De weg, dien Michael Strogoff tusschen Moskou en Irkoetsk ging afleggen
was een afstand van vijf duizend twee honderd wersten (5.523
kilometers.) Toen er nog geen telegraaf tusschen het Oeralgebergte en
de oostelijke grens van Siberië bestond, werd de dienst der dépêches
door koeriers verricht, waarvan de snelste achttien dagen noodig hadden
om zich van Moskou naar Irkoetsk te begeven. Doch dit was eene
zeldzaamheid, en die reis door Aziatisch-Rusland duurde gewoonlijk vier
à vijf weken, ofschoon alle middelen van vervoer ter beschikking dezer
gezanten van den czaar gesteld waren.
Als een man, die noch de koude, noch de sneeuw vreest, had Michael
Strogoff liever in het ruwe winterseizoen gereisd, waarin men over den
geheelen weg van sleden kan gebruik maken. De moeielijkheden aan de
verschillende wijzen van verplaatsing verbonden, zijn dan ten deele
minder geworden, doordat de onmetelijke steppen door de sneeuw effen
gemaakt zijn. Geene wateren meer om over te trekken. Overal de bevroren
vlakke waterspiegel, waarover de slede gemakkelijk en snel glijdt. Wel
zijn in dit jaargetijde misschien zekere natuurverschijnselen te
vreezen, zooals voortdurende dikke mist, buitengemeen strenge koude,
lange en vreeselijke sneeuwjachten, waarin soms geheele karavanen
omkomen. Het gebeurt ook wel dat wolven, door den honger gedreven, de
vlakte bij duizenden bedekken. Doch beter zou het geweest zijn deze
gevaren te loopen, want in dien harden winter zouden de Tartaarsche
overweldigers zich bij voorkeur in de steden gelegerd hebben, zouden
hunne stroopers niet de steppen afgeloopen hebben, zou elke
troepenbeweging ondoenlijk geweest zijn, en zou Michael Strogoff zich
gemakkelijk een weg gebaand hebben. Doch hij had noch tijd, noch uur te
kiezen. Hoe de omstandigheden ook waren, hij moest er zich in schikken
en vertrekken. Zoodanig nu was de toestand dien Michael Strogoff
duidelijk inzag, en hij bereidde er zich op hem het hoofd te bieden.
Vooreerst bevond hij zich niet meer in de gewone omstandigheden van een
koerier van den czaar. Deze hoedanigheid moest zelfs niemand op zijn
weg kunnen vermoeden. In een overmeesterd land wemelt het van spionnen.
Werd hij herkend dan was zijne zending in gevaar gebracht. Ook toen hij
hem eene belangrijke som gaf, die voor zijne reis voldoende moest zijn
en deze in zekere mate gemakkelijk moest maken, had generaal Kissoff
hem geen schriftelijk bevel gegeven, houdende deze vermelding: »Dienst
van den Keizer,” dat de Sesam bij uitnemendheid is. Hij meende dat het
voldoende was hem te voorzien van een »podaroshna.” Dit podaroshna was
gesteld ten name van Nikolaas Korpanoff, koopman, wonende te Irkoetsk.
Het machtigde Nikolaas Korpanoff zich door een of meer personen te doen
begeleiden, wanneer het noodig geacht werd en buitendien was het, door
eene bijzondere aanteekening geldig, zelfs ingeval de Moskovische
gouverneur elk ander onderdaan mocht verbieden Rusland te verlaten.
Het podaroshna was niets anders dan een vrijbrief om postpaarden te
kunnen nemen, doch Michael Strogoff moest er alleen van gebruik maken,
indien de vrijbrief geen gevaar opleverde zijne hoedanigheid verdacht
te maken, dat wil zeggen, zoolang hij zich op Europeeschen bodem
bevond. Uit deze omstandigheid volgde dus, dat hij in Siberië, dat is
te zeggen, wanneer hij de opgestane provinciën zou doortrekken, aan de
poststations niet als heer en meester zou kunnen gebieden, noch zich
voor anderen paarden zou kunnen doen geven, noch de vervoermiddelen
voor zijn persoonlijk gebruik zou kunnen eischen.
Michael Strogoff moest zulks niet vergeten; hij was geen koerier meer,
maar een eenvoudige koopman, Nikolaas Korpanoff, die van Moskou naar
Irkoetsk reisde, en als zoodanig onderworpen aan alle mogelijke
voorvallen van eene gewone reis.
Ongemerkt doortrekken—en wel meer of minder snel,—plaats zijner
bestemming bereiken, dit moest zijn doel zijn.
Voor dertig jaar bestond het geleide van een aanzienlijk reiziger uit
niet minder dan twee honderd Kozakken te paard, twee honderd man
voetvolk, vijf en twintig Baskirsche ruiters, drie honderd kameelen,
vierhonderd paarden, vijf en twintig wagens, twee draagbare booten en
twee stukken geschut. Zoodanig was het materieel voor eene reis door
Siberië gevorderd.
Hij, Michael Strogoff, zou noch stukken geschut, noch ruiters, noch
voetknechten, noch lastdieren hebben. Hij zou per rijtuig of te paard
gaan, wanneer hij zulks kon; te voet, wanneer hij te voet moest gaan.
De veertien honderd eerste wersten (1.493 kilometer) tusschen Moskou en
de Russische grenzen leverden geene moeielijkheid op. Spoorweg,
postwagens, stoombooten, postpaarden waren tot een ieders beschikking,
en, bijgevolg, ter beschikking van den koerier van den czaar.
Dus dienzelfden morgen van den 16den Juli niets meer van zijne uniform
aanhebbende, met een reiszak op den rug, gekleed in een eenvoudig
Russisch kostuum, eene nauwsluitende korte rok met den traditioneelen
gordel van den moejiek, eene wijde broek, laarzen tot aan de knie, met
een riem vastgemaakt, begaf Michael Strogoff zich naar het station, om
den eersten trein te nemen. Hij droeg zichtbaar ten minste, geen
wapenen, maar onder zijn gordel was een revolver verborgen en in zijn
zak een van die groote jachtmessen, die het midden houden tusschen mes
en yatagan, waarmede een Siberische jager een beer den buik weet open
te snijden, zonder zijne kostbare huid te beschadigen.
Er waren veel reizigers aan het station te Moskou. De stations van de
Russische spoorwegen zijn zeer bezochte plaatsen, zoowel door
toeschouwers als door vertrekkenden. Men houdt daar als een kleine
beurs van nieuwstijdingen. De trein, waarin Michael Strogoff plaats nam
moest hem afzetten te Nijni-Novgorod. Daar eindigde op dit tijdstip de
spoorweg, die Moskou met Petersburg verbindende, tot de Russische
grenzen verlengd zou worden. Het was een afstand van vierhonderd
wersten (ongeveer 426 kilometer,) en de trein zou er twaalf uren over
doen. Michael Strogoff, eenmaal te Nijni-Novgorod aangekomen, zou, naar
gelang der omstandigheden, hetzij den landweg, hetzij de stoombooten
van de Wolga nemen, ten einde zoo spoedig mogelijk het Oeralgebergte te
bereiken. Michael Strogoff strekte zich in zijn hoek uit, evenals een
waardig burger die zich niet veel om de wereld bekommert en die al
slapende den tijd zoekt te dooden. Daar hij evenwel niet alleen in den
coupé was, sliep hij slechts met een oog en luisterde met beide ooren.
Inderdaad was het gerucht van den opstand der Kirgiesche horden en van
den inval der Tartaren een weinig uitgelekt. De reizigers met wie het
toeval wilde dat hij de reis maakte, spraken er over, doch niet zonder
eenige omzichtigheid.
Deze reizigers, evenals de meesten van hen die de trein vervoerde,
waren kooplieden die zich naar de beroemde jaarmarkt van Nijni-Novgorod
begaven. Natuurlijk een zeer gemengd gezelschap, samengesteld uit
Joden, Turken, Kozakken, Russen, Georgiërs, Kalmukken en anderen, maar
bijna allen de nationale taal sprekende.
Men besprak het voor en tegen der gewichtige gebeurtenissen, die aan
gene zijde van het Oeralgebergte plaats vonden, en deze kooplieden
schenen te vreezen dat het Russische gouvernement zou genoodzaakt zijn
eenige beperkende maatregelen te nemen, vooral in de grensprovinciën:
maatregelen waaronder de handel zeker zou lijden.
Het moet gezegd worden, deze zelfzuchtigen beschouwden den oorlog, dat
wil zeggen de onderdrukking van den opstand en den strijd tegen den
inval, slechts uit het oogpunt van hunne bedreigde belangen. De
aanwezigheid van een eenvoudig soldaat, gekleed in zijne uniform,—en
men weet, hoe groot in Rusland het gewicht van de uniform is,—zou zeker
voldoende geweest zijn om dezen kooplieden den mond te snoeren. Doch in
den coupé, waarin Michael Strogoff zich bevond, deed niets de
tegenwoordigheid van een militair vermoeden, en de koerier van den
czaar, verplicht om onbekend te blijven, was er den man niet naar om
zich te verraden.
Hij luisterde dus.
»Men beweert dat de thee door karavanen aangebracht naar de hoogte
gaat,” zeide een Pers, die te herkennen was aan zijne muts van astrakan
en aan zijn bruinen tabbaard met breede plooien, die door het vele
wrijven versleten was.
»O! de thee heeft niets van de daling te vreezen,” antwoordde een oude
Jood met een norsch gezicht. »De thee, die op de markt van
Nijni-Novgorod komt, zal gemakkelijk naar het westen verzonden worden,
maar dat zal het geval niet zijn met de tapijten van Bokhara.”
»Hoe dan! Ge verwacht dus eene bezending van Bokhara?” vroeg de Pers.
»Neen, maar eene bezending van Samarkand, en zij is daarom des te meer
blootgesteld! Hoe kan men rekenen op verzendingen uit een land dat van
Khiva tot de grenzen van China in opstand is!”
»Goed!” antwoordde de Pers, »wanneer de tapijten niet aankomen, dan
veronderstel ik dat de wissels ook niet zullen aankomen!”
»En de winst, God van Israël!” riep de kleine Jood uit, »rekent ge die
voor niets?”
»Gij hebt gelijk,” zeide een andere reiziger, »de artikelen van
Middel-Azië loopen gevaar van op de markt te ontbreken, en dat zal ook
het geval zijn met de tapijten van Samarkand, evenals de wol, en de
oostersche shawls.”
»Hei! pas op, vadertje!” antwoordde een Russisch reiziger met een
spotachtig gelaat. »Ge zult uwe shawls verschrikkelijk vet maken als ge
ze in aanraking brengt met uwe talk.”
»Gij lacht daarmee,” hernam op een scherpen toon de koopman, dien zulk
gekscheren weinig beviel.
»He! wanneer men zich de haren uit het hoofd trok, wanneer men in zak
en asch ging zitten,” antwoordde de reiziger, »zou dat den loop der
zaken dan veranderen? Neen! even zoo min als den prijs der koopwaren!”
»Men kan wel merken dat gij geen koopman zijt!” hernam de kleine Jood.
»Jongen neen, waarde afstammeling van Abraham! Ik verkoop noch hop,
noch dons, noch honig, noch was, noch hennipzaad, noch gezouten
vleesch, noch kaviaar, noch hout, noch wol, noch lint, noch hennep,
noch vlas, noch marokijn, noch pelterijen!....”
»Maar koopt ge er?” vroeg de Pers, den reiziger in de rede vallende.
»Zoo min mogelijk, en alleen voor eigen gebruik,” antwoordde deze
knipoogende.
»Dat is een grappenmaker,” zeide de Jood tot den Pers.
»Of een spion,” antwoordde deze fluisterende. »Laat ons op onze hoede
zijn, en laten wij niet meer spreken dan noodig is! De politie is
tegenwoordig niet gemakkelijk, en men weet al niet met wie men reist!”
In een anderen hoek van den coupé sprak men een beetje minder over
handelsproducten, maar een weinig meer over den inval der Tartaren en
over zijn droevige gevolgen.
»De Siberische paarden zullen weldra opgeëischt worden,” zeide een
reiziger, »en het verkeer tusschen de verschillende provinciën van
Middel-Azië zal zeer moeielijk worden.”
»Is het zeker,” vroeg hem zijn buurman, »dat de Kirgiezen van de
middel-horde, gemeene zaak met de Tartaren gemaakt hebben?”
»Men zegt het,” antwoordde de reiziger zacht, »maar wie kan zich vleien
iets in dit land te weten!”
»Ik heb hooren spreken van het samentrekken van troepen op de grenzen.
De Kozakken van den Don zijn reeds aan de Wolga verzameld, en zullen
weldra tegen de Kirgiezen optrekken.”
»Indien de Kirgiezen de Irtisch afgezakt zijn, dan moet de weg naar
Irkoetsk niet meer veilig zijn!” merkte zijn buurman op. »Trouwens,
gisteren heb ik een telegram naar Krasnoïarsk willen verzenden, en het
heeft niet door kunnen gaan. Het is te vreezen, dat de Tartaarsche
troepen, binnen kort, oostelijk Siberië zullen afgesneden hebben!”
»In éen woord, vadertje,” hernam de eerste spreker, »de kooplieden
hebben reden van ongerust te zijn, omtrent hun handel. Na de paarden
opgeëischt te hebben, zal men de booten, de wagens, al de middelen van
vervoer opeischen, totdat men over de geheele uitgestrektheid van het
rijk geen stap meer zal mogen doen.”
»Ik vrees zeer, dat de jaarmarkt te Nijni-Novgorod niet zoo schitterend
zal eindigen, als zij begonnen is!” hernam de tweede spreker, het hoofd
schuddende. »Doch de veiligheid en de onschendbaarheid van den
Russischen bodem boven alles. De zaken zijn maar de zaken!”
Zoo in dezen coupé het onderwerp van de bijzondere gesprekken weinig
verschilde, evenzoo was dit het geval in de andere rijtuigen van den
trein; maar overal zou een opmerker eene buitengewone omzichtigheid
waargenomen hebben in de gesprekken, die de reizigers onder elkander
wisselden. Wanneer zij zich somwijlen op het gebied der feiten waagden,
gingen zij nooit zoo ver om de inzichten van het Moskovisch
gouvernement te toetsen of te beoordeelen. Dit werd zeer juist
opgemerkt door een der reizigers, die in een der voorste wagens van den
trein zat. Deze reiziger, blijkbaar een vreemdeling, nam alles
nauwkeurig op en deed twintig vragen, waarop men slechts ontwijkend
antwoordde. Elk oogenblik uit het raampje kijkende, waarvan het glas
naar beneden was, tot groot ongerief van zijne medereizigers, verloor
hij geen enkel gezichtspunt van den gezichteinder ter rechter zijde;
hij vroeg den naam der meest onbeduidende plaatsen, hunne ligging,
welken handel zij dreven, hunne nijverheid, het aantal inwoners, het
getal der sterfte van beider sekse enz., en dit alles schreef hij in
een boekje, reeds overladen met aanteekeningen.
Dit was de correspondent Alcide Jolivet, en indien hij zooveel
onbeduidende vragen deed, was zulks, om te midden van zooveel
antwoorden die daarop volgden, een belangrijk feit voor zijne nicht te
vernemen, maar natuurlijk zag men hem aan voor een spion, en men zeide
niets dat betrekking had op de gebeurtenissen van den dag.
Ziende dat hij niets kon vernemen betrekkelijk den inval der Tartaren,
schreef hij in zijn notitieboekje:
Reizigers van een volstrekte stilzwijgendheid; in staatkundige zaken
niets los te krijgen.
Terwijl Alcide Jolivet zijne reisindrukken nauwkeurig aanteekende, gaf
zijn collega, in denzelfden trein gezeten, en voor hetzelfde doel
reizende, zich over aan denzelfden arbeid in een anderen waggon. Geen
van beiden hadden elkander dien dag aan het station te Moskou ontmoet,
en zij wisten van weerszijde niet dat zij naar het tooneel van den
oorlog vertrokken waren. Doch Harry Blount, die weinig sprak maar veel
toeluisterde, had aan zijne medereizigers niet hetzelfde wantrouwen
ingeboezemd als Alcide Jolivet. Ook had men hem niet aangezien voor een
spion, en zijne buren praatten in zijne tegenwoordigheid, zonder zich
te geneeren en lieten zich zelfs meer uit dan hunne natuurlijke
omzichtigheid het meebracht. De correspondent van de Daily Telegraph
had dus kunnen opmerken hoezeer de gebeurtenissen deze kooplieden, die
zich naar Nijni-Novgorod begaven, bezig hielden, en hoezeer de handel
met Middel-Azië in zijn doorvoer bedreigd werd.
Ook aarzelde hij niet in zijn aanteekeningboekje deze alleszins juiste
opmerkingen te schrijven: »Reizigers zeer ongerust; men spreekt van
niets dan oorlog en men spreekt er over met eene vrijheid die, tusschen
de Wolga en de Weichsel, verwondering moet wekken!”
De lezers van de Daily Telegraph werden dus even zoo goed op de hoogte
gehouden als de »nicht” van Alcide Jolivet.
En daar Harry Blount, gezeten aan de linkerzijde van den trein, slechts
een gedeelte van de streek gezien had, dat zeer heuvelachtig was,
zonder zich de moeite te geven naar het rechter gedeelte om te kijken,
dat uit onafzienbare vlakten bestond, bleef hij niet in gebreke, er met
Britsche zekerheid bij te voegen: »Bergachtig land tusschen Moskou en
Wladimir.”
Het was evenwel zichtbaar dat het Russische gouvernement in deze
ernstige omstandigheden eenige strenge maatregelen nam, zelfs binnen
het rijk. De opstand had de Siberische grenzen niet overschreden, maar
in de provinciën van de Wolga, zoo dicht in de nabijheid van het land
der Kirgiezen, mocht men vrees koesteren voor de uitwerking van kwade
invloeden.
Inderdaad had de politie het spoor van Ivan Ogareff nog niet kunnen
terugvinden. Had deze verrader, den vreemdeling oproepende om zijn
persoonlijken wrok te koelen, zich bij Feofar-Khan gevoegd, of wel
zocht hij het oproer aan te stoken in het gouvernement van
Nijni-Novgorod, dat, in dit gedeelte van het jaar, eene bevolking
bevatte uit zeer verschillende bestanddeelen samengesteld? Waren er
niet onder deze Perzen, deze Armeniërs, deze Kalmukken, die naar de
groote jaarmarkt toestroomden, vertrouwelingen, belast om eene beweging
binnen het rijk uit te lokken? Al deze veronderstellingen waren
mogelijk, vooral in een land als Rusland.
Inderdaad, dit uitgestrekte rijk, dat eene oppervlakte heeft van twaalf
millioen vierkante kilometer, kan onmogelijk de volkseenheid bezitten
van de staten van West-Europa. Tusschen de verschillende volken,
waaruit het samengesteld is, bestaat er noodzakelijk meer verschil dan
een onmerkbare overgang. Het Russisch grondgebied in Europa, Azië en
Amerika strekt zich uit van den vijftienden graad oosterlengte tot den
honderd drie en dertigsten graad westerlengte, zijnde eene
uitgestrektheid van ruim twee honderd graden en van den acht en
dertigsten tot den een en tachtigsten graad noorderbreedte, zijnde drie
en veertig graden. Men telt er meer dan zeventig millioen inwoners. Men
spreekt er dertig verschillende talen. Het Slavische ras heeft er
zonder twijfel de overhand, maar het bevat, met de Russen, Polen,
Lithauërs en Koerlanders. Voeg er bij de Finnen, Esthlanders,
Laplanders, Tscheremissen, Tchoevachen, Permiaken, Duitschers, Grieken,
Tartaren, de Kaukasische stammen, de Mongoolsche, Kalmuksche,
Samojeedsche, Kamptschatdaalsche en Aleoutische horden, en men zal
begrijpen dat de eenheid van zulk een uitgestrekten staat moeielijk te
handhaven was, en dat zij slechts het werk kon zijn van den tijd,
samenwerkende met het beleid der gouvernementen.
Hoe het ook zij, Ivan Ogareff had tot dusverre aan alle opsporingen
weten te ontsnappen, en, zeer waarschijnlijk moest hij zich gevoegd
hebben bij het Tartaarsche leger. Bij elk station, waar de trein stil
hield, waren inspecteurs aanwezig, die de reizigers ondervroegen en
allen een streng onderzoek deden ondergaan, want, op bevel van den
grootmeester van politie, zochten zij Ivan Ogareff.
Het gouvernement meende inderdaad te weten dat deze verrader
Europeesch-Rusland nog niet kon verlaten hebben. Wanneer een reiziger
verdacht voorkwam, moest hij zich aan het politiebureau bekend maken;
de trein vertrok dan zonder zich in het minst over den achterblijver te
bekommeren.
Tegen de Russische politie, die zeer streng is, is het volstrekt
doelloos om te willen redeneeren. Hare beambten zijn bekleed met
militaire graden en zij gaan op militaire wijze te werk. Waar trouwens
het middel te vinden om niet, zonder een woord te spreken, aan de
bevelen te gehoorzamen, uitgevaardigd door den vorst, die het recht
heeft dit formulier aan het hoofd zijner ukazen te bezigen:
»Wij, door de gratie Gods, Keizer en alleenheerscher aller Russen, van
Moskou, Kiew, Wladimir en Novgorod, Czaar van Kazan, van Astrakan,
Czaar van Polen, Czaar van Siberië, Czaar van het Taurische
Schiereiland, Heer van Pskof, Grootvorst van Smolensko, van Lithauen,
van Volhynië, van Podolië en Finland, Vorst van Esthland, van Lijfland,
van Koerland en van Ingermanland, van Bialystok, van Karelië, van
Ioegrië, van Perm, van Wiatka, van Bolgarije en van verscheidene andere
landen, Heer en Grootvorst van het grondgebied van Nijni-Novgorod, van
Tchernigof, van Riazan, van Polotsk, van Rostof, van Jaroslaw, van
Bielozersk, van Oedorië, van Obdorië, van Kondinië, van Witepsk, van
Mstislaw, beheerscher der poolstreken, heer der landen van Iverië, van
Kartalinië, van Grouzinië, van Karbardinië, van Armenië, Erf- en
Opperheer der Tcherkessische vorsten, van die der bergen en anderen,
erfgenaam van Noorwegen, van het hertogdom Sleeswijk-Holstein, van
Stormarn, van de Ditmarschen en van Oldenburg.” Een machtig opperheer,
inderdaad, wiens wapen een dubbele arend is, houdende een scepter en
een aardkloot, die het wapenschild omgeven van Novgorod, van Wladimir,
van Kiew, van Kazan, van Astrakan, van Siberië, en dat de keten van de
orde van St. Andréas omgeeft, gedekt door eene koningskroon.
Wat Michael Strogoff betreft, zijn pas was in orde, en hij, bijgevolg,
tegen elke politiemaatregel beveiligd.
Aan het station te Wladimir hield de trein eenige oogenblikken op,
hetgeen den verslaggever van de Daily Telegraph voldoende scheen, om,
uit een natuurkundig en zedelijk oogpunt, een volkomen overzicht van
deze oude hoofdstad van Rusland te nemen.
Aan het station te Wladimir stapten nieuwe reizigers in den trein.
Onder anderen kwam een jong meisje aan het portier van den wagen,
waarin Michael Strogoff zat. Er was eene leege plaats tegenover den
koerier van den czaar. Het jonge meisje nam die plaats in, na een
eenvoudige, roodlederen reiszak, die hare geheele bagage scheen te
bevatten, naast zich neergezet te hebben. Vervolgens met neergeslagen
oogen, zonder zelfs de medereizigers, die het toeval haar bezorgde,
aangezien te hebben, zette zij zich neder voor een overtocht die eenige
uren zou duren.
Michael Strogoff kon niet nalaten zijne nieuwe reisgezellin nauwkeurig
op te nemen. Daar zij achteruit reed, bood hij haar zijne plaats aan,
doch zij bedankte met eene buiging.
Dit jonge meisje moest ongeveer zestien of zeventien jaar oud zijn.
Haar bekoorlijk kopje, vertoonde het Slavische type in zijne volle
zuiverheid,—een wat streng type, dat haar bestemde eer schoon dan mooi
te worden, wanneer, na eenige jaren, hare trekken geheel gevormd zouden
zijn.
Uit een soort van kap, die zij ophad, golfde een overvloed van
goudblonde haren. Hare oogen waren bruin, van een onbeschrijfelijk
zachte uitdrukking. Haar rechte neus was aan hare wat magere en bleeke
wangen, door licht beweegbare neusvleugels verbonden. Haar mond was
fijn geteekend, maar het scheen dat zij sedert langen tijd het lachen
had afgeleerd.
De jonge reizigster was lang, slank voor zoover men kon oordeelen over
hare taille onder den wijden, zeer eenvoudigen pels, dien zij aanhad.
Hoewel zij, in de volle beteekenis des woords, nog een zeer jong meisje
was, leidde de ontwikkeling van haar hoog voorhoofd, de juiste vorm van
het onderste gedeelte van haar gelaat tot de gedachte, dat zij een
sterke zedelijke wilskracht bezat; eene bijzonderheid, die aan Strogoff
niet ontsnapte.
Klaarblijkelijk had dat jonge meisje al vroeg geleden en vertoonde de
toekomst zich zonder twijfel voor haar niet onder vroolijke kleuren:
doch het was niet minder zeker, dat zij had weten te strijden, en zij
besloten was nog meer te kampen tegen de bezwaren des levens. Haar wil
moest volhardend, hare kalmte onverstoorbaar zijn, zelfs in
omstandigheden waarin een man bloot zou staan om te bukken of toornig
te worden.
Zoodanig was de indruk, dien men op het eerste gezicht van het jonge
meisje kreeg. Michael Strogoff, zelf van eene krachtvolle natuur
zijnde, moest getroffen worden door de uitdrukking van dit gelaat, en
hoewel oppassende haar niet lastig te vallen door aanhoudend kijken,
sloeg hij zijne reisgenoote toch met zekere oplettendheid gade.
Het kostuum van de jonge reizigster was tegelijkertijd eenvoudig en
buitengewoon zindelijk. Zij was niet rijk, dat kon men haar gemakkelijk
aanzien, maar men zou te vergeefs in hare kleeding eenige slordigheid
opgemerkt hebben. Haar geheele bagage was in een leeren zak geborgen,
dien zij bij gebrek aan plaats op hare knieën hield.
Zij droeg een langen donkerkleurigen pels, zonder mouwen, die bevallig
om haar hals sloot, afgezet met een blauw boordsel. Onder dezen pels
bedekte een tuniek, ook van eene donkere kleur, eene japon, die tot
hare enkels kwam waarvan de onderrand bedekt was met een weinig
opvallend borduursel. Gestikte lederen halve laarsjes met vrij sterke
zolen, alsof ze gekozen waren voor eene lange reis, schoeiden hare
kleine voeten. Michael Strogoff meende uit zekere bijzonderheden in
hare kleeding de snede van de Lijflandsche kleederdracht op te merken,
en hij dacht dat zijne reisgezellin afkomstig moest zijn uit de
Oostzee-provinciën.
Maar waar ging dat jonge meisje heen, alléén, op een leeftijd waarop
haar de steun van een vader of eene moeder, de bescherming van een
broer, om zoo te zeggen, noodzakelijk waren. Kwam zij misschien reeds
na eene lange reis uit de provinciën van West-Rusland? Begaf zij zich
alleen naar Nijni-Novgorod, of wel strekte zich het doel van hare reis
uit tot over de oostelijke grenzen van het rijk? Wachtte een of andere
bloedverwant, een of andere vriend haar bij de aankomst van den trein?
Was ’t niet waarschijnlijker daarentegen, dat zij, bij het verlaten van
den wagen, zich even éenig zou gevoelen in de stad als in dien coupé,
waar niemand, ze mocht het gelooven, zich om haar scheen te bekommeren?
Dit was wel waarschijnlijk.
Inderdaad, de gewoonten, die men in de afzondering aanneemt, vertoonden
zich zeer opvallend in de manieren van de jonge reizigster. De wijze,
waarop zij in den wagen trad, en waarop zij zich voor de reis schikte,
de weinige drukte, die zij veroorzaakte, de moeite die zij nam om
niemand hinderlijk te zijn, alles verraadde de gewoonte, om alleen te
zijn en op zich zelve te rekenen.
Michael Strogoff beschouwde haar oplettend, doch, even terughoudend,
zocht hij geene gelegenheid om met haar te spreken, hoewel nog
verscheidene uren verloopen moesten vóor de aankomst van den trein te
Nijni-Novgorod. Een enkelen keer slechts, toen de buurman van dit jonge
meisje—de koopman die zoo onvoorzichtig de talk en de shawls
vermengde,—in slaap was geraakt en haar met zijn groot hoofd bedreigde,
dat van den eenen schouder naar den anderen waggelde, maakte Michael
Strogoff hem vrij norsch wakker, en deed hem begrijpen, dat hij rechtop
en op eene meer betamelijke wijze moest zitten. De koopman, van natuur
zeer grof, bromde eenige woorden als tegen lui die zich bemoeien met
zaken die hun niet aangaan, maar Michael Strogoff keek hem met zoo’n
ongemakkelijken blik aan, dat de slaper naar de andere zijde ging
leunen, en de jonge reizigster van zijn lastig buurschap bevrijdde.
Zij keek een oogenblik den jongen man aan, en er lag een stille en
zedige dank in haar blik.
Maar er deed zich eene omstandigheid voor, die aan Michael Strogoff een
juist denkbeeld gaf van het karakter van dit jonge meisje. Twaalf
wersten vóor de aankomst van den trein te Nijni-Novgorod kreeg de
trein, bij eene sterke kromming van de baan, een hevigen schok.
Vervolgens liep hij gedurende eene minuut over de helling van den berm.
Het gevolg hiervan was, dat de reizigers door elkander gegooid
werden,—kreten, verwarring, algemeene opschudding in de wagens! Men
vreesde dat er een ernstig ongeval had plaats gehad. Ook werden de
portieren, vóor dat de trein stil hield, geopend, en de verschrikte
reizigers hadden slechts éene gedachte: de rijtuigen te verlaten en
eene schuilplaats op den weg te zoeken.
Michael Strogoff dacht dadelijk aan zijne reisgenoote; maar terwijl de
reizigers uit zijn wagen naar buiten stormden, schreeuwende en elkander
verdringende, was het jonge meisje zeer rustig op hare plaats gebleven,
en vertoonde haar gelaat slechts eene lichte bleekheid.
Zij wachtte, Michael Strogoff wachtte ook. Zij maakte geene beweging om
den wagen te verlaten, hij evenmin.
Beiden bleven even koel.
»Eene krachtvolle natuur!” dacht Strogoff.
Het gevaar was evenwel spoedig voorbij. Het breken van een der
wielbanden van den goederenwagen, en vervolgens het stilhouden van den
trein, hadden den schok teweeggebracht; maar het had weinig gescheeld
of de trein zou buiten het spoor geraakt en in een kuil gestort zijn.
Men had een uur oponthoud. Eindelijk nadat de weg weer vrijgemaakt was,
kon de trein vertrekken, ’s avonds te half negen kwam hij aan het
station te Nijni-Novgorod aan.
Vóor dat iemand de wagens had kunnen verlaten, vertoonden zich de
inspecteurs van politie aan de portieren, en namen de reizigers
nauwkeurig op.
Michael Strogoff toonde zijn podaroshna, afgegeven op den naam van
Nikolaas Korpanoff. Dus geene moeilijkheid.
Wat de andere reizigers van den wagen betreft allen gingen naar
Nijni-Novgorod, en kwamen gelukkig voor hen, niet verdacht voor.
Het jonge meisje toonde geen pas, omdat de pas niet meer in Rusland
verplichtend is, maar een vrijgeleide voorzien van een bijzonder zegel.
De inspecteur las het met aandacht, en na haar, wier signalement hij in
de hand hield, zeer nauwkeurig opgenomen te hebben, zeide hij:
»Ge komt van Riga?”
»Ja,” zeide het jonge meisje.
»Ge gaat naar Irkoetsk?”
»Ja.”
»Welken weg?”
»Over Perm.”
»Goed,” hernam de inspecteur. »Draag zorg uw vrijgeleide aan het
politie-bureau te Nijni-Novgorod te laten afteekenen.”
Het jonge meisje boog, terwijl zij te kennen gaf dat zij zulks wist.
Deze vragen en deze antwoorden hoorende, ondervond Michael Strogoff
tegelijkertijd een gevoel van verwondering en van medelijden. Wat! Dit
jonge meisje alléén op weg naar het verre Siberië, en dat, terwijl bij
de gewone gevaren zich nu al de onheilen van een overmeesterd en
oproerig land voegden! Hoe zou zij daar aankomen? Wat zou er van haar
worden!....
Nadat het onderzoek afgeloopen was, werden de portieren van de wagens
geopend: maar, vóor dat Michael Strogoff bij haar kon komen, was het
jonge Lijflandsche meisje, dat het eerste uitgestapt was, verdwenen
onder de menigte, die zich op het perron verdrong.