, van Kazan naar Ichim door het Oeral-gebergte, Omsk bereikt
had, alwaar hij nu het bevel voerde.
Ivan Ogareff was nog geen drie dagen geleden te Omsk aangekomen, en,
zonder de noodlottige ontmoeting te Ichim, zonder het ongeval dat hem
drie dagen aan de boorden van de Irtisch had opgehouden, zou Michael
Strogoff hem zeker op den weg naar Irkoetsk vooruit zijn geweest! En
wie weet hoeveel onheil er in de toekomst door vermeden zou zijn
geworden!
De moejiek en hij vervolgden nu hun weg door de stad, en kwamen
eindelijk aan het posthuis aan. Omsk door een der bressen in de wallen
te verlaten zou niet moeielijk vallen, vooral wanneer het eenmaal
donker was. Wat het bekomen van een rijtuig betrof, dat was onmogelijk.
Er was er geen te koop, noch te huur. Maar wat behoefde Michael
Strogoff nu ook een rijtuig. Helaas! Hij reisde nu toch maar alleen.
Een paard moest hem voldoende zijn en dit paard kon hij gelukkig
krijgen. Het was een stevig paard, waarvan Michael Strogoff, een ferm
ruiter zijnde, goed partij kon trekken.
Het paard werd tegen een hoogen prijs gekocht en, eenige minuten later,
was hij gereed om te vertrekken.
Het was toen vier uur in den namiddag. Hij bleef in het wisselstation
tot dat het donker was geworden.
In de wachtkamer bevond zich eene groote menigte, die, om
nieuwstijdingen te vernemen, aldaar was samengevloeid.
Michael Strogoff luisterde aandachtig naar hetgeen men vertelde, maar
hij mengde zich niet in het gesprek.
Terwijl hij bezig was om iets te gebruiken, hoort hij op eens een gil,
die hem doet sidderen, en tegelijk de woorden:
»Mijn zoon!”
Zijne moeder, de oude Marfa stond voor hem! Zij glimlachte al bevende;
zij strekte de armen naar hem uit.... Michael Strogoff stond op, en was
op het punt in hare armen te vliegen.
De gedachte aan zijn plicht, het ernstige gevaar dat uit deze
ontmoeting voor zijne moeder en voor hem kon ontstaan, weerhielden hem
plotseling, en zoo groot was zijne zelfbeheersching, dat niet een
zijner gelaatsspieren zich vertrok. Een vijftigtal menschen waren er in
de wachtkamer, waaronder misschien spionnen; en wist men niet in de
geheele stad dat de zoon van Marfa tot de koeriers van den keizer
behoorde.
Michael Strogoff bleef onbeweeglijk.
»Michael!” riep zijne moeder uit.
»Wie zijt ge, goede vrouw?” vroeg Michael Strogoff, hoewel hij deze
woorden veeleer stamelde, dan uitsprak.
»Wie ik ben? vraagt gij dat? Mijn kind kent ge uwe moeder dan niet
meer?”
»Gij vergist u!” antwoordde Michael Strogoff koel weg. »Eene gelijkenis
misleidt u....”
De oude Marfa keek hem strak in de oogen:
»Zijt gij niet de zoon van Peter en Marfa Strogoff?” zeide zij.
Michael Strogoff zou zijn leven gegeven hebben om zijne moeder vrij in
zijne armen te kunnen drukken!.... maar gaf hij toe, het ware met hem,
met haar, met zijn eed gedaan geweest!....
»Ik weet waarlijk niet wat ge zeggen wilt, vrouwtje,” antwoordde hij,
eenige schreden achteruittredende.
»Michael!” riep de oude moeder opnieuw.
»Ik heet niet Michael! Ik ben nooit uw zoon geweest! Ik ben Nikolaas
Korpanoff, koopman te Irkoetsk!....”
En plotseling verliet hij de wachtkamer, terwijl de volgende woorden
voor ’t laatst weerklonken:
»Mijn zoon! mijn zoon!”
Michael Strogoff zich niet langer kunnende bedwingen, was heengegaan.
Zijne oude moeder was bijna levenloos op eene bank neergevallen. Doch
op het oogenblik dat de postmeester toeschoot om haar te helpen, stond
de oude vrouw weder op. Er was op eens een licht voor haar opgegaan.
Dat haar zoon haar niet had willen herkennen was onmogelijk en even
onmogelijk was het dat zij een ander voor hem had aangezien. Hij moest
dus overwegende redenen gehad hebben om zoo jegens haar te handelen.
»Ik ben krankzinnig!” zeide zij tot hen die haar ondervroegen. »Mijne
oogen hebben mij bedrogen! Die jonge man is mijn kind niet! Laat ik er
maar niet meer aan denken! Ik zou hem, ten laatste, overal meenen te
zien.”
Er waren nog geen tien minuten verloopen of een Tartaarsch officier
vertoonde zich aan het posthuis.
»Marfa Strogoff?” vroeg hij.
»Dat ben ik,” antwoordde de oude vrouw op een zoo kalmen toon en met
een zoo rustig gelaat, dat zij, die getuigen geweest waren van de
ontmoeting die zooeven plaats had gehad, haar niet zouden herkend
hebben.
»Kom met mij mee,” zeide de officier.
Marfa Strogoff volgde den officier ongedwongen en verliet het posthuis.
Eenige oogenblikken daarna bevond Marfa Strogoff zich in het bivak op
het groote marktplein in tegenwoordigheid van Ivan Ogareff aan wien al
de bijzonderheden van dit tooneel onmiddellijk waren overgebracht.
Ivan Ogareff, de waarheid vermoedende, had zelf die oude Siberische
vrouw willen ondervragen.
»Je naam?” vroeg hij op barschen toon.
»Marfa Strogoff.”
»Hebt ge een zoon?”
»Ja.”
»Hij is koerier van den czaar?”
»Ja.”
»Waar is hij?”
»Te Moskou.”
»Hebt ge geen tijding van hem?”
»Geene.”
»Sedert hoelang?”
»Sedert twee maanden.”
»Wie was die jonge man die ge, eenige oogenblikken geleden, aan het
posthuis je zoon noemdet?”
»Een jonge Siberiër, dien ik voor hem aangezien heb,” antwoordde Marfa
Strogoff. »Het is wel de tiende in wien ik mijn zoon heb meenen te
herkennen, sedert de stad vol vreemdelingen is! Ik meen hem overal te
zien!”
»Die jonge man was dus Michael Strogoff niet?”
»Neen.”
»Weet ge wel, dat ik je kan laten pijnigen, totdat ge de waarheid
bekend hebt?”
»Ik heb de waarheid gezegd, en de foltering zal niets aan mijne woorden
veranderen.”
»Die Siberiër was Michael Strogoff dan niet?” vroeg Ivan Ogareff
andermaal.
»Neen! Hij was het niet,” antwoordde Marfa Strogoff. »Geloof mij, dat
ik voor niets ter wereld mijn zoon zou verloochenen.”
Ivan Ogareff bleef twijfelen. Indien die zoon, zeide hij tot zichzelf,
in het eerst zijne moeder verloochend heeft, en de moeder op hare beurt
haar zoon, dan kan dit niets anders zijn dan om eene zeer ernstige
reden.
Hij twijfelde er dus niet meer aan of de gewaande Nikolaas Korpanoff
was Michael Strogoff, de koerier van den czaar, zich onder een valschen
naam verbergende, en belast met eene zending, die voor hem van het
uiterste belang was om te weten. Hij gaf dus ook oogenblikkelijk bevel
hem na te zetten. Daarna zeide hij, zich naar Marfa wendende:
»Dat deze vrouw naar Tomsk vervoerd worde.”
En, terwijl de soldaten haar onbeschoft medesleepten, mompelde hij
binnen ’s monds:
Als het oogenblik daar is, zal ik die oude tooverheks wel doen praten.