EEN BESLUIT IN TWEE ARTIKELEN.

Nijni-Novgorod, of Laag Novgorod, gelegen aan de samenvloeiing van de

Wolga en de Oka, is de hoofdplaats van het gouvernement van dien naam.

Daar moest Michael Strogoff den trein verlaten, die op dit tijdstip

niet verder ging. Naarmate hij dus vorderde, werden de middelen van

vervoer minder snel, vervolgens minder veilig.

Nijni-Novgorod, dat gewoonlijk niet meer dan dertig à vijf en dertig

duizend inwoners telt, bevatte er nu meer dan drie honderd duizend, dat

wil zeggen, dat zijne bevolking was vertienvoudigd.

Deze vermeerdering was het gevolg van de beroemde jaarmarkt, die

gedurende drie weken binnen hare muren gehouden wordt. Vroeger was het

Makariew, dat voordeel trok van dezen toeloop van kooplieden, maar

sedert 1817 is de jaarmarkt naar Nijni-Novgorod verlegd.

De stad, gewoonlijk vrij doodsch, vertoonde dus nu eene buitengewone

levendigheid. Tien verschillende rassen van kooplieden, Europeanen of

Aziaten, verbroederden zich onder den invloed van

handelsaangelegenheden.

Hoewel het vrij laat was, toen Michael Strogoff het station verliet,

was er nog veel volk op de been in deze twee steden, door den loop der

Wolga gescheiden, die Nijni-Novgorod bevat, en waarvan het hoogere

gedeelte, op eene steile rots gebouwd, verdedigd wordt door een dier

forten, in Rusland »Kreml” genoemd.

Indien Michael Strogoff genoodzaakt was geweest te Nijni-Novgorod te

overnachten, zou hij eenige moeite gehad hebben, een geschikt hotel of

zelfs eene herberg te vinden. Alles was bezet. Daar hij evenwel niet

aanstonds kon vertrekken, omdat hij de stoomboot van de Wolga moest

nemen, moest hij naar een of ander verblijf omzien. Maar van te voren

wilde hij nauwkeurig het uur van vertrek weten, en hij begaf zich naar

de bureaux der maatschappij, wier schepen dienst doen tusschen

Nijni-Novgorod en Perm. Daar vernam hij, tot zijne groote spijt, dat de

Kaukasus—dat was de naam der stoomboot—niet eerder dan den volgenden

dag, ’s middags, naar Perm vertrok. Zeventien uren wachten! Dat was

onaangenaam voor een man, die zoo gehaast was, en toch moest hij er

zich in schikken. Dat deed hij ook, want hij pruttelde nooit onnoodig.

Daarenboven zou, in de tegenwoordige omstandigheden, geen rijtuig,

telega of tarentass, berline of postwagen, noch eenig paard, hem

spoediger gebracht hebben, hetzij naar Perm of naar Kazan. Het was dus

beter om het vertrek van den stoomboot af te wachten, een sneller

vervoermiddel dan elk ander, en die hem den verloren tijd zou doen

inhalen.

Ziedaar dus Michael Strogoff, naar de stad gaande, zonder zich al te

angstig te maken, een herberg opzoekende, ten einde te overnachten.

Doch hierover bekommerde hij zich weinig, en zonder den honger, die hem

kwelde, zou hij waarschijnlijk tot den morgen door de straten van

Nijni-Novgorod gedwaald hebben. Hetgeen hij dus zocht was een

avondmaal, eerder dan een bed. Doch beiden vond hij daar, waar het

uithangbord »de stad Constantinopel” uithing. De logementhouder gaf hem

daar eene vrij goede kamer, schraaltjes gemeubileerd, maar waaraan het

beeld van de Heilige Maagd niet ontbrak, noch de portretten van enkele

heiligen, voor wie een met goud geborduurde stof tot lijst diende. Eene

eend met zuur gehakt gevuld, in dikke room zwemmende, gerstebrood,

gestremde melk, fijne suiker met kaneel vermengd, een pot kwass, eene

soort bier, in Rusland zeer algemeen, werden hem dadelijk voorgezet, en

hij had meer dan noodig was om zijn honger te stillen. Hij verzadigde

zich dus en beter dan zijn tafelbuur, die, in hoedanigheid van

oud-geloovige, van de sekte der Raskolniks, eene belofte van onthouding

afgelegd hebbende, de aardappelen van zijn bord wegwierp en zich wel

wachtte suiker in zijne thee te doen.

Toen zijn avondmaal afgeloopen was, hernam Michael Strogoff, in plaats

van naar zijne kamer te gaan, onwillekeurig zijne wandeling door de

stad, maar hoewel de lange schemering nog voortduurde, verdween de

menigte, werden de straten langzamerhand leeg en zocht ieder zijn

verblijf op.

Waarom had Michael Strogoff zich maar niet eenvoudig naar bed begeven,

zooals het betaamt na den geheelen dag in het spoor doorgebracht te

hebben? Dacht hij aan het jonge Lijflandsche meisje, dat gedurende

eenige uren zijne reisgenoote geweest was? Niets beter te doen

hebbende, dacht hij aan haar. Vreesde hij, dat zij, in die woelige stad

als verloren, misschien bloot zou staan aan eene beleediging? Hij

vreesde zulks en hij had er reden voor. Hoopte hij haar dan terug te

zien, en desnoods haar tot beschermer te dienen? Neen. Haar te

ontmoeten was moeilijk. Wat het beschermen aangaat.... met welk recht?

»Alléen,” zeide hij bij zich zelf, »alléen, te midden van dat zwervende

volk! En daarentegen zijn de tegenwoordige gevaren niets in

vergelijking van die, waaraan zij nog kan blootstaan!”

»Siberië! Irkoetsk! Hetgeen ik voor Rusland en de czaar ga beproeven,

doet zij voor.... voor wie? voor wat? Zij heeft het recht om over de

grenzen te gaan en het land aldaar is in opstand! Tartaarsche benden

loopen de steppen af!....”

Michael Strogoff bleef van tijd tot tijd stilstaan en begon na te

denken.

»Zonder twijfel, dacht hij, is dat reisplan bij haar opgekomen vóor den

inval. Misschien is zij zelfs onwetend van hetgeen er omgaat!.... Maar

neen, de kooplieden hebben in hare tegenwoordigheid over de onlusten in

Siberië gesproken.... en zij was volstrekt niet verwonderd.... zij

heeft zelfs geene enkele uitlegging gevraagd.... Maar zij wist het dus

en zulks wetende gaat zij!.... Het arme meisje!.... het schijnt dat de

beweegreden wel machtig moet wezen! Maar hoe moedig zij ook is—en zij

is het zeer zeker,—zullen hare krachten haar op weg begeven, en zonder

nog te spreken over de gevaren en de hinderpalen, kan zij onmogelijk de

vermoeienissen van zulk eene reis verdragen!... Nooit zal zij Irkoetsk

kunnen bereiken!”

Intusschen liep Michael Strogoff op goed geluk af rond, maar daar hij

de stad volkomen kende, kon het terugvinden van den weg voor hem geen

zwarigheid opleveren.

Na ongeveer een uur geloopen te hebben ging hij op eene bank zitten,

staande tegen eene houten tent, die zich te midden van meer anderen op

een groot plein bevond.

Hij zat daar ongeveer vijf minuten, toen een hand vrij ruw op zijn

schouder neerkwam.

»Wat doet gij daar?” vroeg hem de ruwe stem van een langen kerel, dien

hij niet had zien aankomen.

»Ik rust uit,” hernam Michael Strogoff.

»Zoudt gij plan hebben om den nacht op deze plank door te brengen?”

hernam de man.

»Ja, wanneer mij zulks bevalt,” hernam Michael Strogoff op een

eenigszins te scherpen toon voor den eenvoudigen koopman, dien hij

moest zijn.

»Nader dan, dat men u zien kan!” zeide de man.

Michael Strogoff, zich herinnerende dat hij bovenal voorzichtig moest

zijn, ging werktuiglijk terug.

»Het is niet noodig mij te zien,” hernam hij.

En hij trok bedaard een tiental passen achteruit.

Dien kerel goed opnemende, kwam het hem voor dat hij te doen had met

eene soort van zigeuner, zooals men die op alle kermissen aantreft, en

met wien het niet aangenaam is, in stoffelijke of zedelijke aanraking

te komen. Vervolgens, meer nauwkeurig in de duisternis kijkende, die

langzamerhand dichter werd, bemerkte hij in de nabijheid van de tent

een grooten wagen, dat gewone en beweeglijke verblijf der heidens, die

in Rusland krioelen, overal waar eenige kopeken te verdienen zijn.

Ondertusschen had de zigeuner twee à drie passen naar voren gedaan en

was hij voornemens om Strogoff meer bepaald te ondervragen, toen de

deur van de tent openging.

Eene vrouw, nauwelijks zichtbaar, naderde haastig, en in een vrij ruwen

tongval, dien Strogoff hield voor een mengsel van Mongoolsch en

Siberisch, zeide zij:

»Al weer een spion! laat hem gaan en kom eten, de papluka [3] is

klaar.”

Michael Strogoff kon niet nalaten te glimlachen over de benaming die

men hem gaf, aan hem die voor spionnen in ’t bijzonder bevreesd was.

Maar in dezelfde taal, hoewel de uitspraak van den spreker, zeer

verschillend was van die der vrouw, antwoordde de zigeuner met eenige

woorden die beteekenden:

»Gij hebt gelijk, Sangarre! morgen zijn wij toch vertrokken!”

»Morgen?” hernam de vrouw zeer zacht op een toon, die eene zekere

verwondering aanduidde.

»Ja, Sangarre,” antwoordde de zigeuner, »morgen, en het is de Vader

zelf, die ons zendt, waar wij willen heengaan!”

Daarop gingen man en vrouw de tent binnen, waarvan de deur zorgvuldig

gesloten werd.

»Mooi!” zeide Strogoff, »indien deze zigeuners niet begrepen willen

worden, wanneer zij onder elkander spreken, raad ik hun aan zich van

eene andere taal te bedienen.”

In zijne hoedanigheid van Siberiër en door zijne kindsheid in de

steppen doorgebracht te hebben, verstond Michael Strogoff bijna al de

tongvallen, in zwang van Tartarije tot aan de IJszee.

Wat de juiste beteekenis betreft der woorden tusschen den zigeuner en

zijne vrouw gewisseld, daar brak hij zijn hoofd niet mee. In hoever kon

dit hem ook belang inboezemen?

Daar het reeds vrij laat was dacht hij er over om naar zijn logement

terug te keeren, ten einde daar eenige rust te nemen. Hij stond op en

volgde den loop der Wolga, waarvan de wateren verdwenen onder de

sombere massa van ontelbare schepen. De richting van de rivier deed hem

de plaats herkennen die hij verlaten had. Deze opeenhooping van karren

en van tenten nam juist het uitgestrekte plein in, waar elk jaar de

voornaamste jaarmarkt van Nijni-Novgorod gehouden werd,—hetgeen de

verzameling, hier ter plaatse, van goochelaars en zigeuners, uit alle

hoeken der wereld toegestroomd, ophelderde.

Michael Strogoff sliep een uur daarna eenigszins onrustig op een van

die Russische bedden die de vreemdelingen zoo hard vinden, en den

volgenden morgen, 17 Juli ontwaakte hij toen het reeds lang dag was.

Nog vijf uren te Novgorod te moeten doorbrengen, dat scheen hem eene

eeuw toe. Wat kon hij uitvoeren om dezen morgen klein te krijgen, niets

anders dan even als den vorigen dag door de straten van de stad te gaan

dwalen.

Na ontbeten, zijn reiszak toegemaakt te hebben en zijn podaroshna aan

het politiebureau te hebben laten afteekenen, zou niets hem belet

hebben om te vertrekken. Maar er de man niet naar zijnde om na

zonsopgang op te staan, verliet hij zijn bed, kleedde zich aan en

verborg zeer zorgvuldig den brief met het keizerlijke wapen in een zak,

die in de voering van zijne tunica gemaakt was, en waarover hij zijn

gordel vastmaakte; vervolgens sloot hij zijn reiszak en bevestigde hem

op zijn rug. Dit gedaan hebbende en niet meer in »de stad

Constantinopel” willende terugkeeren en er op rekenende aan de oevers

van de Wolga, in de nabijheid van de aanlegplaats te ontbijten,

betaalde hij en verliet het logement.

Uit groote bezorgdheid begaf Michael Strogoff zich dadelijk naar de

bureaux van de stoomschepen, en daar vergewiste hij zich dat de

Kaukasus werkelijk op het bepaalde uur vertrok. Voor de eerste maal

kwam bij hem de gedachte op, daar het jonge Lijflandsche meisje de

route over Perm moest nemen, dat het zeer mogelijk zou kunnen zijn, dat

het ook haar plan was plaats te nemen op de Kaukasus; in welk geval

Michael Strogoff er op rekenen kon met haar de reis te maken.

De bovenstad met haar Kremlin, waarvan de omtrek twee wersten lang is,

en ’t welk op dat van Moskou gelijkt, was toen zeer verlaten. De

gouverneur woonde er zelfs niet meer. Maar, zoo doodsch de bovenstad

was, zoo levendig was de benedenstad.

Nadat Michael Strogoff op eene schipbrug de Wolga was overgetrokken,

bewaakt door Kozakken te paard, kwam hij op de plaats, waar hij den

vorigen avond in aanraking was geweest met een of ander zigeunerkamp.

Het was even buiten de stad waar deze jaarmarkt te Nijni-Novgorod

gehouden werd, waarmede die van Leipzig zelfs niet kon wedijveren. Op

eene groote vlakte, aan gene zijde van de Wolga gelegen, verhief zich

het tijdelijk paleis van den Gouverneur-Generaal, die daar op hooger

bevel moet verblijfhouden, gedurende den geheelen tijd van de

jaarmarkt, die, dank de bestanddeelen waaruit zij is samengesteld, eene

onophoudelijke bewaking noodzakelijk maakt.

Op deze vlakte stonden toen houten kramen, regelmatig op zoodanige

wijze geplaatst, dat er vrij breede lanen tusschen beide waren, om aan

de menigte het rondloopen gemakkelijk te maken. Eene zekere verzameling

dezer kramen van allerlei grootte en verschillenden vorm, maakte eene

verschillende wijk uit, bestemd voor een bijzonderen tak van handel. Er

waren: de wijk voor ijzerwaren, de wijk voor pelterijen, de wijk voor

wol, de wijk voor hout, de wijk voor geweefde goederen, de wijk voor

gedroogde visch, enz.

Eenige huizen waren zelfs vervaardigd uit bouwstoffen van de

zonderlingste soort; sommige uit pakjes thee in den vorm van klinkers,

andere met blokken steen uit gezouten vleesch bestaande, dat wil

zeggen, uit de monsters der koopwaren, welke hunne eigenaars er aan de

koopers sleten. Eene zonderlinge wijze om artikelen aan te bevelen, min

of meer Amerikaansch.

In die lanen en gangen was, daar de zon reeds hoog boven den

gezichteinder stond, omdat zij dien morgen voor vier uur was opgegaan,

de toeloop van menschen bereids zeer aanzienlijk. Russen, Siberiërs,

Duitschers, Kozakken, Turkomannen, Perzen, Georgiërs, Grieken,

Ottomannen, Hindoes, Chineezen,—een zonderling mengelmoes van

Europeanen en Aziaten,—praatten, twistten, redekavelden en handelden.

Alles wat te koopen en te verkoopen was, scheen op dit plein opgehoopt

te zijn. Sjouwerlieden, paarden, kameelen, ezels, booten, karren, alles

wat noodig is tot verzending der koopwaren was op dit kermisveld

opeengehoopt. Pelterijen, kostbare steenen, zijden stoffen, Indische

shawls, Turksche tapijten, wapenen van den Kaukasus, geweefde goederen

van Smyrna of Ispahan, wapenrustingen uit Tiflis, karavanen-thee,

Europeesche bronzen, Zwitsersche uurwerken, fluweelen en zijden stoffen

van Lyon, Engelsche katoenen, rijtuigbenoodigdheden, vruchten,

groenten, ertsen uit het Oeral-gebergte, malachieten, lazuursteen,

welriekende kruiden, reukwerk, geneeskrachtige planten, hout, teer,

touwwerk, horens, pompoenen, watermeloenen, enz., al de voortbrengselen

van Indië, China, Perzië, die der Kaspische en Zwarte Zee, die van

Amerika en Europa waren op dit punt van den aardbol vereenigd.

Het was een beweging, een opgewondenheid, een gedrang, een verward

geschreeuw, waarvan men zich geen denkbeeld kan maken; de inboorlingen

toch der lagere volksklasse waren zeer opdringend, en de vreemdelingen

gaven hun op dat punt niets toe. Er waren daar kooplieden uit

Midden-Azië, die een jaar noodig hadden gehad om die uitgestrekte

vlakten door te trekken, hun koopwaren medevoerende, en die in geen

jaar noch hunne winkels, noch hunne kantoren terug zouden zien. Maar

zoo groot is het gewicht van die jaarmarkt van Nijni-Novgorod, dat het

cijfer der handelsomzettingen niet meer of minder dan honderd millioen

roebel bedroeg.

Verder was het op de pleinen tusschen de wijken van deze in een oogwenk

verrezen stad, een opeenhooping van goochelaars van allerlei aard,

kwakzalvers, koordedansers, oorverdoovend door het gekras van hun

orchesten en het geschreeuw bij hun vertooning; Zigeuners, uit de

bergen gekomen en waarzeggende aan de domkoppen van een telkens

vernieuwd publiek; Zingaris of Tsiganen,—de naam dien de Russen geven

aan de Gypsies, de afstammelingen der Kophten,—hun sterkst gekleurde

liedjes zingende en de meest oorspronkelijke dansen uitvoerende;

troepen reizende komedianten, drama’s van Shakespeare voorstellende, in

overeenstemming gebracht met den smaak der toeschouwers, die er in

menigte naar toe stroomden. Vervolgens leidden, in de lange lanen,

vertooners van beren hun viervoetige equilibristen in vrijheid rond;

weergalmden beestenspellen van het gebrul der dieren, aangehitst door

de striemende slagen der zweep of door de gloeiende stang van den

temmer; eindelijk bootste in het midden van het groote middelplein,

omringd van een vierdubbelen kring van opgewonden liefhebbers, een koor

van »hunne bootslieden der Wolga” gezeten op den grond, evenals op het

dek van hun booten, het roeien na, onder den dirigeerstok van den

kapelmeester, een echt stuurman van dit denkbeeldige vaartuig!

Zonderlinge en bekoorlijke gewoonte! Boven de hoofden van deze menigte

ontsnapte een vlucht vogels uit de kooien, waarin men ze meegebracht

had. Volgens een oud gebruik, openden, op de jaarmarkt van

Nijni-Novgorod, in ruil tegen eenige kopeken, door goede zielen

liefderijk aangeboden, de cipiers de deur voor hun gevangenen, en bij

honderden vlogen zij vroolijk tjilpende weg.

Zoodanig was het gezicht van de vlakte; zoo zou het zijn gedurende tien

weken dat de beroemde jaarmarkt te Nijni-Novgorod duurde. Na dat

oorverdoovende tijdperk, zou het geweldige geraas als door een

tooverslag verdwijnen, de bovenstad haar deftig ambtelijk karakter

hernemen, de benedenstad weer in haar gewone eentonigheid vervallen, en

van al dien buitengewonen toevloed van kooplieden, behoorende tot al de

streken van Europa en Middel-Azië, zou er geen enkel verkooper

overblijven, die nog iets te verkoopen, noch een enkele kooper die nog

iets te koopen had.

Het is noodig hierbij te voegen, dat dezen keer ten minste, Frankrijk

en Engeland op de jaarmarkt te Nijni-Novgorod elk vertegenwoordigd

waren, door twee der uitmuntendste voortbrengsels van de nieuwerwetsche

beschaving, de heeren Harry Blount en Alcide Jolivet.

Inderdaad waren de twee verslaggevers daarheen gekomen om er indrukken

in het belang hunner lezers te verzamelen, en zij besteedden zoo goed

mogelijk de weinige uren die zij te verliezen hadden, want ook zij

zouden op de Kaukasus plaats nemen. Zij ontmoetten elkander juist op

het kermisveld, en waren er niet erg verbaasd over, omdat eenzelfde

instinct hen op hetzelfde spoor moest voeren, maar ditmaal spraken zij

elkander niet aan, en bepaalden zij zich tot een vrij koelen groet.

Alcide Jolivet, van nature een optimist, vond, dat alles redelijk ging,

en daar het toeval hem gelukkig tafel en huisvesting had verschaft, had

hij in zijn notitieboekje eenige voor de stad Nijni-Novgorod bijzonder

vleiende opmerkingen neergeschreven. Harry Blount zag zich daarentegen,

na te vergeefs gezocht te hebben om een avondmaal machtig te worden,

verplicht onder den blooten hemel te slapen; hij had dus de zaken uit

een geheel ander oogpunt beschouwd, en peinsde over een verpletterend

artikel tegen eene stad, waar de logementhouders weigerden reizigers te

ontvangen, die niets liever verlangden dan naar »lichaam en ziel”

gesneden te worden.

Michael Strogoff met de eene hand in zijn zak, met de andere zijn lange

pijp met een roer van kriekenhout vasthoudende, scheen de meest

onverschillige en minst ongeduldige der menschen te zijn. Evenwel zou

een opmerker, aan zekere samentrekking zijner wenkbrauwen, gemakkelijk

gezien hebben, dat hij zijn leed verborg.

Gedurende twee uren liep hij door de straten van de stad, om altijd op

het kermisveld terug te komen. Door de massa heendringende, merkte hij

op, dat een zekere ongerustheid zich vertoonde onder al de kooplieden,

die uit de naburige streken van Azië gekomen waren. De

handelsomzettingen leden er zichtbaar onder.

Dat potsenmakers, kwakzalvers en koordedansers, voor hun tenten veel

geweld maakten, dat begrijpt zich vanzelf, want die arme duivels hadden

niets in handelsondernemingen te verliezen, maar de kooplieden

aarzelden zich in te laten met de handelaars uit Middel-Azië, wier land

verontrust werd door den inval der Tartaren. Ook was er nog op een

ander verschijnsel te letten. In Rusland vertoont zich, bij elke

gelegenheid, de militaire uniform. De soldaten mengen zich gaarne onder

de menigte en juist te Nijni-Novgorod worden, gedurende de jaarmarkt,

de agenten van politie bijgestaan door een groot aantal Kozakken, die,

met de lans op den schouder, de orde bewaren in deze opeenhooping van

drie honderd duizend vreemdelingen.

Evenwel waren dien dag de militairen, Kozakken of anderen, niet op de

jaarmarkt aanwezig. Ongetwijfeld waren zij, in afwachting van een

spoedig vertrek, in hunne kazernen geconsigneerd.

Maar hoewel zich geen soldaten vertoonden, was zulks niet het geval met

de officieren. Sedert den vorigen dag ijlden adjudanten, uit het paleis

van den gouverneur-generaal komende, in alle richtingen heen. Er was

dus eene ongekende drukte, die alleen door den ernst der gebeurtenissen

te verklaren was. De koeriers vermenigvuldigden zich op de groote

wegen, hetzij naar den kant van Wladimir, hetzij naar den kant van het

Oeral-gebergte. Onophoudelijk werden telegraphische dépêches tusschen

Moskou en St. Petersburg gewisseld. De ligging van Nijni-Novgorod, niet

ver van de Siberische grenzen, vorderde klaarblijkelijk ernstige

voorzorgsmaatregelen. Men mocht niet vergeten, dat de stad in de XIVe

eeuw tweemaal ingenomen was door de voorvaderen van die Tartaren, die

de eerzucht van Feofar-Khan door de Kirgiesche steppen joeg.

Een hoog personage, die het niet minder druk had dan de

gouverneur-generaal, was de politiemeester. Zijne inspecteurs en hij,

belast met het handhaven der orde, het ontvangen der klachten, het

waken voor de uitvoering der reglementen, waren niet stil. De bureaux

der administratie, nacht en dag open, werden onophoudelijk bestormd,

zoowel door de inwoners der stad als door de vreemdelingen, Europeanen

of Aziaten.

Juist bevond Michael Strogoff zich op het middelplein, toen het gerucht

zich verspreidde, dat de politiemeester per koerier ontboden was op het

paleis van den gouverneur-generaal. Een gewichtige dépêche was, zeide

men, uit Moskou aangekomen.

De politiemeester begaf zich naar het paleis van den gouverneur en

aanstonds verspreidde zich, als door een algemeen voorgevoel, het

nieuws, dat een gewichtige, onvoorziene en buitengewone maatregel op

til was.

Michael Strogoff luisterde naar hetgeen gezegd werd, ten einde er, zoo

noodig, zijn voordeel mee te doen.

»Men zal de jaarmarkt sluiten,” zeide de een.

»Het regiment van Nijni-Novgorod heeft order gekregen om te

vertrekken,” antwoordde een ander.

»Men zegt dat de Tartaren Tomsk bedreigen!”

»Daar is de politiemeester,” schreeuwde men van alle kanten.

Plotseling was er een verward geschreeuw ontstaan, dat langzamerhand

verminderde en waarop een volkomen stilzwijgen volgde. Een ieder

voorspelde eene of andere gewichtige mededeeling van gouvernementswege.

De politiemeester verliet, voorafgegaan door zijne agenten, het paleis

van den gouverneur-generaal. Een detachement Kozakken vergezelde hem en

deed de menigte door stooten en duwen op zijde gaan.

De politiemeester verscheen op het middelplein, en een ieder kon zien

dat hij eene dépêche in de hand hield.

Vervolgens maakte hij met luider stem het volgende bekend:

Besluit van het gouvernement van Nijni-Novgorod:

1o. Verbod aan elk Russisch onderdaan, de provincie, om welke reden

ook, te verlaten.

2o. Bevel aan alle vreemdelingen van Aziatischen oorsprong om de

provincie binnen vier en twintig uren te verlaten.

Michael Strogoff · 第 12 / 68 题