DE KAMA OPVARENDE.

Den volgenden morgen, 18 Juli te zes uur veertig minuten, kwam de

Kaukasus aan de aanlegplaats van Kazan aan, die zeven wersten (7½

kilometer) van de stad verwijderd is.

Kazan is gelegen aan de samenvloeiing van de Wolga en de Kazanka. Het

is eene belangrijke hoofdplaats, met een Griekschen

aartsbisschopszetel; het is tevens eene academiestad.

Hoewel de stad vrij ver van de aanlegplaats verwijderd is, verdrong

zich toch op de kade eene talrijke menigte. Men was gekomen om nieuws

te vernemen. De gouverneur der provincie had een besluit uitgevaardigd

van denzelfden inhoud als dat van zijn collega te Nijni-Novgorod. Men

zag daar Tartaren, gekleed in een lang overkleed met korte mouwen en

het hoofd bedekt met een puntigen hoed, waarvan de breede randen aan

dien van den bekenden Pierrot deden denken. Anderen, in een lange

manteljas gehuld en met een kalotje op het hoofd, hadden veel van

Poolsche Joden. Vrouwen, met allerlei klingklang op de borst, en met

een diadeem in den vorm eener halve maan op het hoofd, vormden

verschillende groepen die druk in gesprek waren. Officieren van

politie, onder de menigte gemengd, eenige Kozakken met hunne lans

gewapend, handhaafden de orde en deden plaats maken zoowel voor de

passagiers, die de Kaukasus verlieten, als voor hen, die er zich op

inscheepten; maar niet dan na beide soorten van reizigers nauwkeurig

opgenomen te hebben.

Michael Strogoff keek met een vrij onverschilligen blik naar dat heen

en weer loopen, aan elke aanlegplaats eener stoomboot eigen. De

Kaukasus moest te Kazan een uur vertoeven om kolen in te nemen.

Michael Strogoff dacht er niet aan om aan land te gaan. Hij zou het

jonge Lijflandsche meisje, dat nog niet op het dek verschenen was, niet

alleen willen laten.

De twee dagbladschrijvers waren reeds sedert den dageraad op, zooals

het elken flinken jager betaamt. Zij waren aan land gegaan en hadden

zich onder de menigte begeven, elk zijn eigen weg nemende. Michael

Strogoff bemerkte aan den eenen kant Harry Blount, met zijn zakboekje

in de hand, eenige typen schetsende en eenige opmerkingen

aanteekenende; aan den anderen kant Alcide Jolivet, zich tevreden

stellende met praten en rekenende op zijn geheugen, dat niets kon

vergeten. Langs de geheele oostelijke grens van Rusland liep het

gerucht dat de opstand en de inval eene geduchte uitbreiding hadden

aangenomen. Het verkeer tusschen Siberië en het rijk was reeds uiterst

moeilijk. Dat hoorde Strogoff, die het dek niet verlaten had, van de

nieuw aangekomen passagiers.

Deze gesprekken veroorzaakten hem eene wezenlijke ongerustheid, en

wekten het dringend verlangen bij hem op aan gene zijde van den Oeral

te zijn, om zelf over de ernstige gebeurtenissen te oordeelen en tegen

elk mogelijk ongeval maatregelen te nemen. Hij scheen op het punt te

zijn aan een of ander inwoner van Kazan juister inlichtingen te vragen,

toen zijne aandacht opeens werd afgeleid.

Onder de reizigers, die de Kaukasus verlieten, herkende Michael

Strogoff den troep Zigeuners, die zich den vorigen dag nog op het

jaarmarktplein te Nijni-Novgorod bevonden. Daar op het dek der

stoomboot bevonden zich de oude heiden en de vrouw, die hem voor een

spion had uitgemaakt. Met hem ontscheepten een twintigtal danseressen

en zangeressen, in oude dekens gewikkeld, die hunne met klatergoud

belegde jurken bedekten en waarschijnlijk onder het bestuur van den

ouden Zigeuner stonden.

Michael Strogoff twijfelde er nu niet meer aan dat het gesprek, dat hem

rechtstreeks betrof, uit dien troep voortgekomen en gevoerd was

tusschen den ouden Zigeuner en de vrouw, die hij den Mongoolschen naam

van Sangarre gegeven had.

Michael Strogoff naderde door eene onwillekeurige beweging de trap van

de stoomboot, op het oogenblik dat de heidens haar zouden verlaten.

De oude heiden stond daar, in eene nederige houding, die weinig

overeenkwam met de onbeschaamdheid, aan zijne stamgenooten eigen. Men

zou gezegd hebben dat hij eerder de blikken zocht te vermijden, dan ze

tot zich te trekken. Zijn ellendige hoed, geheel verbrand door de zon,

was diep over zijn oogen getrokken. Zijn breede gewelfde rug rondde

zich af onder een ouden kiel, waarin hij zich, in weerwil van de hitte,

dicht had gewikkeld. Het ware moeielijk geweest onder dit ellendig

toetakelsel over zijn lichaamsbouw en gelaat te oordeelen. Bij hem

stond, in eene prachtige houding, de Zigeunsche Sangarre, eene vrouw

van dertig jaar, bruin van vel, groot van gestalte, met prachtige oogen

en goudgeel haar.

Onder de jonge danseressen waren er verscheidene bij uitstek mooi, die

het type van haar ras sterk vertoonden.

Michael Strogoff bemerkte dat de Zigeunerin Sangarre hem onophoudelijk

aankeek, als wilde zij zijne trekken onuitwischbaar in haar geheugen

prenten.

»Dat is eene brutale heidin,” zeide Michael Strogoff tot zich zelf.

»Zou zij mij herkend hebben voor den man, dien zij te Nijni-Novgorod

voor een spion uitgemaakt heeft. Die vervloekte Zigeuners hebben oogen

als katten! Zij zien in het donker, en deze kan misschien wel

weten....”

Michael Strogoff was op het punt Sangarre en haar troep te volgen, maar

hij bedacht zich.

»Neen,” zeide hij in zich zelf, »geen onbedachte stappen! Indien ik

dien ouden waarzegger en zijne bende laat in hechtenis nemen, dan loopt

mijn incognito gevaar om ontdekt te worden. Zij zijn nu eenmaal weg en

voor dat zij over de grenzen zullen zijn, zal ik reeds lang den Oeral

over zijn getrokken. Ik weet wel dat zij den weg van Kazan naar Ichim

kunnen nemen, maar deze weg levert geen middelen van vervoer op en een

tarentass met goede Siberische paarden bespannen, zal eene kar van

heidens wel vooruitsnellen. Wees maar gerust, vriend Korpanoff!” In elk

geval waren de oude Zigeuner en Sangarre op dit oogenblik, reeds in de

menigte verdwenen.

Michael Strogoff had zeer wijselijk den weg over Perm, Ekaterinenburg

en Tioemen gekozen. Dat is de groote weg, die zich van Ichim tot

Irkoetsk uitstrekt en die goed van poststations voorzien is.

Een uur daarna luidde de bel van de Kaukasus. Het was zeven uur in den

morgen. Het innemen van kolen was afgeloopen. De stoomboot was gereed

om te vertrekken.

De reizigers, die van Kazan naar Perm gingen, hadden reeds hunne

plaatsen aan boord ingenomen. Op dit oogenblik bemerkte Michael

Strogoff dat Harry Blount alleen op de stoomboot terug was gekomen. Zou

Alcide Jolivet haar dan misloopen?

Doch op het oogenblik dat men de kabels losmaakte, verscheen Alcide

Jolivet, uit al zijne macht komende aanloopen. De plank was reeds aan

wal gehaald en de stoomboot zette zich reeds in beweging, toen Alcide

Jolivet, voor geen klein beetje vervaard, met de vlugheid van een

clown, op eens op het dek van de Kaukasus sprong, bijna in de armen van

zijn collega.

»Ik dacht dat de Kaukasus zonder u ging vertrekken,” zeide deze half

willens, half onwillens.

»Ba!” antwoordde Alcide Jolivet, »ik zou u wel hebben weten in te

halen, al had ik eene boot op kosten mijner nicht moeten huren of

postpaarden moeten nemen tegen twintig kopeken per werst. Wat zal ik er

van zeggen? Het telegraafkantoor was nog al ver van hier!”

»Zijt gij naar de telegraaf geweest?” vroeg Harry Blount, op zijn

lippen bijtende.

»Ik ben er geweest!” antwoordde Alcide Jolivet met zijn liefelijksten

glimlach.

»En hij werkt nog altijd tot Kolivan?”

»Dat weet ik niet, maar ik kan u wel verzekeren, dat hij van Kazan naar

Parijs werkt!”

»Gij heb eene dépêche verzonden.... naar uwe nicht?....”

»Met het meeste genoegen.”

»Gij hebt dus vernomen....”

»Hoor, vadertje, om nu eens met de Russen te spreken,” antwoordde

Alcide Jolivet, »ik ben niet kwaad, ik wil voor u niets geheim houden.

De Tartaren, met Feofar-Khan aan het hoofd, zijn tot voorbij

Semipalatinsk voortgerukt en zakken de Irtisch af. Doe er uw voordeel

mee!”

Hoe! eene zoo ernstige tijding, en Harry Blount had er geen kennis van

gekregen, en zijn mededinger, die ze waarschijnlijk van een of ander

inwoner van Kazan vernomen had, had ze terstond naar Parijs

overgeseind! Het Engelsche dagblad was dus ten achteren. Harry Blount

ging dan ook met zijn armen op den rug op het achterdek zitten, zonder

een woord meer te spreken.

Tegen tien uur verliet het Lijflandsche meisje hare hut en kwam op het

dek.

Michael Strogoff ging naar haar toe, en stak haar de hand toe.

»Hoe ver zijn wij van Moskou?” vroeg zij.

»Negen honderd wersten!” antwoordde Michael Strogoff.

»Negen honderd van de zeven duizend!” mompelde het jonge meisje.

De bel kondigde het uur van ontbijt aan. Nadia volgde Michael Strogoff

naar de spijskamer der boot. Zij wilde niets gebruiken van die

bijgerechten, die afzonderlijk toegediend worden, zooals kaviaar,

haring in stukjes gesneden, brandewijn uit rogge vervaardigd en met

anijs gekruid, een drank, dienende om den eetlust op te wekken; in de

noorsche landen algemeen in gebruik, zoowel in Rusland, als in Zweden

en Noorwegen.

Nadia at weinig, wellicht als een arm meisje, wier middelen zeer

bekrompen zijn. Michael Strogoff meende zich nu te moeten tevreden

stellen met het maal waarmede zijne gezellin tevreden was, dat is: met

een weinig »koulbat,” een soort van gebak, bestaande uit dooiers van

eieren, rijst en gestampt vleesch, en roode kool met kaviaar gestoofd;

terwijl thee de eenige drank was.

Dit maal was dus noch lang, noch duur; ook gingen Michael Strogoff en

Nadia reeds binnen twintig minuten weder naar boven, op het dek.

Beiden zetten zich op het achterdek neder en Nadia hare stem

verzachtende, zeide, zonder door iemand anders gehoord te kunnen

worden:

»Broeder, ik ben de dochter van een banneling. Ik heet Nadia Fedor.

Mijne moeder is te Riga gestorven, bijna een maand geleden, en ik ga

naar Irkoetsk, naar mijn vader, om zijne ballingschap te deelen.”

»Ik ga ook naar Irkoetsk,” antwoordde Michael Strogoff, »en ik zal het

als eene gunst van den hemel beschouwen, Nadia Fedor gezond en wel in

de handen van haar vader over te geven.”

»Dank u, broeder!” antwoordde Nadia.

Michael Strogoff vertelde toen, dat hij een bijzonder podaroshna voor

Siberië gekregen had, en dat van den kant der Russische overheden,

niets zijne reis kon belemmeren.

Nadia verlangde niets beter. Zij zag in de ontmoeting van dien

eenvoudigen en goeden jongen man, dien de Voorzienigheid haar had

toegezonden, slechts éen ding; het middel voor haar om tot haar vader

te komen.

»Ik had,” zeide zij, »een vrijgeleide, dat mij machtigde mij naar

Irkoetsk te begeven; doch het besluit van den gouverneur van

Nijni-Novgorod heeft het ongeldig verklaard, en zonder u, broeder, zou

ik de stad niet hebben kunnen verlaten, waar ge mij ontmoet hebt en

waar ik zeer zeker gestorven zou zijn!”

»En alleen, Nadia,” riep Michael Strogoff uit, »alleen, durfdet ge het

te wagen de steppen van Siberië door te trekken!”

»Dat was mijn plicht, broeder.”

»Maar wist ge dan niet dat het land, in opstand en overheerd, niet door

te komen is.”

»De Tartaarsche inval was niet bekend, toen ik Riga verliet,”

antwoordde het jonge meisje. »Eerst te Moskou heb ik die tijding

vernomen!”

»En desniettegenstaande, hebt ge uwe reis vervolgd!”

»Dat was mijn plicht.”

In dat gezegde was het geheele karakter van het moedige meisje

saamgevat. Nadia aarzelde nooit te doen wat haar plicht was.

Zij sprak toen over haar vader, Wassili Fedor. Het was een geacht

geneesheer uit Riga. Hij oefende zijn beroep met gunstig gevolg uit en

leefde gelukkig te midden der zijnen. Doch zijn lidmaatschap in een

buitenlandsch geheim genootschap bewezen zijnde, kreeg hij bevel om

naar Irkoetsk te vertrekken en de gendarmen, die hem dit bevel

brachten, geleidden hem op staanden voet over de grenzen.

Wassili Fedor had slechts den tijd zijne vrouw, die reeds lijdende was,

te omhelzen, alsmede zijne dochter, die misschien zonder steun zou

blijven, en, weenende over die twee wezens, die hij beminde, vertrok

hij. Sedert twee jaar bewoonde hij de hoofdstad van Oost-Siberië, en

daar oefende hij, maar niet voordeelig, zijn beroep van geneesheer uit.

Niettemin zou hij misschien gelukkig geweest zijn, voor zoover een

banneling zulks kan zijn, indien zijne vrouw en zijne dochter bij hem

hadden kunnen zijn. Maar mevrouw Fedor, reeds zeer verzwakt, zou Riga

niet hebben kunnen verlaten. Twintig maanden na het vertrek van haar

man stierf zij in de armen van hare dochter, die zij alleen en bijna

zonder hulp achterliet. Nadia Fedor vroeg toen en kreeg, zonder moeite,

van het Russische gouvernement verlof, zich naar haar vader te Irkoetsk

te begeven. Zij schreef hem, dat zij vertrok. Nauwelijks had zij de

noodige middelen om die lange reis te maken, en toch aarzelde zij niet

die reis te ondernemen. Zij deed wat zij kon!.... God zou het overige

doen.

Middelerwijl voer de Kaukasus de rivier op. Het was avond geworden, en

de lucht werd door eene heerlijke frischheid bezwangerd. Duizenden

vonken ontsnapten uit den schoorsteen der stoomboot, met pijnboomhout

gestookt en bij het gedruisch van de golven door den voorsteven

gebeukt, mengde zich het gehuil der wolven, die tegen den avond den

rechteroever van de Kama onveilig maakten.

Michael Strogoff · 第 18 / 68 题