Inderdaad hadden zij, gedurende deze korte stilte, angstkreten gehoord
op het bovenste gedeelte van den weg en op vrij korten afstand van de
bocht, die de tarentass in den bergpas beschutte.
Het was een wanhoopskreet van een reiziger, die waarschijnlijk in
doodsnood verkeerde.
Michael Strogoff luisterde.
De iemschik luisterde ook, maar het hoofd schuddende, alsof hij het
voor onmogelijk scheen te houden op dit geroep te antwoorden.
»Het zijn reizigers die om hulp roepen!...” riep Nadia uit.
»Als ze alleen op ons rekenen!...” antwoordde de iemschik.
»Waarom niet?” riep Michael Strogoff uit. »Hetgeen zij in dergelijke
omstandigheden voor ons zouden doen, moeten wij dat ook niet voor hen
doen?”
»Maar ge zult toch het rijtuig en de paarden niet blootstellen!...”
»Ik zal te voet gaan,” antwoordde Michael Strogoff, den iemschik in de
rede vallende.
»Ik ga met u mee, broeder,” zeide het meisje.
»Neen, Nadia, gij moet hier blijven. De iemschik zal bij u blijven. Ik
wil hem niet alleen laten....”
»Ik zal hier blijven,” antwoordde Nadia.
»Wat er ook gebeure, verlaat deze plaats niet!”
»Gij zult mij hier terugvinden.”
Michael Strogoff drukte de hand zijner gezellin en de bocht der helling
omloopende, verdween hij plotseling in de duisternis.
»Uw broeder heeft ongelijk,” zeide de iemschik tot het jonge meisje.
»Hij heeft gelijk,” antwoordde Nadia eenvoudig.
Michael Strogoff liep ijlings den weg op. Had hij groote haast om hen
te hulp te snellen die de noodkreten slaakten, nog grooter was zijn
verlangen om te weten, wie die reizigers konden zijn, die het onweer
niet verhinderd had zich in het gebergte te wagen, want hij twijfelde
niet of het waren zij, wier telega zijne tarentass altijd vooruit was.
Het had met regenen opgehouden, maar de windvlagen werden hoe langer
hoe heviger. De kreten, door den sterken luchtstroom nader gebracht,
werden hoe langer hoe duidelijker. Van de plaats waar Michael Strogoff
Nadia achtergelaten had kon men niets zien, daar de weg zeer bochtig
was. De rukwinden, plotseling bij die veel bochten gebroken pakten zich
samen, en Michael Strogoff moest eene meer dan gewone kracht
ontwikkelen om er zich door heen te worstelen.
Maar het bleek weldra dat de reizigers, wier kreten gehoord werden,
niet veraf meer konden zijn, want hunne woorden kwamen vrij duidelijk
tot zijn oor.
Ziehier nu wat hij, niet zonder eenige verwondering hoorde:
»Stommerik! kom je haast?”
»Bij de eerste wisselplaats de beste, zal ik je met den knoet laten
geven!”
»Hoor je, postiljon van den duivel! Hei daar!”
»Zoo rijden ze je nu in dit land!...”
»En dat noemen ze een telega!”
»He! aartsdomkop! Hij rijdt maar door en schijnt niet te bemerken dat
hij ons op den weg laat staan.”
»Mij zoo te behandelen! een van geloofsbrieven voorzien Engelschman! Ik
zal mijn beklag aan de kanselarij doen en ik zal hem laten ophangen!”
Hij, die zoo sprak, was wezenlijk in volle woede. Doch, opeens scheen
het Michael Strogoff toe, alsof de tweede spreker partij trok van
hetgeen er gaande was, want een schaterend gelach, dat te midden van
zulk een tooneel het minst verwacht werd, weerklonk plotseling en werd
gevolgd door deze woorden:
»Neen, dat is waarlijk al te kluchtig!”
»Durft gij hierom te lachen!” zeide de Engelschman op een vrij scherpen
toon.
»Welzeker, waarde collega, en zeer hartelijk, en dat is het beste dat
ik kan doen! Ik raad u aan hetzelfde te doen! Op mijn woord van eer,
het is al te kluchtig, men heeft dat nog nooit gezien!....”
Op dit oogenblik vervulde een hevige donderslag den bergpas met een
verschrikkelijk geratel, dat de echo’s van het gebergte nog
weerkaatsten. Terstond na dat geratel weergalmde opnieuw de vroolijke
stem, zeggende:
»Ja, buitengemeen kluchtig! Zoo iets zou zeker in Frankrijk niet
gebeuren!”
»Noch in Engeland!” gaf de Engelschman ten antwoord.
Op den door de bliksemstralen hel verlichten weg bemerkte Michael
Strogoff nu, op twintig passen afstand, twee reizigers naast elkander
gezeten op de achterste bank van een zonderling voertuig, dat zeer diep
in een of ander wagenspoor scheen geraakt te zijn.
Michael Strogoff naderde de beide reizigers, waarvan de een voortging
met lachen, en de andere met vloeken en tieren, en hij herkende de
dagblad-correspondenten, die op de Kaukasus met hem de reis van
Nijni-Novgorod naar Perm gemaakt hadden.
»He! goeden dag, mijnheer!” riep de Franschman uit. »Het doet mij
genoegen u bij deze gelegenheid te ontmoeten. Mag ik u mijn
boezemvriend, mijnheer Blount, voorstellen?”
De Engelsche reporter groette, en wellicht zou hij volgens de regels
der beleefdheid, op zijn beurt zijn collega Alcide Jolivet voorgesteld
hebben, toen Michael Strogoff hem zeide:
»Onnoodig heeren, wij kennen elkander, wij hebben reeds te zamen op de
Wolga gereisd.”
»Ha! zeer goed! perfect! mijnheer?....”
»Nikolaas Korpanoff, koopman van Irkoetsk,” antwoordde Michael
Strogoff. »Maar zeg mij toch eens welk ongeval, zoo droevig voor den
een en zoo vermakelijk voor den ander, u overkomen is?”
»Oordeel zelf, mijnheer Korpanoff,” antwoordde Alcide Jolivet.
»Verbeeld u dat onze postiljon met het voorstel van zijn helsch
voertuig vertrokken is, terwijl hij ons op het achterstel van zijn
bespottelijk rijtuig in den steek laat. De slechtste helft van de
telega voor twee personen, geen leidsels, geen paarden meer! Is dat
niet uitermate kluchtig?”
»Kluchtig in het geheel niet!” antwoordde de Engelschman.
»Maar zeer zeker, collega! Gij weet waarlijk niet de zaken van den
goeden kant te nemen!”
»En hoe, ik vraag het u, hoe zullen wij onzen weg kunnen vervolgen?”
vroeg Harry Blount.
»Niets eenvoudiger,” antwoordde Alcide Jolivet. »Gij spant u zelven
voor dat gedeelte van het voertuig, dat ons overblijft; ik, ik zal de
leidsels houden, en ik zal u mijn kereltje noemen, als een ware
iemschik; gij zult loopen als een echt postpaard!”
»Mijnheer Jolivet,” zeide de Engelschman, »dit gekscheren gaat alle
palen te buiten, en....”
»Wees maar bedaard, collega. Wanneer ge uitgeput zult zijn, dan zal ik
u vervangen en ge zult het recht hebben mij uit te schelden voor
leelijke slak, als ik er niet flink van door ga!”
Alcide Jolivet zeide dat alles zoo vroolijk weg, dat Michael Strogoff
niet kon nalaten te glimlachen.
»Heeren,” zeide hij toen, »ik weet beter. Wij zijn hierboven in den
bergpas aangekomen op vijf honderd pas van hier, en bijgevolg hebben
wij nu slechts de helling af te dalen. Ik zal u een mijner paarden
leenen, en morgen, als er niets tusschenbeiden komt, zullen wij te
zamen te Ekaterinenburg aankomen.
»Mijnheer Korpanoff,” antwoordde Alcide Jolivet, »dat is een voorstel
dat een edelmoedig hart verraadt!”
»Mijnheer,” voegde Michael Strogoff er bij, »indien ik u niet aanbied
om in mijn tarentass plaats te nemen dan is de reden daarvan, dat er
slechts twee plaatsen in zijn, die door mijne zuster en mij reeds zijn
ingenomen.”
»Kom, kom, mijnheer!” antwoordde Alcide Jolivet, »mijn collega en ik
zouden met uw paard en het achterstel van mijn telega wel naar het
andere einde van de wereld kunnen gaan!”
»Mijnheer,” hernam Harry Blount, »wij nemen uw beleefd aanbod aan. Wat
den iemschik betreft....”
»O! geloof maar dat het niet voor de eerste maal is dat hem een
dergelijk ongeval overkomt!” zeide Michael Strogoff.
»Maar waarom komt hij dan niet terug? Hij weet zeer goed dat hij ons
heeft achtergelaten, die ellendeling!”
»Hij? daar heeft hij zelfs geen besef van!”
»Wat! Zou die sukkel niet weten dat de beide deelen van zijne telega
gescheiden zijn?”
»Hij weet het niet, en in het volste vertrouwen van de wereld voert hij
zijn voorstel naar Ekaterinenburg!”
»En of ik u niet zeide dat het allerkluchtigst was, collega!” riep
Alcide Jolivet uit.
»Nu dan, heeren, wanneer gij mij wilt volgen,” hernam Michael Strogoff,
»dan zullen wij naar mijn rijtuig gaan en....”
»Maar de telega?” merkte de Engelschman op.
»Vrees niet dat zij weg zal vliegen, mijn waarde Blount,” riep Alcide
Jolivet. »Zij zit zoo vast in den grond geworteld, dat wanneer men ze
er inliet, er in de lente bladeren aan zouden komen!”
»Kom dan, heeren,” zeide Michael Strogoff, »en wij zullen de tarentass
hier halen.”
De Franschman en de Engelschman sprongen van de achterste bank af, die
nu voorste bank of bok geworden was, en volgden Michael Strogoff.
Alcide Jolivet, die maar altijd met schertsen voortging, zeide tot
Michael Strogoff: »mijnheer Korpanoff, gij redt ons wezenlijk uit eene
groote verlegenheid!”
»Mijnheer,” antwoordde Michael Strogoff, »ik heb slechts gedaan wat elk
ander in mijne plaats zou gedaan hebben. Indien de reizigers elkander
niet hielpen, dan moest men de wegen maar afsluiten!”
»Tot wederdienst bereid, mijnheer. Wanneer gij ver de steppen ingaat,
is het wel mogelijk dat wij elkander weer zullen ontmoeten en....”
Alcide Jolivet vroeg Michael Strogoff niet bepaaldelijk waar hij naar
toe ging, maar deze, geen achterdocht willende verwekken, antwoordde
terstond:
»Ik ga naar Omsk, mijne heeren.”
»En mijnheer Blount en ik,” hernam Jolivet, »wij gaan zoo wat hier en
daar; daar waar misschien een kogel, maar, zeker een of ander nieuws op
te vangen is.”
»In de overheerde provinciën?” vroeg Michael Strogoff eenigszins
driftig.
»Juist, mijnheer Korpanoff, en het is wel waarschijnlijk dat wij
elkander daar niet zullen ontmoeten!”
»Dat is zeker, mijnheer,” antwoordde Michael Strogoff. »Ik houd heel
weinig van geweerschoten en lanssteken; ik ben te vredelievend van
natuur, om mij te wagen daar waar men vecht.”
»Het spijt mij wezenlijk, mijnheer, dat wij zoo gauw van elkander
zullen moeten scheiden! Maar, wanneer wij Ekaterinenburg verlaten, zal
ons gelukkig gesternte ons misschien nog wel te zamen laten reizen, al
was het maar gedurende eenige dagen!”
»Gij begeeft u naar Omsk?” vroeg Michael Strogoff na een oogenblik
overdenkens.
»Wij weten het nog niet,” antwoordde Alcide Jolivet, »maar zeker gaan
wij rechtstreeks naar Ichim door, en eenmaal daar zijnde, zullen wij
naar gelang van omstandigheden handelen.”
»Welnu, heeren,” zeide Michael Strogoff, »dan zullen wij te zamen naar
Ichim reizen.”
Michael Strogoff had zeker liever alleen gereisd, maar zonder dat het
ten minste zonderling zou schijnen, kon hij niet trachten zich van twee
reizigers te scheiden, die denzelfden weg gingen, als hij. Overigens,
daar Alcide Jolivet en zijn reisgenoot plan hadden te Ichim op te
houden, zonder onmiddellijk naar Omsk door te reizen, zoo bestond er
geen zwarigheid, dit gedeelte van de reis met hen mede te maken.
»Welnu, heeren,” antwoordde hij, »dat is dan afgesproken. Wij zullen te
zamen de reis voortzetten.”
Vervolgens vroeg hij op den onverschilligsten toon:
»Weet gij met eenige zekerheid, tot hoever de Tartaren zijn
doorgedrongen?”
»Om de waarheid te zeggen, mijnheer, wij weten er niet meer van dan men
te Perm vertelde,” antwoordde Alcide Jolivet. »De Tartaren van
Feofar-Khan hebben de geheele provincie Semipalatinsk overheerd, en
sedert eenige dagen rukken zij met versnelden marsch langs de Irtisch
voort. Gij moet u dus haasten, zoo gij vóor hen te Omsk wilt aankomen.”
»Waarlijk?” zeide Michael Strogoff.
»Men voegde er ook nog bij, dat het kolonel Ogareff gelukt was vermomd
de grenzen over te komen en dat hij zich weldra bij het Tartaarsche
opperhoofd te midden van het opgestane land zou voegen.”
»Maar hoe zou men dat te weten zijn gekomen?” vroeg Michael Strogoff,
voor wien deze min of meer ware tijdingen van rechtstreeks belang
waren.
»Wel, zooals men al die dingen te weten komt,” antwoordde Alcide
Jolivet. »Dit zit in de lucht.”
»En hebt gij gegronde reden om te gelooven dat kolonel Ogareff in
Siberië is?”
»Ik heb zelfs hooren zeggen, dat hij den weg over Kazan naar
Ekaterinenburg zou genomen hebben.”
»Ha! gij wist dat, mijnheer Jolivet,” zeide Harry Blount toen, wiens
tong losraakte door de opmerking van den Franschen correspondent.
»Ik wist het,” antwoordde Alcide Jolivet.
»En wist gij, dat hij als Zigeuner vermomd zou zijn?” vroeg Harry
Blount.
»Als zigeuner!” riep Michael Strogoff onwillekeurig uit, die zich de
tegenwoordigheid van den ouden Zigeuner te Nijni-Novgorod, zijne reis
aan boord van de Kaukasus en zijne ontscheping te Kazan herinnerde.
»Ik wist er genoeg van om er het onderwerp van een brief aan mijne
nicht van te maken,” antwoordde Alcide Jolivet glimlachende.
»Gij hebt uw tijd te Kazan wel besteed,” merkte de Engelschman op een
drogen toon aan.
»Zeker, waarde collega, en terwijl de Kaukasus zich van voorraad
voorzag, deed ik zooals de Kaukasus!”
Michael Strogoff luisterde niet meer naar de woordenwisseling tusschen
Harry Blount en Alcide Jolivet. Hij dacht aan dien troep Zigeuners, aan
dien ouden Zigeuner, wiens gezicht hij niet had kunnen zien, aan de
zonderlinge vrouw, die hem vergezelde, aan den zonderlingen blik, dien
zij op hem geworpen had, en hij begon al de bijzonderheden van die
ontmoeting in zijn geest te verzamelen, toen een schot zich op een
korten afstand deed hooren.
»Ha! heeren, vooruit!” riep Michael Strogoff uit.
»Kijk! voor een waardig koopman, die de schoten vermijdt,” zeide Alcide
Jolivet tot zichzelf, »loopt hij zeer snel naar de plaats, waar zij
vallen!”
En gevolgd door Harry Blount, die er de man niet naar was om achter te
blijven, liep hij Michael Strogoff achterna.
Eenige oogenblikken daarna bevonden zij zich tegenover de overhellende
rots, die de tarentass beveiligde.
De groep pijnboomen, door den bliksem getroffen, brandde nog. De weg
was woest en verlaten. Michael Strogoff had zich evenwel niet vergist.
Hij had het schot van een of ander vuurwapen gehoord.
Plotseling deed zich een verschrikkelijk gebrul hooren, en er viel een
tweede schot.
»Een beer!” riep Michael Strogoff uit, die zich in dat gebrul niet kon
vergissen. »Nadia! Nadia!” En, een jachtmes uit zijn gordel trekkende,
snelde Michael Strogoff ijlings naar de plaats waar het meisje beloofd
had hem te wachten.
Op het oogenblik dat hij de tarentass nadert, ziet hij, bij het licht
der brandende pijnboomen, eene ontzettende massa hem, al
terugtrekkende, naderen.
Het was een reusachtige beer. De storm had hem uit de nabijgelegen
bosschen gejaagd, en hij was komen schuilen op een plek, die zonder
twijfel zijn gewoon verblijf was, maar die toen door Nadia was
ingenomen.
Twee der paarden, verschrokken op het gezicht van het verschrikkelijke
dier, hadden hunne strengen verbrekende, de vlucht genomen, en de
iemschik, alleen aan zijne beesten denkende, en vergetende dat het
jonge meisje zich alleen tegenover den beer zou bevinden, was hen
achterna gesneld. Het moedige meisje had haar tegenwoordigheid van
geest niet verloren. Het dier, dat haar in het eerst niet gezien had,
had het laatste paard van het span aangevallen. Nadia, de plaats toen
verlatende, waar zij neergedoken zat, was naar het rijtuig geloopen,
had een der revolvers van Michael Strogoff gegrepen, en stoutmoedig op
den beer afgaande, loste zij van zeer nabij een schot op hem.
Het dier, aan den schouder licht gekwetst, had zich naar het meisje
gekeerd, dat eerst gezocht had hem te ontwijken door rondom de
tarentass te loopen, waarvan het paard zijn strengen trachtte te
verbreken. Eindelijk, vreezende geen paarden meer te zullen hebben om
de reis voort te zetten, loopt zij opnieuw regelrecht op den beer aan,
en met eene verwonderlijke koelbloedigheid had zij, op het oogenblik
dat de klauwen van het dier op haar hoofd zouden neerkomen, een tweede
schot op hem gelost.
Het was dat tweede schot dat Michael Strogoff zooeven gehoord had en
waarop hij toegesneld was. In een sprong wierp hij zich tusschen den
beer en het jonge meisje. Zijn arm had slechts eene enkele beweging van
onder naar boven gemaakt, en het gedrochtelijk dier opengesneden van de
buik tot de keel, viel op den grond als een logge massa. Het was een
proefstuk van de behendigheid der Siberische jagers, die er op staan de
kostbare huid der beren niet te beschadigen, waarvan zij eene hooge
prijs maken.
»Zijt gij niet gewond, zuster?” vroeg Michael Strogoff, ijlings naar
het jonge meisje toesnellende.
»Neen, broeder,” antwoordde Nadia.
Op dit oogenblik verschenen de beide dagbladschrijvers. Alcide Jolivet
vloog naar den kop van het paard, en daar hij zeer sterk in de vuist
was, gelukte het hem het te bedwingen. Zijn reismakker en hij hadden de
snelle beweging van Michael Strogoff opgemerkt.
»Drommels!” riep Alcide Jolivet uit, »voor een eenvoudig koopman,
mijnheer Korpanoff, hanteert gij vrij aardig een hartsvanger.”
»Zeer aardig zelfs,” voegde Harry Blount er bij.
»In Siberië, heeren,” antwoordde Michael Strogoff, »zijn wij
genoodzaakt zoo wat van alles te doen!”
Alcide Jolivet keek toen de jonge man aan. In het volle licht gezien,
met het bebloede mes in de hand, met zijn hooge gestalte, met zijn koen
gelaat, met den voet op het lichaam van den beer, dien hij
terneergeveld had, was Michael Strogoff schoon om te zien.
»Een stevige klant!” zeide Alcide Jolivet tot zich zelf.
Vervolgens eerbiedig met den hoed in de hand naderende, kwam hij het
jonge meisje groeten.
Nadia maakte eene lichte buiging.
Zich toen tot zijn reismakker keerende, zeide Alcide Jolivet:
»De zuster is de broeder waard! indien ik een beer ware, zou ik dit
geduchte en bekoorlijke paar uit de voeten blijven!”
Harry Blount stond als een paal met zijn hoed in de hand op eenigen
afstand. De bevallige losheid van zijn reisgenoot deed nog meer zijne
gewone stijfheid uitkomen.
Op dit oogenblik verscheen de iemschik, wien het gelukt was zijne twee
paarden te vangen. Hij wierp een blik vol spijt op het prachtige dier,
dat op den grond lag, en dat hij genoodzaakt zou zijn ten prooi aan de
roofvogels te laten; daarna ging hij zijn span weder in orde brengen.
Michael Strogoff maakte hem toen bekend met den toestand der beide
reizigers, en met zijn plan een der paarden van de tarentass te hunner
beschikking te stellen.
»Het is mij wel!” antwoordde de iemschik. »Alleen twee rijtuigen in
plaats van een....”
»Goed, vriendje!” antwoordde Alcide Jolivet, welke die aanmerking
begreep, »men zal u dubbel betalen.”
»Vooruit dan, kereltjes,” riep de iemschik.
Nadia was weer in de tarentass gaan zitten; Michael Strogoff en zijne
beide reisgenooten volgden te voet.
Het was drie uur. De onweersbui was aan het afnemen, de weg werd snel
opgereden, en de telega werd weldra bereikt: zij was tot aan de as in
de modder gezakt. Een der paarden van de tarentass werd er nu door
middel van touwen voorgespannen. De beide dagbladschrijvers namen nu
weder plaats op de bank van hun zonderling voertuig, en de rijtuigen
zetten zich terstond in beweging.
Zij hadden nu slechts de hellingen van den Oeral af te rijden, hetgeen
geene moeielijkheid opleverde. Zes uren daarna kwamen de beide
voertuigen, het eene na het andere, te Ekaterinenburg aan, zonder dat
eenig ongeval het tweede gedeelte hunner reis verstoord had.
De eerste persoon, dien de dagbladschrijvers aan de deur van het
posthuis bemerkten, was hun iemschik, die hen scheen op te wachten.
Deze waardige Rus had waarlijk een goed gezicht en zonder de minste
verlegenheid en met een glimlachend oog, naderde hij zijne reizigers en
vroeg hun, zijne hand uitstrekkende, om zijne fooi.
De waarheid dwingt om te zeggen, dat de woede van Harry Blount met eene
echt Britsche hevigheid losbarstte, en zoo de iemschik niet voorzichtig
achteruitgegaan ware, zou een vuistslag, volgens al de regels van het
boksrecht, hem het navodko in zijn volle aangezicht betaald hebben.
Alcide Jolivet, deze woede ziende, lachte zooals hij misschien nog
nooit gelachen had.
»Wel, hij heeft gelijk, die arme duivel!” riep hij uit. »Hij is in zijn
recht, mijn waarde collega! Het is zijn schuld niet, dat wij geen
middel gevonden hebben hem te volgen!”
En eenige kopeken uit zijn zak halende:
»Hier, vriend,” zeide hij tot den iemschik, »steek dat in je zak.
Indien je ze niet verdiend hebt, is dat je schuld niet!”
Dit verdubbelde nog de opgewondenheid van Harry Blount, die het den
postmeester wilde wijten, en hem een proces aandoen.
»Een proces! in Rusland!” riep Alcide Jolivet uit. »Als de zaken niet
veranderd zijn, collega, dan zoudt gij er het einde niet van beleven!
Kent gij dan de geschiedenis niet van die Russische min, die van de
familie van haar zuigeling het loon van twaalf maanden zoogen
vorderde?”
»Ik ken ze niet,” antwoordde Harry Blount.
»Dan weet gij ook niet wat er van dien zuigeling geworden was, toen de
uitspraak in het rechtsgeding gunstig voor hem uitviel.”
»En wat was er dan van hem geworden?”
»Een kolonel van de huzaren der garde!”
En op dit antwoord begonnen allen te schateren van het lachen.
Wat Alcide Jolivet betreft, opgetogen over zijn snedig antwoord, nam
zijn aanteekenboekje uit den zak, en schreef er al glimlachende deze
nota in op, bestemd om in het Moscovische woordenboek opgenomen te
worden:
»Telega, Russisch rijtuig met vier wielen, wanneer het vertrekt, en met
twee wielen, wanneer het aankomt!”