Nadia giste wel dat een geheime drijfveer al de handelingen van Michael
Strogoff bestuurde; dat deze, om eene of andere haar onbekende reden,
in zijne handelingen niet vrij was; dat hij geen recht had over zijn
persoon te beschikken, en dat hij, onder deze omstandigheid zelfs den
wrok over eene doodelijke beleediging heldhaftig aan zijn plicht had
opgeofferd.
Nadia vroeg Michael Strogoff trouwens ook geene opheldering. De laatste
sprak den geheelen avond geen woord. De postmeester kon hem, vóór den
volgenden morgen, geen versche paarden bezorgen; hij moest derhalve een
geheelen nacht op de wisselplaats vertoeven. Nadia maakte dus van dat
oponthoud gebruik om eenige rust te genieten, hoewel zij liever bij
haar metgezel had willen blijven; maar zij gevoelde dat hij behoefte
had om alleen te zijn.
Michael Strogoff bleef op. Hij zou zelfs geen uur hebben kunnen slapen.
Het was alsof hij een brandwonde gevoelde, op de plaats waar de zweep
van den onbeschoften reiziger hem getroffen had.
»Voor het Vaderland en voor den Vader!” prevelde hij aan het slot van
zijn avondgebed.
Evenwel gevoelde hij eene onwederstaanbare behoefte om te weten, wie de
man was, die hem geslagen had, van waar hij kwam en waar hij heenging.
Wat zijn gezicht betrof, de trekken er van waren zoo goed in zijn
geheugen geprent, dat hij niet behoefde te vreezen ze ooit te vergeten.
Hij vroeg om den postmeester te spreken.
Deze, een Siberiër van den ouden stempel, kwam terstond, en den jongen
man een weinig uit de hoogte aanziende, wachtte hij, totdat hij
ondervraagd werd.
»Zijt ge een Siberiër?” vroeg Michael Strogoff.
»Ja”.
»Kent ge dien man, die mijne paarden genomen heeft?”
»Neen.”
»Hebt ge hem nooit gezien?”
»Nooit!”
»Wie denkt ge dat die man kan zijn?”
»Een voornaam heer, die zich weet te doen gehoorzamen!”
De blik van Michael Strogoff drong als een dolk in het hart van den
Siberiër, maar de postmeester sloeg den blik niet neder.
»Gij veroorlooft je mij te beoordeelen!” riep Michael Strogoff uit.
»Ja,” antwoordde de Siberiër, »want er zijn dingen die een eenvoudig
koopman niet ontvangt zonder ze terug te geven!”
»De zweepslagen?”
»De zweepslagen, jong mensch! Ik ben oud en sterk genoeg om je dat te
zeggen!”
Michael Strogoff naderde den postmeester en legde zijne beide krachtige
handen op diens schouders.
Daarop zeide hij op een zonderling kalmen toon:
»Ga heen, vriend, ga heen! Anders zou ik je dooden!”
De postmeester begreep de zaak nu.
»Zoo bevalt hij mij beter,” mompelde hij.
En hij verwijderde zich zonder verder een woord te spreken.
Den volgenden dag, 24 Juli, des morgens te acht uur, stond de tarentass
voor, met drie sterke paarden bespannen. Michael Strogoff en Nadia
namen er plaats in, en Ichim, dat voor beiden zulk eene
verschrikkelijke herinnering zou blijven, was weldra achter eene kromte
van den weg verdwenen.
Aan de verschillende wisselplaatsen, waar hij dien dag ophield, kon
Michael Strogoff zich overtuigen dat de berline hem op den weg naar
Irkoetsk altijd vooruit bleef, en dat de reiziger even gehaast als hij,
geen oogenblik verloor, om de steppe door te trekken.
Om vier uur in den namiddag moest bij het station Abatskaia, de rivier
Ichim, een der voornaamste nevenrivieren van de Irtisch, overgetrokken
worden.
Dit overtrekken ging wat moeilijker dan over de Tobol. De stroom van de
Ichim is op die plaats vrij sterk. Gedurende den winter zijn al die
stroomen in de steppe, met eene ijskorst van verscheidene voeten
bedekt, gemakkelijk begaanbaar, en de reiziger trekt ze ongemerkt over,
want hunne bedding is dan geheel verdwenen onder het witte laken, dat
de uitgestrekte steppe gelijkelijk bedekt; maar in den zomer kan het
overtrekken soms zeer moeilijk zijn.
Inderdaad werden twee uren besteed aan den overtocht van de
Ichim,—hetgeen Michael Strogoff verbitterde, te meer omdat de schippers
hem omtrent den inval der Tartaren, verontrustende tijdingen
mededeelden.
Ziehier wat men vertelde:
Eenige vooruitrukkende veldontdekkers van Feofar-Khan zouden zich reeds
aan de beide oevers van de beneden-Ichim vertoond hebben, in de
zuidelijke streken van het gouvernement Tobolsk. Omsk werd zeer
bedreigd. Men sprak van een gevecht, dat tusschen de Siberische en
Tartaarsche troepen op de grenzen der groote Kirgiesche horden had
plaats gehad,—een gevecht, dat niet ten gunste der Russen was
uitgevallen, die op dit punt zeer zwak waren. Vandaar, het terugtrekken
dier troepen en dientengevolge, algemeene verhuizing der boeren uit de
provincie. Men verhaalde verschrikkelijke wreedheden door de
overweldigers gepleegd. Overal ontvluchtte men de voorhoede van
Feofar-Khan, en dit deed Michael Strogoff zeer vreezen, dat de middelen
van vervoer hem weldra zouden gaan ontbreken. Hij had dus eene
buitengewone haast om Omsk te bereiken.
Zoodra de pont de tarentass op den rechteroever van de Ichim had
overgezet, werd de reis door de steppe met volle snelheid hervat.
Het was zeven uur in den avond. De lucht was zeer betrokken. Ook viel
er herhaalde malen eene stortbui, die het stof neersloeg en de wegen
beter maakte.
Michael Strogoff had, na het verlaten der wisselplaats te Ichim, geen
woord meer gesproken. Hij droeg evenwel steeds zorg voor Nadia, hoewel
het jonge meisje niet klaagde. Zij had aan de paarden van de tarentass
wel vleugels willen geven; want iets scheen haar toe te roepen, dat
haar metgezel nog meer haast had dan zij om te Irkoetsk aan te komen,
en hoeveel wersten hadden zij nog wel af te leggen! Ook kwam haar in de
gedachte dat, indien Omsk door de Tartaren was ingenomen, de moeder van
Michael Strogoff, die deze stad bewoonde, gevaar liep, waarover haar
zoon zich uiterst ongerust moest maken, en dat dit voldoende was om
zijn ongeduld te verklaren om bij haar aan te komen. Nadia meende dus,
op zeker oogenblik, hem over de oude Marfa te moeten spreken, over de
verlatenheid waarin zij zich zou kunnen bevinden te midden van deze
ernstige gebeurtenissen.
»Hebt ge sedert het begin van den inval geene tijding van uwe moeder
ontvangen?” vroeg zij.
»Geen enkele, Nadia. De laatste brief, die mijne moeder geschreven
heeft, is reeds twee maanden oud, maar hij behelsde goede tijdingen.
Marfa is eene krachtvolle, dappere Siberische vrouw. In weerwil van
hare jaren, is zij nog in het bezit van hare geheele zedelijke kracht.
Zij weet te lijden.”
»Ik zal haar bezoeken, broeder,” zeide Nadia levendig. »Wijl gij mij
dien naam van zuster geeft, ben ik de dochter van Marfa!” En, daar
Michael Strogoff niet antwoordde, voegde zij er bij: »Misschien heeft
uwe moeder Omsk kunnen verlaten?”
»Wel mogelijk, Nadia”, antwoordde Michael Strogoff, »en zelfs hoop ik
dat zij Tobolsk zal bereikt hebben. De oude Marfa haat den Tartaar. Zij
kent de steppe, zij is niet bang, en ik hoop dat zij haar stok zal
opgenomen hebben, en de Irtisch zal zijn afgezakt. Er is geene plek in
de provincie of zij kent ze. Hoe menigmaal heeft zij het geheele land
met mijn ouden vader doorloopen en hoe menigmaal heb ik zelf, nog kind
zijnde, hen op hunne tochten door de Siberische woestijn gevolgd! Ja,
Nadia, ik hoop dat mijne moeder Omsk zal verlaten hebben!”
»En wanneer zult gij haar gaan bezoeken?”
»Ik zal haar bezoeken.... op mijn terugreis.”
»Intusschen zult ge, wanneer uwe moeder te Omsk is, er toch wel een uur
afnemen om haar te gaan omhelzen?”
»Dat zal ik niet!”
»Ge gaat haar niet bezoeken?”
»Neen, Nadia,” antwoordde Michael Strogoff, wiens borst begon te
zwellen en die begreep dat hij die vragen van het jonge meisje niet zou
kunnen blijven beantwoorden.
»Gij zegt: neen! broeder, om welke reden?”
»Om welke reden, Nadia! gij vraagt mij om welke reden?” riep Michael
Strogoff met eene zoo diep ontroerde stem uit, dat het meisje er van
sidderde. »Maar om de reden, die mij, tot lafhartigheid toe, geduld
heeft doen oefenen met dien ellendeling, van wien....”
Hij kon zijn volzin niet eindigen.
»Bedaar, broeder,” zeide Nadia, zoo zacht mogelijk. »Ik weet slechts
éen ding of liever ik weet het niet, ik gevoel het! Het is dat, op dit
oogenblik, éen gevoel uw geheele gedrag beheerscht; dat van een zoo
mogelijk heiliger plicht, dan die, welke den zoon aan de moeder
verbindt!”
Nadia zweeg, en, van dit oogenblik af, vermeed zij elk gesprek, dat
betrekking kon hebben op den bijzonderen toestand van Michael Strogoff.
Het gold hier een of ander geheim te eerbiedigen. Zij eerbiedigde het.
Den volgenden morgen, 25 Juli, te drie uur, kwam de tarentass aan de
wisselplaats van Tioekalinsk aan na een afstand van honderd twintig
wersten afgelegd te hebben sedert den overtocht van de Ichim.
Men verwisselde snel van paarden. Doch de iemschik maakte, en wel voor
de eerste maal, eenig bezwaar om te vertrekken, verzekerende dat
Tartaarsche afdeelingen de steppe afliepen, en dat reizigers, paarden
en rijtuigen door die plunderaars zouden buit gemaakt worden.
Michael Strogoff zegevierde slechts door middel van geld over den
slechten zin van den iemschik, want in dit geval zooals in zooveel
andere, wilde hij van zijn podaroshna geen gebruik maken.
De laatste ukaze, door de telegraaf overgebracht, was in de Siberische
provinciën bekend, en een Rus, juist omdat hij in het bijzonder
vrijgesteld was om aan hare voorschriften te gehoorzamen, zou zeker de
algemeene aandacht getrokken hebben—iets dat de koerier van den czaar
bovenal moest vermijden.
Eindelijk vertrok de tarentass, en maakte zooveel spoed dat zij, om
drie uur in den namiddag, tachtig wersten verder Koulatsinskoë
bereikte. Een uur later bevond zij zich aan de boorden van de Irtisch,
en nog slechts een twintigtal wersten van Omsk af.
De Irtisch is een dier breede stroomen van Siberië, die in het
Altaï-gebergte ontspringende, van het zuidoosten naar het noordwesten
loopt en zich in de Obi werpt, na een weg afgelegd te hebben van bij de
zevenduizend wersten.
Op dit tijdstip van het jaar stond de Irtisch buitengemeen hoog, en was
het overtrekken van dien stroom vrij moeilijk. Een zwemmer, hoe bekwaam
ook, zou hem niet hebben kunnen overzwemmen, en zelfs door middel van
eene pont ging de overtocht met gevaar gepaard. Doch die gevaren,
zooals alle andere, konden Michael Strogoff en Nadia geen oogenblik
weerhouden.
Intusschen gaf Michael Strogoff aan zijne jonge gezellin in overweging
om eerst, alleen met de tarentass en de paarden, den stroom over te
steken, want hij vreesde dat de pont het gewicht der vracht niet zou
kunnen dragen. Hij zou dan Nadia komen afhalen, als hij paarden en
rijtuig aan de overkant zou afgezet hebben.
Nadia weigerde, want dit zou een oponthoud van een uur veroorzaken, en
zij wilde niet de oorzaak van deze vertraging zijn.
De inscheping had niet zonder moeite plaats, want de steile oevers
waren ten deele overstroomd, en de pont kon niet dicht genoeg
aanleggen.
Evenwel, na een half uur tobben, stonden de tarentass en de drie
paarden op de pont. Michael Strogoff, Nadia en de iemschik gingen aan
boord en men stak van wal. In de eerste oogenblikken ging alles goed.
De beide schippers duwden met hunne lange boomen de pont behendig
voort, doch hoe verder zij in het midden der rivier kwamen, hoe dieper
de bedding werd en er bleef van de boomen slechts een eind ter lengte
van een voet boven water, zoodat ze moeilijk te hanteeren waren en het
werk weinig vrucht opleverde.
Michael Strogoff en Nadia achter in de pont gezeten, en steeds eenig
oponthoud vreezende, zagen met zekere ongerustheid het werken der
schippers aan.
»Pas op!” riep een van hen zijn makkers toe.
Deze kreet werd veroorzaakt door de veranderde richting die de pont met
eene buitengemeene snelheid had genomen. Zij werd door den stroom
medegevoerd. De schippers trachtten door het goed hanteeren hunner
boomen en door buitengewone krachtsinspanning, in eene schuine richting
den rechteroever van den stroom te bereiken, doch, naar alle
berekening, op minstens vijf à zes wersten beneden de hoogte waar zij
van wal gestoken waren. Terwijl zij aldus alle pogingen in het werk
stelden en zij met eene snelheid van twee wersten per uur in het midden
van den stroom voortgedreven werden, stond Michael Strogoff op en
bemerkte hij stroomopwaarts verscheidene vaartuigen, door den stroom
met groote snelheid medegevoerd, die nog vermeerderd werd door de
werking der roeiriemen, waarvan zij voorzien waren.
Het gelaat van Michael Strogoff trok zich krampachtig samen en een
kreet ontsnapte hem.
»Wat is er?” vroeg het meisje.
Maar eer dat Michael Strogoff den tijd had te antwoorden, riep een der
schippers angstig uit:
»De Tartaren! de Tartaren!”
Het waren inderdaad, met soldaten bemande booten, die de Irtisch
afzakten, en die binnen weinige minuten de pont zouden ingehaald
hebben, daar deze te zwaar geladen was om hen te kunnen ontvluchten.
De schippers slaakten een kreet van wanhoop en lieten de boomen
glippen.
»Houdt moed, vrienden!” riep hun Michael Strogoff toe, »houdt moed!
Vijftig roebels voor u, wanneer wij de rechteroever bereiken vóordat
die vaartuigen ons hebben ingehaald!”
De schippers, door deze woorden aangemoedigd, gingen op nieuw aan den
gang; ook Michael Strogoff greep een boom, dien hij met
bovenmenschelijke kracht hanteerde, doch het was te voorzien dat zij
het enteren der Tartaren niet zouden kunnen ontkomen.
De vaartuigen waren nog slechts op honderd pas verwijderd. Zij voerden
eene afdeeling Boukharijsche soldaten die op verkenning naar Omsk uit
waren.
»Sarijn na Kitschou!” riepen de soldaten uit de voorste boot.
Michael Strogoff herkende den oorlogskreet der Tartaarsche roovers. Op
dien kreet moest men plat op den buik gaan liggen.
En daar de schippers, noch hij, aan dit bevel gehoorzaamden, had er
eene hevige losbranding plaats, en werden twee paarden doodelijk
getroffen.
Op dit oogenblik had er een schok plaats. De booten hadden de pont
dwars aangevaren.
»Kom mee, Nadia!” riep Michael Strogoff, gereed om zich over boord te
werpen.
Het meisje zou hem volgen, toen hij, door een lanssteek getroffen, in
den stroom stortte, die hem medevoerde en waarin hij, nadat zijne hand
even boven was gekomen, verdween.
Nadia had een gil gegeven, doch, voor zij den tijd had Michael Strogoff
in den stroom na te springen, werd zij gegrepen en in een der booten
gezet.
Een oogenblik later waren de schippers door lanssteken gedood, dreef de
pont op goed geluk af, terwijl de Tartaren de Irtisch verder afzakten.