BEDROGEN.

Het was ongeveer tegen negen uur des voormiddags van den volgenden dag,

toen zich in de Balfourstraat een groote volksmenigte verzamelde. Men

haalde de politie erbij en deze had moeite om de orde weder te

herstellen. Allen die daar tegenwoordig waren, mannen en vrouwen,

menschen uit elken stand, hielden enveloppen in de handen, en de een

liet den ander zijn brief zien.

Een half uur later werd de deur van het kleine huisje geopend en Charly

Brandy die op den drempel stond, hield orde in de opdringende massa.

„Langzaam!” riep hij, „langzaam, menschen! Eén voor één. Gij krijgt

allen uw geld terug, niemand zal een penning verliezen.”

Het eerste liet hij een oud vrouwtje binnen.

Het huis scheen onbewoond en alleen een kamer gelijkvloers was in

gebruik. Achter een groote tafel, die vol geld lag, zat Raffles, de

groote onbekende.

Voor hem lag het groote depotboek van de Lincoln-Bank.

„Hoe heet gij?” vroeg hij het oude moedertje.

„Jenny Groz”, antwoordde zij met bevende stem.

„Hoe groot is uw tegoed?”

„Zeventig pond sterling, mijnheer. Ik heb er dertig jaar voor gespaard.

Het zou later voor mijn begrafenis zijn, ik wil niet van de armen

begraven worden.”

Raffles sloeg het boek open om zich te overtuigen of de inlichtingen

juist waren. Vervolgens vulde hij een formulier in, betaalde haar de

zeventig pond uit en sprak:

„Onderteeken deze kwitantie.”

Met trillende vingers deed de oude vrouw wat Raffles verlangde, streek

liefkoozend over het geld, pakte het in een oud taschje en sprak met

vreugdetranen in de oogen:

„De hemel moge het u vergelden, dat gij mijn spaarpenningen hebt

gered.”

Toen de oude vrouw naar buiten kwam, werd zij door de menigte omringd

en met vragen bestormd, of zij haar geld terug had gekregen.

Toen zij dit bevestigde, ademden de omstanders verlicht op. De

gezichten klaarden op en een voor een gingen zij het huis binnen, waar

Raffles hun het hun toekomende bedrag terugbetaalde.

Lister had de helft der gedeponeerde gelden nog niet uitbetaald, toen

er door de courantenjongens extra tijdingen werden verspreid.

„Millioenendiefstal op de Lincoln-Bank” schreeuwden zij.

De wachtende menigte voor het huis verschrikte bij het hooren van dit

bericht.

Dat was hun geld, dat daar gestolen was, hun zuur verdiende

spaarpenningen! En een onbekende gaf het hun terug?

De uitbetaling duurde reeds een uur en nog kwamen laatkomers opdagen,

met den geheimzinnigen brief van Raffles in de hand.

Ook journalisten en detectives kwamen vol nieuwsgierigheid een kijkje

nemen.

Men had hun het vreemde verhaal gedaan, dat de millioenen welke dien

nacht op de Lincoln-Bank gestolen waren, door een onbekende in de

Balfourstraat werden terugbetaald.

Maar de journalisten en detectives beproefden tevergeefs, het huis

binnen te gaan. Charly Brand weigerde iedereen den toegang, die niet

kon bewijzen, dat hij schuldeischer der Bank was.

Terzelfder tijd was Mr. Geis naar de Lincoln-Bank gesneld en vond daar

zijn ambtenaren, die den diefstal reeds ontdekt hadden, in de grootste

opgewondenheid.

Men had den nachtportier in de kamer van den procuratiehouder

vastgebonden gevonden en de man had verteld, dat hij het eerst was

overvallen.

Alsof er een bom voor de voeten van inspecteur Baxter was ontploft, zoo

ontstelde hij toen hij het bericht ontving.

„Raffles!” kermde hij, „Raffles! Deze streek van hem zal mij mijn

ontslag kosten. Die man maakt mij krankzinnig. Ik had mijn hand maar

behoeven uit te steken om hem te kunnen arresteeren en inplaats daarvan

— —”.

Hij haastte zich met een dozijn ambtenaren naar de Lincoln-Bank en

ontmoette daar Mr. Geis. Deze was totaal gebroken en zat wezenloos in

zijn bureau. Hij zag zoo wit als krijt.

„Waar woont de procuratiehouder?” vroeg inspecteur Baxter,

binnentredend.

„In Ashbury Ark,” antwoordde Mr. Geis zachtjes. „Ik zond reeds een

boodschap naar zijn huis, maar hij was niet aanwezig.”

„Dat laat zich begrijpen,” antwoordde Baxter, „dat zou al heel dom van

hem zijn. Op welke aanbevelingen hebt gij dien man in uw dienst

genomen?”

„Hij toonde mij uitstekende getuigschriften,” loog Mr. Geis, „hij

stelde bovendien een tamelijken borg.”

„Heeft hij dien achtergelaten?” vroeg inspecteur Baxter.

„Neen,” antwoordde Mr. Geis, „hij heeft alles meegenomen en niets

achtergelaten!”

„Een vreemde zaak,” zei de ambtenaar nadenkend, „waarlijk, een zeer

vreemde zaak! Dit is de eerste keer, dat de procuratiehouder van een

Bank iets dergelijks doet.”

„Jawel! Het is ongehoord!” mompelde Mr. Geis.

„Hoe zult gij nu aan uw verplichtingen tegenover de schuldeischers

voldoen? Hebt gij daarover weleens nagedacht?” vroeg Baxter.

„Neen,” antwoordde Mr. Geis, „wij zijn niet in staat, den menschen hun

geld terug te betalen.

„Het doet mij leed voor die arme menschen. Het verwondert mij, dat er

nog niemand is geweest.

„Toen ik hierheen kwam, riep men mij reeds toe, dat de millioenen der

Lincoln-Bank gestolen waren.”

„Welnu, ik zal een voldoend aantal agenten te uwer bescherming hier

laten, opdat de opgewonden menigte niet alles zal kort en klein slaan.

Reeds eenmaal maakte ik iets dergelijks mee en ik zal dat nooit

vergeten.

„De lui zijn als krankzinnig. Het is ook treurig, als iemand met groote

moeite een klein kapitaaltje heeft bespaard, en het wordt hem door een

spitsboef ontstolen.”

Op dit oogenblik kwam Marholm het vertrek haastig binnen terwijl hij

uitriep:

„Mijnheer de directeur! mijnheer de directeur! Ik moet u iets

ongeloofelijks vertellen. Daar juist komt detective Schultz mij

meedeelen, dat de millioenen van de Lincoln-Bank worden uitbetaald.”

„Zijt gij krankzinnig?” vroeg inspecteur Baxter.

„Ik hoop het niet,” antwoordde Marholm.

„Raffles!” steunde Mr. Geis.

Die naam werkte als een bliksemstraal op de beide politie-ambtenaren.

„Wat zegt gij?” vroeg Baxter, terwijl hij op hem toetrad.

„Ik vermoed, dat het Raffles is geweest, die de millioenen heeft

gestolen!”

„Gisteren dreeft gij er nog den spot mee,” sprak inspecteur Baxter, „en

tot uw voldoening kan ik u verklaren, dat mijn secretaris Marholm er

evenzoo over dacht als gij. Nu blijkt dus dat de heer John Govern een

en dezelfde persoon is als de door ons gezochte meesterdief!

„Laat detective Schultz binnenkomen!”

Detective Marholm bracht zijn collega, een Duitscher van geboorte,

binnen en inspecteur Baxter liet dezen nogmaals het wonderlijke verhaal

doen betreffende de uitbetaling der gelden in de Balfourstraat.

Toen de detective zijn verhaal geëindigd had, sprak Baxter:

„Het is reeds twaalf uur en de courantenjongens schreeuwen reeds een

uurlang hun berichten omtrent den diefstal der millioenen uit, maar

geen der depositohouders verschijnt op de Bank om zijn geld op te

eischen.

„Dus de zaak moet inderdaad waar zijn. Laat ons naar de Balfourstraat

gaan.”

Hij wendde zich tot Mr. Geis, die zich gereedmaakte, om het bureau te

verlaten en sprak:

„Ik denk, dat u er belang bij hebt om deze vreemde zaak verder te

onderzoeken. Ik hoop, dat gij met ons mee zult gaan.”

„Natuurlijk,” sprak Mr. Geis, „ik ga met u mee!”

De politie-inspecteur verliet met verscheidene beambten en Mr. Geis de

Bank, om zich naar de Balfourstraat te begeven.

Reeds van verre zag hij een groote volksmenigte om het gebouw staan.

Slechts met moeite baande hij zich met zijn begeleiders een weg tot het

huis.

Toen de inspecteur aan de deur kwam, bracht Charly Brand hem

persoonlijk naar de kamer, waar Raffles stond en bezig was, den

laatsten schuldeischer zijn tegoed uit te betalen.

„Daar staat Raffles,” sprak Mr. Geis, terwijl hij met zijn hand op den

grooten onbekende wees.

„Arresteer hem, heer inspecteur!”

Raffles stond in elegant gezelschapstoilet bij de tafel met de

linkerhand in zijn broekzak, in de rechterhand zijn onafscheidelijke

cigarette.

Hij glimlachte spottend, toen hij Mr. Geis zag binnenkomen en met een

beleefde buiging keek hij inspecteur Baxter en detective Marholm aan.

Charly Brand stond met gespannen belangstelling naar het tooneeltje te

kijken, tusschen Raffles en de binnenkomenden staande.

„Goeden dag, heer inspecteur,” riep Raffles, „ik heb al op u gewacht!”

Baxter bleef aarzelend staan, toen hij Raffles zag en ook de detectives

durfden nauwelijks binnenkomen. Zij dachten, dat Raffles een revolver

op hen af zou schieten.

„Weest onbezorgd, heeren,” riep Raffles, die hun angst opmerkte. „Ik

zei u reeds, dat ik u verwacht had.”

„Dat is de grootste onbeschaamdheid, die ik ooit heb beleefd,” riep Mr.

Geis uit. „Deze kerel durft ons bespotten! Leg hem de boeien aan, heer

inspecteur en acht u gelukkig, dat het u is gelukt, dit gevaarlijk

sujet eindelijk onschadelijk te maken.”

Raffles klopte lachend de asch van zijn cigarette. Daarop vervolgde hij

op kalmen toon:

„Gij hebt gelijk, Mr. Geis, ten minste als gij de woorden, die gij

zooeven hebt gesproken, niet op mij, maar op uzelf toepast.”

Mr. Geis verbleekte.

Raffles merkte dit op, evenals inspecteur Baxter en daar deze laatste

wel wist, dat de groote onbekende zijn slachtoffers alleen zocht onder

schurken met glacé’s en hoogen hoed, wachtte hij met gespannen aandacht

op dat, wat de beschuldigde nu zou antwoorden.

„Veroorloof u geen brutaliteiten!” riep Mr. Geis woedend, terwijl zijn

gelaat blauwrood werd.

Onbeweeglijk als een marmeren beeld keek Raffles den bankdirecteur aan,

wierp het overschot van zijn cigarette weg, stak op zijn dooie gemak

een versche aan en antwoordde:

„Ik moet den heer inspecteur eens even uitleggen, wie gij zijt. Kijk

dien man eens goed aan, mijnheer Baxter. Tien jaar geleden bedroog hij

mij, zoodat ik mijn geheele vermogen kwijtraakte. Vier en een half

millioen pond sterling. Klopt dat?”

Hij wendde zich tot Geis.

Deze schudde ontkennend het hoofd:

„Een leugen, heeren! Een leugen! De kerel liegt, ik ken hem niet!”

Raffles zocht in zijn borstzak en haalde daaruit een document te

voorschijn, dat door Mr. Geis was onderteekend.

„Misschien is dit ook een vervalsching?” vroeg hij.

„Ja!” hijgde de bankdirecteur. „Ja zeker! Ik weet niet wat dat is, ik

heb dat stuk nooit onderteekend!”

„Luister eens, heer inspecteur, wat dit schrijven behelst:

Hierbij verklaar ik, dat ik Lord Edward Lister aanstel bij de

Lincoln-Bank en hem bevel geef, de bij de Bank berustende gelden

uit de brandkasten te nemen en met mij te deelen.

CHARLES GEIS,

zich noemende STEIN.”

Raffles had met duidelijke en langzame stem den inhoud van het stuk

voorgelezen en gaf het nu over aan den inspecteur van politie.

Mr. Geis leunde zoo bleek als een lijk tegen den muur. Zijn knieën

knikten, want hij begreep, dat hij het spel verloren had.

Inspecteur Baxter had het stuk gelezen en sprak verbaasd tot Raffles:

„Waarom hebt gij echter de gelden, die bij de Bank gedeponeerd waren,

gestolen?”

„Dat moest ik doen,” antwoordde Raffles, „want anders zou deze kerel

het met een handlanger van hem te zamen hebben gedaan en dan waren de

millioenen voor eeuwig verdwenen geweest.

„Zooals gij ziet, heer inspecteur, nam ik de gelden alleen met het doel

om ze aan de rechtmatige eigenaars te doen toekomen. Hierbij overhandig

ik u de quitanties van de menschen die hun geld aan dezen schurk hadden

toevertrouwd en tevens de boeken der Bank.

„Mijn werk is afgeloopen, ik heb de millioenen gestolen voor een goed

doel. Vaarwel!”

Bliksemsnel wendde Raffles zich om naar een deur, die zich achter hem

bevond, opende deze en eer iemand der aanwezigen het hem kon beletten,

had hij de deur achter zich gesloten en gegrendeld en was verdwenen.

„Houdt den misdadiger!” riep Mr. Geis.

„Ja zeker!” sprak Baxter, „wij zullen hem vasthouden!

„In naam der Engelsche wet neem ik u in hechtenis, Mr. Geis, u noemende

Stein. De misdadiger zijt gij en niet Raffles!”

Baxter gaf den detectives een wenk, om Geis te boeien. Maar nog voordat

zij een hand naar den bedrieger konden uitsteken, haalde deze een

revolver te voorschijn, zette die tegen zijn voorhoofd—een schot knalde

en de bankdirecteur viel dood neer.

Eenige seconden lang staarden allen elkaar verschrikt aan, daarop sprak

Baxter, die zich het eerst had hersteld:

„Laat het lijk gerechtelijk schouwen! Hij is dood en heeft zijn misdaad

geboet!”

Charly Brand had gebruik gemaakt van de algemeene ontsteltenis door

ongemerkt de kamer te verlaten. Niemand, lette op hem en een uur later

zat hij, zooals hij met Raffles had afgesproken, in diens studeerkamer,

waar hij zijn vriend den tragischen dood van den bankdirecteur

meedeelde.

Ellenlange berichten stonden over deze zaak in de avondbladen en de

„Times” schreef, dat het tijd werd om een standbeeld op te richten voor

John Raffles. Honderden kleine luiden, voor wie hij de spaarpenningen

had gestolen om ze uit de klauwen van een schurk te redden, zegenden

hem.

McIntosh zat alleen, vervuld van haat, in de villa van zijn

medeplichtige en dacht erover na, hoe hij weer in het bezit zou kunnen

komen van zijn schat, dien Raffles van het eiland had meegenomen.

Uit de couranten vernam hij den dood van Mr. Geis en daar hij in het

bezit was van een testament, waarin Mr. Geis hem had benoemd tot

erfgenaam van diens geheele nalatenschap, kon hij zichzelf beschouwen

als eigenaar der villa.

Maar hij bezat geen cent aan baar geld. Hij was niet eens in staat om

zijn bedienden te eten te geven.

McIntosh verkocht echter eenige kostbare schilderijen, betaalde zijn

bedienden en ontsloeg hen.

Alleen den chauffeur hield hij in dienst.

Hij kende uit vroegere dagen een misdadigerskroeg, aan het Strand

gelegen, waarvan de eigenaar, een Ier, een oud schoolkameraad van hem

was.

Dezen ging hij opzoeken.

„Tom,” sprak hij tot den grooten, sterk gebouwden man, die achter zijn

toonbank stond en den meest vervalschten brandewijn uit geheel Londen

voor zijn klanten tapte, „Tom, je moet mij helpen.”

De eigenaar der kroeg keek bij het hooren dezer stem zijn bezoeker

scherp aan en antwoordde:

„Bij den heiligen St. Patrick! Patt Jimmy, ben jij het zelf?”

Patt Jimmy was in vroegere jaren de boevennaam van McIntosh geweest.

„Zooals je ziet,” antwoordde deze.

„Voor den duivel, wie heeft je losgesneden, toen je aan de galg hing?”

vroeg Tom. „Hebben de vogels je door de lucht gedragen? Ik heb zelf in

de couranten gelezen, dat je opgehangen zoudt worden en op den morgen,

waarop het met je was afgeloopen, dronken wij een groot glas brandewijn

van mijn beste soort op je gezondheid. Ben je uit den dood herrezen?

Dat is bij St. Patrick, een heel zeldzame gebeurtenis!”

„Niet zoo merkwaardig als jij wel meent,” sprak McIntosh lachend.

„De strik, waaraan ik hing, was goed, maar zij hadden de galg een

beetje al te vlug in elkaar geslagen. Toen men de plank onder mijn

voeten wegtrok, om mij naar de eeuwigheid te sturen, viel ik wel in een

kuil, maar met mij plofte de heele galg naar beneden. Je weet dat mijn

keel niet veel te wenschen overlaat.

„Men schonk mij toen genade, omdat volgens de Engelsche wet, niemand

tweemaal mag worden opgehangen. Ik werd naar Australië gezonden om daar

de straten en wegen netjes te houden.

„Een duivelsche lol, als men een ketting met een kogel mee moet sleepen

aan zijn been, terwijl de zon zóó op je kop brandt, dat je hersens

bijna smelten.”

„En hoe ben je weer uit die braadpan geraakt?” vroeg Tom, terwijl hij

zijn ouden vriend nog een glas brandewijn inschonk.

McIntosh dronk het gemeene goedje in een enkelen teug leeg en sprak met

een vies gezicht:

„Geef mij eerst wat beters te drinken. Aan de galg te hangen is nog

heerlijk, vergeleken bij dit bocht! Dat doet meer kwaad aan de keel dan

een strop!”

„Wees blij, dat je mijn brandewijn nog kunt drinken”, bromde Tom. „Maar

hier heb ik een extra goed merk, dat ik alleen op feestdagen schenk. Ik

zal maar denken, dat jouw bezoek een feestdag voor mij is. Drink en

vertel mij dan, hoe je uit dien smeltoven bent gekomen.”

Hij schonk een nieuw glas vol, dat McIntosh onderzoekend proefde:

„Dit is beter. Je hadt dadelijk aan een feestdag moeten denken. Nu,

luister dan:

„Ik vond toevallig op den weg, waar ik werkte, een vijl en daarmee

bevrijdde ik mij.

„Het was een ellendig, verroest instrument. Maar in den nood vreet de

duivel vliegen. Elken nacht vijlde ik onder mijn deken aan den ketting.

Een vervloekt moeilijk werkje! Het duurde twee maanden, eer ik den

ijzeren band had doorgevijld.

„Toen was ik vrij! Ik sloeg een oppasser, die zoo gek was om mij den

weg te willen versperren met een enkelen slag neer, nam hem zijn geweer

af en vluchtte het bosch in.

„De bereden politie zat mij achterna. Verduiveld, Tom, voor een tweeden

keer zou ik het niet hebben volgehouden.

„Zonder water, zonder brood zwierf ik verscheiden weken in de wildernis

rond, totdat het mij gelukte, een ouwen kameraad als mijneigenaar terug

te vinden. Hij ontfermde zich over mij en verborg mij voor de

speurhonden.

„Met hem ben ik nu naar Engeland teruggekomen en omdat de man niet naar

mijn raad wilde luisteren, is het slecht met hem gegaan en—Scotland

Yard heeft hem gisteren als lijk meegenomen.”

„Toch niet—niet—” Tom aarzelde.

„Ja zeker”, hielp McIntosh hem, „dezelfde, dien jij bedoelt!”

„Is het mogelijk? Mr. Geis die zich Stein noemde! Vroeger bekend onder

den naam „Dikke Leg”.

„Jawel, dezelfde!—Verduiveld, Dikke Leg, die kassier aan een groote

Bank is geweest, je weet wel. Nou, de kerel had een flink

zondenregister, dat verzeker ik je!”

„Dat geloof ik,” sprak de herbergier.

„Toch is het jammer van den kerel,” vond McIntosh. „Hij had goede

plannen en als die vervloekte Raffles ons dezen keer geen streep door

de rekening had gehaald, was ik nu in het bezit van millioenen en

behoefde ik jou slechten brandewijn niet te drinken.”

„Je schijnt een erg voornaam heer te zijn geworden. Ik vraag je immers

niet om mijn borrels te drinken!”

„Dat klopt,” bromde McIntosh.

„Je hebt zeker wel een doel voor je komst?” informeerde Tom.

„Schenk mijn glas nog eens vol met die goeie soort, dan zullen wij met

elkaar spreken. Ik denk wel, dat je mij zult begrijpen en meedoen. Maar

hier kan ik het je niet vertellen. Je hebt zeker wel een andere kamer?”

Tom schonk het glas nog eens vol en nam zijn bezoeker mee naar een

vertrek, achter de gelagkamer gelegen.

„Nou, wat heb je op je hart?” vroeg Tom, nadat beiden in de rommelige

kamer hadden plaats genomen.

McIntosh onderzocht eerst of niemand hun gesprek zou kunnen hooren.

„Het is hier veilig,” sprak de waard, „maak je niet ongerust.”

McIntosh boog zich naar hem toe en fluisterde:

„Heb je lust, een rijke kerel te worden?”

„Ik zou niet weten, waarom niet,” antwoordde Tom, „Hongerlijden is lang

geen pretje.”

„All right,” ging McIntosh fluisterend voort, „ik weet een zaakje, dat

millioenen oplevert.”

„Dat laat zich hooren,” antwoordde Tom begeerig. „Een moord?”

„Als het noodig is, ja. Gemakkelijk is het niet,” vertelde de Ier, een

sigaar opstekend.

„Ik heb niet graag met moorden te doen. Het geeft te veel herrie.”

„Zoo was je vroeger niet,” hoonde McIntosh, „ik zal je een kindermeid

sturen!”

„Vertel, wat het is. Als het moet, sla ik altijd nog een kop in tweeën.

Je kent mij. Ik heb voor slager gestudeerd.”

Zij staken de hoofden bijeen en McIntosh begon:

„Je herinnert je wel, dat ik twaalf jaar geleden den ouden bankier

Burns— — —”

„Ja, dat weet ik, dat hoef je niet te herhalen. Daarom zou je worden

opgehangen. Het was een beroerde geschiedenis voor je.

„Als dit zaakje niet heel goed in mekaar is gezet, neem dan liever een

ander mee dan mij, want ik bedank voor dergelijke stropdassen.”

„Als er gemoord moet worden, neem ik dat voor mijn rekening”,

antwoordde McIntosh, „en ik hoop, dat het zal gaan zonder roode soep te

maken.”

„Mooi!” sprak Tom met een breeden grijns, „vertel verder kerel.”

„Ik heb toen,” vervolgde McIntosh, „anderhalf millioen van den ouden

bankier gestolen en had de papieren en het geld begraven op een

eilandje in de buurt van IJsland.”

„Een mooie plaats,” lachte Tom, „daar zoeken de fijnste speurhonden van

Scotland Yard de centen niet.”

„Neen, dat spreekt,” antwoordde McIntosh, de glazen opnieuw vullende.

Nadat zij gedronken hadden, ging hij verder:

„Ik had nooit gedacht, dat het iemand zou gelukken, de duiten te

vinden, maar”—hij sloeg met de vuist op tafel, „de duivel hale dien

hond.”

„Wien?”

„Raffles! De grootste gauwdief van deze eeuw!

„Het is Raffles gelukt, den buit te vinden!”

Nu sloeg ook Tom met de vuist op tafel, zoodat de glazen rinkelden en

hij riep uit:

„Vervloekt, Patt Jimmy, wat zeg je daar? Raffles, de groote onbekende,

heeft je een poets gebakken?”

„Jawel,” riep McIntosh met van woede vonkelende oogen, „door een

grenzenlooze domheid van mij is het hem gelukt.”

Tom riep lachend:

„Jongens, wat ben jullie dom! Jullie waagt je leven en steelt en laat

den boel door Raffles weghalen. Dat is een grap voor een humoristisch

album! Jij hangt aan de galg en hij staat er bij een havanna te rooken,

die hij voor het geld heeft gekocht, dat jou aan de galg bracht. Kerel,

dat is al te mal! Hoe was dat mogelijk?”

„Vraag er niet naar,” sprak McIntosh, „ik zeg je immers dat ik een

stommiteit heb uitgehaald en nu moet jij me helpen, alles terug te

halen.”

„Als het mogelijk is, graag,” sprak Tom. „Ik ben nieuwsgierig, hoe je

dat wilt aanleggen. Jij zoudt de eerste wezen, wien het gelukte om

Raffles een poets te bakken.”

„Ik denk wel, dat het zal lukken,” sprak McIntosh op geruststellenden

toon.

„Luister. Ik zal vannacht te weten zien te komen, hoe de woning van

Raffles is gebouwd.”

Tom keek verrast op:

„Weet je, waar de hond woont? Dat is vijfduizend pond sterling waard,

die als belooning worden uitbetaald!”

„Wij moeten meer hebben dan vijfduizend pond.”

„Dat ben ik volkomen met je eens, als het kan! Maar hoe is het

mogelijk, dat jij weet, waar hij woont? Geheel Scotland Yard weet het

niet!”

„Dat ben ik van mijn kameraad te weten gekomen en daarop is mijn plan

gebouwd!”

„Ik neem aan, dat alles wat je zegt, waarheid is. Hoe denk je de zaak

aan te pakken? Het zal zeker niet gemakkelijk zijn.”

„Dat hangt van jou af,” antwoordde McIntosh. „De hoofdzaak is, dat ik

een flinke hulp heb. Want alleen geloof ik niet, met Raffles klaar te

zullen komen.”

„Goed,” sprak Tom, „als je je plan hebt opgemaakt, kom dan bij mij. Ik

zal je helpen. Maar eerlijk deelen!”

„Dat spreekt van zelf,” gaf McIntosh ten antwoord, „of houdt je mij

soms voor een bedrieger?”

„Ik hoop niet, dat je er een bent; daar heb je mijn hand, het zal aan

mij niet liggen, om de zaak klaar te spelen.”

Den dag daarna zat Raffles met Charly in zijn bibliotheek en was bezig,

de courantenuitknipsels met berichten over zijn daden te rangschikken,

toen hij een geritsel hoorde aan de groote glazen deur, die toegang gaf

tot den tuin.

Hij maakte Charly Brand er niet opmerkzaam op, maar stond op en sprak

op onverschilligen toon:

„Kom, laat ons het werk tot morgen laten rusten en naar een restaurant

gaan.”

„Zooals je wilt,” antwoordde de secretaris bereidwillig en samen

verlieten zij het huis.

Eerst tegen middernacht kwamen zij terug.

Charly was verbaasd, toen hij zag, dat Raffles geen gebruik maakte van

den gewonen ingang, maar om de villa heenliep naar het andere gedeelte

van het huis. De maan wierp haar zwakke stralen naar beneden, maar voor

de scherpe oogen van Raffles was dit licht voldoende.

Als een Indiaan liep hij telkens bukkend langs de paden, die hij elken

dag door den bediende zorgvuldig liet harken. Elke voetstap liet

daardoor zijn spoor achter. Spoedig had Raffles dan ook gevonden wat

hij zocht.

Hij wees met zijn hand naar de duidelijke sporen van groote

mannenlaarzen.

„Houdt je kalm,” fluisterde hij tot Charly, „wij hebben nachtelijk

bezoek in huis.”

Hij onderzocht de voetstappen verder en bleef eenige meters verder

opnieuw staan.

„Zij zijn met hun beiden,” sprak hij, „hier ontdek ik andere sporen.

Deze voeten zijn kleiner dan de andere.”

„Wie kan het zijn?” fluisterde Charly nieuwsgierig.

„Ik denk, een oude kennis,” antwoordde Raffles, „als ik mij niet heel

erg vergis, is het de medeplichtige van Mr. Geis.”

„Aha!” fluisterde Charly, „de kerel zal willen probeeren om zijn

schatten, die wij van het eiland meenamen, terug te krijgen.”

„Juist, juist en ik denk, dat ik hem leelijk voor den gek zal kunnen

houden. Hij is dom genoeg om mij een bezoek te komen brengen. Ga jij nu

naar de straatdeur en ga met veel lawaai het huis binnen. De schurken

moeten hooren, dat je thuis komt. Zij zullen natuurlijk denken, dat ik

het ben. Ga naar mijn studeerkamer, neem een revolver voor geval van

nood en wacht daar op mij.”

Charly Brand ging heen, terwijl Raffles, de voetstappen volgend, naar

het huis sloop.

Hij ging langs denzelfden weg het huis binnen, dien de inbrekers hadden

genomen en dat geschiedde zoo onhoorbaar, alsof een schaduw door het

venster de bibliotheek binnen gleed.

Lord Lister had den kraag van zijn jas hoog opgeslagen en een zakdoek

voor het gelaat gebonden.

Alleen zijn oogen waren te zien, zij fonkelden als sterren.

Zoodra hij in de kamer was, bleef hij, alsof hij een inbreker was,

schuw staan en luisterde eenige oogenblikken.

Als een dief sloop hij daarna voorwaarts, totdat hij midden in het

vertrek stond.

Nu liet hij de dievenlantaarn, die hij in zijn zak droeg haar licht

verspreiden en trok zijn pistool te voorschijn.

Met scherpen blik ontdekte hij bij het licht der lantaarn op het

tapijt, dat den geheelen vloer bedekte, de sporen van de natte schoenen

der inbrekers.

Zij liepen dwars door het vertrek naar een fluweelen gordijn, dat een

erker afsloot en waarachter de mannen zich waarschijnlijk hadden

verborgen.

Aan een geringe beweging van het gordijn bemerkte Raffles dat hij zich

niet vergist had en dat de mannen hem in het oog hielden.

Hij doofde de lantaarn uit, en een tevreden lachje speelde om zijn

mond.

Zacht sloop hij naar het venster terug, opende het en liet een zacht

misdadigersfluitje, zooals men dat in Eastend gebruikt, hooren.

Daarop wachtte hij eenige seconden en riep duidelijk uit het raam,

alsof hij tot iemand in boeventaal sprak:

„Alles is koscher! (in orde) niemand te zien. Ik zal de boel uit het

raam gooien!”

Dat was wel zacht, maar toch zoo duidelijk gesproken, dat de mannen

achter het gordijn het moesten hooren.

Nu sloop Raffles weer door de kamer terug, waar hij voor een groote

eikenhouten kast staan bleef. Daarop stonden zware zilveren kandelaars

en vazen.

Raffles klom op een stoel, liet zijn lamp schijnen en nam de zilveren

voorwerpen van hun plaats. Nu zette hij de lantaarn op tafel en

onderzocht de zilverwerken der verschillende stukken.

„Goede mazzematten,” zei hij hardop en ging met zijn buit naar het

venster.

Weer floot hij en sprak:

„He Jim, pak aan, ik taxeer ze op tien pond. Zwaar goed!”

Hij wierp de zilveren kandelaars en kannen uit het raam en met een

luiden slag vielen deze op den grond.

Dadelijk doofde hij het licht weer uit en kroop, alsof hij tengevolge

van het rumoer vreesde overvallen te worden, onder de tafel.

Na eenige seconden kwam hij weer te voorschijn en naar het venster

snellend, riep hij:

„Nu zal ik de andere kamers doorzoeken en als alles koscher is, komen

jij en Jacq binnen.”

Nu sloop Raffles naar de studeerkamer, waar Charly Brand intusschen was

binnengekomen.

Charly Brand schrikte, toen Raffles, dien hij niet dadelijk herkende,

plotseling in de kamer stond en haastig tot hem sprak:

„Snel naar buiten! Bind een zakdoek voor je gezicht, evenals ik en kom

door hetzelfde raam naar binnen. Je moet voor inbreker spelen”.

Nu sloop Raffles naar de bibliotheek terug en overtuigde zich met een

enkelen blik, dat de hem onbekende inbrekers nog steeds achter het

gordijn verborgen waren.

Weer ging hij naar het venster en opende het. Toen hij naar buiten

keek, zag hij Charly Brand.

„He, Jim,” riep Raffles, „ik heb overal gezocht Er zijn twee heeren in

huis. Beiden slapen. Nu kunnen wij de kamers uitruimen. Jij, Jim, moet

hierkomen en Jacq blijft oppassen en de wacht houden.”

Bij deze woorden hielp hij Charly Brand door het venster naar binnen

klauteren en zamen slopen zij nu naar het aangrenzende vertrek.

Toen zij eenige kamers van de bibliotheek verwijderd waren, sprak

Raffles met een fijn lachje:

„Nu komt de grootste mop, die ik ooit in mijn leven heb beleefd. De

kerels staan achter het gordijn in de erker en zweeten bloed, omdat er

collega’s van hen bezig zijn. Nu zullen wij het tafelzilver uit de

eetkamer nemen en het ook uit het raam in den tuin gooien. Dan keeren

wij terug, jij neemt uit mijn kleedkamer een politiejas, je zet een

helm op en treedt op als beambte.”

Beiden namen een armvol zilveren schalen en borden en droegen alles

naar de bibliotheek.

„He, Jacq!” riep Raffles uit het raam, „Pas op, zeg!”

In het volgende oogenblik wierp hij de zilveren voorwerpen naar buiten

en Charly volgde zijn voorbeeld.

„Duivelsch!” vloekte Charly! „niet zooveel lawaai, wij zijn hier niet

thuis!”

„Maak je niet ongerust”, antwoordde Raffles, „de heeren slapen vast. Nu

gaan wij de rest halen en dan er van door.”

Snel begaven zij zich naar de kleedkamer en nu verkleedde Raffles zijn

vriend in alle haast als politiebeambte. Daarop legde hij voor zichzelf

een tweede uniform en helm gereed, zonder ze aan te trekken. Hij gaf

Charly Brand een revolver en een paar boeien en sprak tot hem, de

eetkamer binnengaande:

„Nu ben jij een politieman en achtervolgt mij. Je blijft bij het

venster der bibliotheek staan, totdat ik als politiebeambte bij je

terugkom. Laat de kerels er niet uit. Houdt je flink, mijn jongen. Je

moet bij het raam der bibliotheek blijven staan tot ik je een teeken

geef.”

Daarop nam hij het zilver, dat op het buffet stond, wierp het met groot

lawaai op den grond en beval op luiden toon, zoodat het door alle

kamers weerklonk:

„Sta stil! Handen in de hoogte!” terwijl hij zijn revolver tweemaal

afschoot.

Daarop fluisterde hij tot Charly Brand:

„Schreeuw, alsof je een ambtenaar van politie was en volg mij!”

Als vluchtende snelde Raffles nu door de kamers tot de bibliotheek, op

zijn weg stoelen en tafels omverwerpend.

Toen hij het raam der bibliotheek had bereikt, schreeuwde hij naar

buiten:

„Vlucht Jacq. De politie heeft ons overvallen. Zij hebben Jim

doodgeschoten!”

Bij die woorden sprong hij uit het raam en was verdwenen in de

duisternis.

In het volgende oogenblik snelde Charly Brand, verkleed als

politiebeambte, de bibliotheek binnen en riep een luid „Halt!” Hij liep

naar het raam en vloekte op woedenden toon:

„Vervloekt! De schurk is gevlucht, dat bezorgt mij een standje van den

inspecteur!”

Hij sloot het raam en om den tijd te dooden, totdat Raffles terug zou

komen, draaide hij het electrische licht in de kamer op en begon alles

door te zoeken.

„Aha!” riep hij uit, „zij hebben het zilver van de kast weggenomen.”

Daarop liep hij naar de deur en riep, alsof hij tot iemand sprak:

„Kapitein, de kerel is gevlucht!”

„Neen,” riep Raffles terug, die zich in dezen korten tijd had verkleed

als inspecteur van politie. „Wij hebben het geheele huis omsingeld,

niemand kan ontsnappen.”

Kort nadat hij deze woorden gesproken had, trad hij de bibliotheek

binnen en sprak:

„Wij zullen alles doorzoeken. Het moet een geheele bende zijn.

Revolvers gereed houden!”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of van achter het fluweelen

gordijn kwamen McIntosh en Tom te voorschijn, een poging doende om door

het venster te vluchten.

„Halt!” riep Raffles, hun zijn revolver voorhoudend, „hier hebben wij

twee schurken van de bende.”

Door vrees voor de uniformen en de op hen gerichte revolvers gaven de

beide schurken zich zonder tegenstand over.

Raffles legde hun de boeien aan.

„Beste Scotland-Yard-armbanden,” schertste hij, „van uitstekend

Dublinsch staal gemaakt. En nu vooruit!”

Hij greep McIntosh bij den arm, terwijl Charly Brand Tom’s polsen

beetpakte.

Daarop brachten zij het tweetal de straat op.

Toen zij buiten waren, sprak Tom:

„Weet gij, inspecteur, dat gij een betere vangst daar in huis hadt

kunnen doen, dan ons mee te nemen?”

„Dat geloof ik niet,” antwoordde Raffles.

„Maar ik wel,” sprak Tom, „in dat huis woont Raffles, de meesterdief,

dien gij al zoo lang zoekt!”

„Je bent gek, kerel,” lachte Raffles, „in dat huis woont de ouder

professor Morton, dien ik heel goed ken. En nu je mond houden!”

Toen riep Tom, met een woedenden blik op McIntosh:

„Ik zei je dadelijk, dat je je wel zoudt vergissen. Nu breng je mij ter

wille van een ouden professor naar Scotland Yard.”

McIntosh knarste met de tanden.

Geis moest hem hebben voorgelogen, of Raffles had Geis iets op den mouw

gespeld.

Het spel was verloren.

Toen zij den naasten politiepost hadden bereikt, maakten zij halt.

Raffles gaf zijn gevangenen aan de beambten over:

„Ik heb een jacht op inbrekers gehouden voor Scotland Yard, neem een

berichtje van mij mee. Breng deze mannen aan inspecteur Baxter. Weest

voorzichtig, het zijn sterke kerels!”

Hij scheurde een blad papier uit zijn notitieboekje en schreef een

briefje. Dat sloot hij in een couvert en gaf het aan een der beambten,

die het bij zich stak.

„Maak dadelijk gebruik van de wapens”, riep Raffles tot de zich

verwijderende mannen, „als gij merkt, dat de jongens willen vluchten!”

Een half uur later werden, tot groote verbazing van inspecteur Baxter,

de beide gevangenen bij hem binnengebracht.

Baxter opende het briefje van zijn collega en las:

„Inspecteur Baxter! Ik heb u moeten vertegenwoordigen. Ik zend u

als resultaat van mijn werk deze beide inbrekers. Gij zult in den

een een lang gezochten, ouden bekende terugvinden. Hij was de

medeplichtige van onzen vriend Mr. Geis.

Met collegialen groet!

Raffles.”

„Wat?” lachte Marholm, „stuurt Raffles die twee?”

„Ja”, antwoordde Baxter, „Raffles!”

Toen McIntosh dit hoorde werd hij bijna krankzinnig van woede en brulde

hij als een bezetene.

Raffles echter zat in zijn gezellige studeerkamer en amuseerde zich

over zijn laatste werk, terwijl Charly Brand het zilver weer op zijn

plaats borg en met leedvermaak constateerde, dat het eenige deuken had

gekregen.

Lord Lister No. 0025: De bankdirecteur · 第 17 / 17 题