Hoewel deze maatregelen zeer noodlottig voor de bijzondere belangen
waren, rechtvaardigden de omstandigheden ze volkomen.
»Verbod aan elk Russisch onderdaan om de provincie te verlaten.” Was
Ivan Ogareff nog in de provincie, dan werd hem belet om zich, althans
niet zonder buitengewoon veel moeielijkheden, bij Feofar-Khan te voegen
en zoodoende werd het Tartaarsche opperhoofd van een geducht luitenant
beroofd.
»Bevel aan alle vreemdelingen van Aziatischen oorsprong om de provincie
binnen vier en twintig uren te verlaten,” dat was met één slag die
handelaars verwijderen, die uit Midden-Azië gekomen waren, alsmede de
bende Zigeuners, die min of meer verwantschap hebben met de Tartaarsche
of Mongoolsche volksstammen, die de jaarmarkt daar vereenigd had.
Zooveel hoofden, zooveel spionnen, en hunne uitzetting werd,
ongetwijfeld, door den stand van zaken geboden.
Men kan zich licht de uitwerking voorstellen van die twee donderslagen,
op de stad Nijni-Novgorod neerkomende, die noodzakelijk meer dan eenige
andere stad in het oog gehouden en getroffen werd.
Aldus konden de landslieden, die voor zaken aan gene zijde der
Siberische grenzen mochten geroepen worden, niet meer, voor het
oogenblik althans, de provincie verlaten. De inhoud van het eerste
artikel van het besluit was uitdrukkelijk. Het liet geene enkele
uitzondering toe. Elk bijzonder belang moest voor het algemeene belang
zwichten.
Wat het tweede artikel van het besluit betrof, het bevel van
uitzetting, dat het bevatte, was ook zonder tegenspraak. Het strekte
zich alleen uit tot die vreemdelingen, welke van Aziatischen oorsprong
waren, maar deze hadden slechts hunne koopwaren in te pakken en terug
te gaan naar de plaats, waar ze van daan gekomen waren. Maar voor die
kwakzalvers, waarvan het aantal zeer groot was, en die meer dan duizend
wersten moesten afleggen om de meest nabijzijnde grens te bereiken, was
het erger.
Ook verhief zich aanstonds, tegen dezen ongewonen maatregel, een gemor
van verzet, een kreet van wanhoop, die de tegenwoordigheid der Kozakken
en de agenten van politie echter dadelijk had onderdrukt.
En aanstonds begon de ontruiming van die uitgestrekte vlakte. De zeilen
voor de tenten gespannen, werden opgerold; de kermisspelen werden
afgebroken; het dansen en het zingen, de vertooningen hielden op, de
vuren werden uitgedoofd, de koorden der koordedansers werden
losgemaakt, de oude, dampige paarden van die zwervende woningen
verwisselden de stallen voor de boomen der wagens. Agenten en soldaten
met de zweep of den stok in de hand, spoorden de achterblijvers aan, en
ontzagen zich niet de tenten af te breken voor dat zelfs de arme
heidens ze verlaten hadden. Klaarblijkelijk zou, onder den invloed
dezer maatregelen, vóor den avond, het plein te Nijni-Novgorod geheel
ontruimd zijn, en op het rumoer van de groote jaarmarkt zou de stilte
van de woestijn volgen.
En nog moet men er bijvoegen, want het was een verplichte verzwaring
dezer maatregelen,—dat aan al deze zwervende volken, de steppen van
Siberië zelfs verboden waren, en er bleef hun niets anders over dan
zich ten zuiden van de Kaspische Zee, hetzij in Perzië, hetzij in
Turkije, hetzij in de vlakten van Turkestan neder te zetten. De
uitgezette posten aan den Oeral en de bergen, die als het ware eene
verlenging van dezen stroom aan de Russische grens vormen, zouden hun
den doortocht niet vergund hebben. Zij moesten een duizendtal wersten
doorloopen, alvorens een vrijen grond onder de voeten te hebben.
Op het oogenblik, waarop het besluit door den politiemeester was
voorgelezen, werd Michael Strogoff door eene overeenkomst getroffen,
welke instinctmatig in zijn geest oprees.
»Zonderlinge overeenkomst,” dacht hij, »tusschen dit besluit, dat de
vreemdelingen, uit Azië afkomstig uitdrijft, en de woorden die ’s
nachts tusschen die twee heidens gewisseld werden. »Het is de Vader
zelf, die ons zendt waar wij heen willen gaan,” zeide die grijsaard. De
»Vader” dat is de Keizer! Men noemt hem onder het volk niet anders. Hoe
konden deze heidens den maatregel, die tegen hen genomen werd,
vooruitzien, hoe hebben zij het vooruit geweten, en waar willen zij dus
heen? Het komt mij voor dat dit verdachte lui zijn, voor wie het
besluit van den gouverneur eer vóór- dan nadeelig zal zijn.”
Deze zeer juiste opmerking werd opeens afgebroken door eene andere, die
elke andere gedachte uit het brein van Michael Strogoff moest
verdrijven. Hij vergat de heidens, hun verdachte gesprekken, de
zonderlinge overeenkomst, die uit de bekendmaking van het besluit
voortsproot... Het jonge Lijflandsche meisje kwam hem ineens voor den
geest.
»Het arme kind!” riep hij uit. »Zij zal niet meer over de grenzen
kunnen komen!”
Inderdaad het jonge meisje was van Riga, bijgevolg eene Russin; zij kon
dus het Russisch grondgebied niet meer verlaten. Het vrijgeleide, dat
haar vóor de nieuwe maatregelen was afgegeven, was waarschijnlijk niet
meer geldig. Al de wegen van Siberië waren onverbiddelijk voor haar
gesloten, en wat ook de beweegreden mocht zijn, die haar naar Irkoetsk
voerde, het was haar van nu af verboden, er zich heen te begeven.
Deze gedachte hield Michael Strogoff levendig bezig. Hij had dadelijk,
zoo bij zichzelf gezegd, dat het hem, zonder iets aan zijn belangrijke
zending te kort te doen, misschien mogelijk zou zijn, dat arme meisje
tot steun te kunnen verstrekken, en die gedachte had hem toegelachen.
De gevaren kennende, die hij persoonlijk zou moeten trotseeren, een
krachtvolle en sterke man, in een land, waarvan de wegen hem zeer
bekend waren, zoo kon hij niet ontkennen, dat deze gevaren oneindig
vreeselijker waren voor een jong meisje. Omdat zij zich naar Irkoetsk
begaf, zou zij denzelfden weg als hij moeten volgen; zou zij verplicht
zijn zich door de horden overweldigers een weg te banen, zooals hij dat
zelf ook moest beproeven. Indien zij daarenboven, hetgeen
allerwaarschijnlijkst was, slechts de noodige hulpmiddelen voor eene
reis onder gewone omstandigheden tot hare beschikking had, hoe zou zij
die kunnen volbrengen onder omstandigheden die de gebeurtenissen niet
alleen gevaarlijk, maar ook kostbaar zouden maken.
»Welnu,” had hij tot zich zelf gezegd, »daar zij den weg over Perm
neemt, is het bijna onmogelijk, dat ik haar niet ontmoet. Ik zal dus
voor haar kunnen waken, zonder dat zij het vermoedt, en, daar het mij
voorkomt dat zij evenveel haast heeft als ik, om te Irkoetsk aan te
komen, zal zij mij geen oponthoud veroorzaken.”
Maar de eene gedachte brengt de andere voort.
Michael Strogoff had tot dusverre geredeneerd in de veronderstelling
eene goede daad te kunnen verrichten, een goeden dienst te bewijzen. Er
kwam bij hem een nieuwe gedachte op, en de vraag deed zich bij hem
onder eene geheel andere gedaante voor.
»Inderdaad,” zeide hij, »ik zou haar misschien meer noodig kunnen
hebben, dan zij mij. Hare tegenwoordigheid kan mij niet nutteloos zijn,
en zou kunnen dienen, om elke verdenking van mij weg te nemen. In den
man, die alléen door de steppen trekt, zou men veel gemakkelijker den
koerier van den czaar vermoeden. Indien dat jonge meisje mij echter
vergezelt, zal ik in aller oogen veel meer de Nicolaas Korpanoff van
mijn podaroshna zijn. Zij moet mij dus vergezellen! Ik moet haar, wat
het ook kosten moge, terugvinden! Het is niet waarschijnlijk dat zij
zich sedert gisteren avond eenig rijtuig heeft weten te verschaffen om
Nijni-Novgorod te verlaten. Laat ons haar dus zoeken en dat God mij
geleide!”
Michael Strogoff verliet het groote plein van Nijni-Novgorod, waar het
rumoer op dit oogenblik, door de uitvoering der voorgeschreven
maatregelen voortgebracht, zijn hoogste punt had bereikt.
Tegenpruttelen der verbannen vreemdelingen, geschreeuw der agenten en
Kozakken, die hen grof behandelden, veroorzaakte een onbeschrijfelijk
rumoer. Het jonge meisje, dat hij zocht, kon daar niet zijn.
Het was negen uur in den morgen. De stoomboot vertrok eerst om twaalf
uur. Michael Strogoff had dus ongeveer twee uren om haar terug te
vinden, die hij tot zijn reisgenoote wilde maken. Hij trok opnieuw de
Wolga over, en doorliep de wijken van den anderen oever, waar de volte
aanmerkelijk minder was. Hij doorzocht om zoo te zeggen, straat voor
straat, de boven- en de benedenstad. Hij ging de kerken binnen, de
natuurlijke toevlucht van hen die weenen en lijden. Nergens ontmoette
hij het jonge Lijflandsche meisje.
»En evenwel,” hernam hij, »kan zij onmogelijk Nijni-Novgorod verlaten
hebben. Laat ik dus blijven zoeken.”
Michael Strogoff dwaalde zoo gedurende twee uren rond. Hij liep zonder
ophouden, hij voelde geen vermoeienis, hij gehoorzaamde aan een
dringend gevoel, dat hem niet meer veroorloofde na te denken. Alles
vruchteloos.
Toen kwam bij hem de gedachte op dat het jonge meisje geen kennis van
het besluit had,—evenwel hoogst onwaarschijnlijk,—want zulk een
donderslag had niet kunnen losbarsten zonder door iedereen gehoord te
worden. Hoe zou zij, die zooveel belang had om het geringste nieuws uit
Siberië te weten, onbekend hebben kunnen blijven met de maatregelen
door den gouverneur genomen, maatregelen die haar zoo rechtstreeks
troffen.
Maar, indien zij er onbekend mede was, moest zij, binnen eenige uren,
aan de aanlegplaats komen, en daar zou een onverbiddelijke agent haar
kortaf den overtocht weigeren. Het was dus noodzakelijk dat Michael
Strogoff haar vóor dien tijd zag opdat hij, door zijne tusschenkomst,
die weigering zou kunnen voorkomen.
Maar zijn zoeken was vruchteloos, en hij moest weldra elke hoop opgeven
om haar terug te vinden.
Het was toen elf uur. Hoewel het in elke andere omstandigheid onnoodig
geweest zou zijn, dacht Michael Strogoff er aan zijn podaroshna aan het
bureau van den politiemeester te vertoonen.
Het besluit kon wel geen betrekking op hem hebben, omdat in dat geval
voor hem voorzien was, maar hij wilde zekerheid hebben dat niets zich
tegen zijn vertrek uit de stad zou kunnen verzetten.
Michael Strogoff moest dus naar den anderen oever van de Wolga
terugkeeren, naar de wijk waar zich de bureaux van den politiemeester
bevonden.
Daar was een groote toeloop, want, ofschoon de vreemdelingen bevel
hadden gekregen de provincie te verlaten, waren zij evenwel, vóor te
kunnen vertrekken, aan zekere formaliteiten onderworpen. Zonder deze
voorzorgsmaatregelen zou een of andere Rus, min of meer in de
Tartaarsche beweging betrokken, dank zij eene vermomming, de grenzen
kunnen overtrekken,—hetgeen het besluit juist zocht te voorkomen. Men
werd weggezonden, maar toch had men verlof noodig om te kunnen gaan.
Potsenmakers, heidens, vermengd onder kooplieden van Perzië, Turkije,
Indië, Turkestan, China bestormden de binnenplaats en de bureaux van
het politiehuis. Iedereen haastte zich, want de middelen van vervoer
zouden zeer gezocht worden door die menigte uitgezette lieden van
allerlei aard, en zij, die te laat kwamen, liepen groot gevaar van op
den bepaalden tijd, de stad niet te kunnen verlaten,—hetgeen hun zou
blootstellen aan eene barsche tusschenkomst der agenten van den
gouverneur.
Michael Strogoff, kon, dank zij de kracht zijner ellebogen, de
binnenplaats oversteken. Maar de bureaux binnen te komen en het raampje
der beambten te bereiken, dat was een moeielijker werk. Doch een enkel
woord, dat hij in ’t oor van een inspecteur fluisterde, en eenige op
zijn tijd gegeven roebels vermochten hem een doortocht te banen.
Na hem in de wachtkamer binnengelaten te hebben, ging de agent een
hoofdbeambte roepen. Michael Strogoff zou nu weldra aan de
politieverordeningen voldaan hebben en vrij in zijne bewegingen zijn.
Middelerwijl keek hij om zich heen, en wat zag hij?
Hij zag daar op eene bank, eerder neergevallen dan neergezeten, een
jong meisje, aan eene stille wanhoop ten prooi, ofschoon hij nauwelijks
haar gelaat kon zien, waarvan slechts de omtrek zich op den muur
afteekende.
Michael Strogoff had zich niet vergist. Hij had het jonge Lijflandsche
meisje herkend. Niets van het besluit van het gouvernement afwetende,
was zij naar het bureau van politie gekomen om haar vrijgeleide te
laten afteekenen!.... Men had haar het visum geweigerd! Buiten twijfel
had zij vergunning om zich naar Irkoetsk te begeven, doch het besluit
was stellig, het deed alle vroegere vergunningen te niet en al de wegen
naar Siberië waren dus voor haar gesloten.
Michael Strogoff, zeer gelukkig haar eindelijk weergevonden te hebben,
naderde het jonge meisje.
Dit zag hem een oogenblik aan, en haar gelaat werd, bij het wederzien
van haren reisgenoot, door een vluchtigen glans opgeklaard. Zij stond
instinctmatig op, en als een schipbreukeling, die zich aan een stuk
wrakhout vastklemt, ging zij hem bijstand vragen.
Op dit oogenblik tikte de agent Michael Strogoff op den schouder.
»De politiemeester wacht u,” zeide hij.
»Goed,” antwoordde Michael Strogoff.
En, zonder een woord tot haar te zeggen, die hij sedert den vorigen dag
zoo gezocht had, zonder haar gerust te stellen door een wenk, die haar
en hemzelf in verdenking had kunnen brengen, volgde hij den agent door
de dichte groepen heen.
Het jonge Lijflandsche meisje, hem, de eenige die haar misschien te
hulp had kunnen komen, ziende verdwijnen, viel weer op hare bank neer.
Nog geen drie minuten waren er verloopen of Michael Strogoff trad weder
de wachtkamer binnen, vergezeld door een agent.
Hij hield zijn podaroshna, dat hem de wegen naar Siberië opende in de
hand.
Hij naderde toen het jonge Lijflandsche meisje en haar de hand
toereikende, zeide hij:
»Zuster....”
Zij begreep hem! Zij stond op, alsof eene of andere plotselinge
ingeving haar niet toeliet om te aarzelen!
»Zuster,” herhaalde Michael Strogoff, »wij zijn gemachtigd om onze reis
naar Irkoetsk voort te zetten. Gaat ge mee?”
»Ja, broer,” antwoordde het jonge meisje, terwijl zij Michael Strogoff
de hand gaf.
En beide verlieten het politiebureau.