EEN SCHURKACHTIG VOORSTEL.

Zoodra Raffles afscheid had genomen, verontschuldigde Mr. Geis zich bij

de dames wegens een plotselinge ongesteldheid en, zonder het eind der

voorstelling af te wachten, begaf hij zich naar zijn hotel.

Hij woonde in het Savoye Hotel en had daar een reeks vorstelijk

ingerichte vertrekken in gebruik.

Hier wachtte zijn kamerdienaar McIntosh op hem, een Ier van geboorte,

die hem, toen hij de kamer binnentrad, zijn pels afnam.

McIntosh had een afschuwelijk uiterlijk. Hij kon ongeveer 40 jaar oud

zijn, zijn breed gelaat was ontsierd door de pokken en een groot

litteeken, waarschijnlijk afkomstig van een sabelhouw, liep dwars over

zijn voorhoofd.

Deze man was de vertrouwde van Mr. Geis. Hij had hem in Australië

leeren kennen en hij was minder zijn kamerdienaar dan wel zijn

medeplichtige.

Twintig jaar geleden wegens diefstal en moord uit Engeland naar

Australië verbannen, was hij daar uit de strafkolonie ontvlucht.

Hij zou stellig weer in handen der Engelsche politie zijn gevallen, als

hij niet zijn toevlucht had gevonden in een kleine mijnonderneming, die

beheerd werd door Mr. Geis.

Toen hij de pelsjas had aangenomen, sprak Mr. Geis tot hem:

„Kom in mijn studeerkamer, ik heb belangrijke zaken met je te

bespreken.”

Samen begaven zij zich naar het laatste der rij vertrekken, dat als

studeerkamer was ingericht.

„Ik heb,” zoo begon Mr. Geis, „hedenavond iemand weergezien, een

vroegeren Lord, van wien ik veronderstel, dat hij mij een gloeienden

haat toedraagt wegens iets, dat tien jaar geleden is gebeurd. Die

blijkbaar onbeduidende jonge man is intusschen een gevaarlijk

misdadiger geworden.”

„Dus een collega,” lachte McIntosh. „Wil de kerel jou verraden?”

„Ik ben er bang voor,” antwoordde Mr. Geis, „dat de schurk mij op de

een of andere manier zal benadeelen om zich op mij te wreken. En dat

zou, nu wij zulke groote zaken op touw willen zetten, onze ondergang

zijn.”

„De duivel hale den hond”, sprak McIntosh, zijn groote vuisten

ballende, „waar is hij? Ik zal hem opzoeken en hem zijn hersens

inslaan, opdat hem voor eeuwig de lust vergaat, om je te verraden.”

„Wij moeten zeer voorzichtig met hem zijn,” antwoordde Mr. Geis, „hij

is een der gevaarlijkste en geslepenste menschen, die er bestaan.”

„Je maakt mij nieuwsgierig,” sprak McIntosh, „hoe heet hij?”

„Het is Raffles!”

„Raffles,” herhaalde McIntosh, terwijl zijn oogen bijna uit hun kassen

traden van verbazing, „Raffles? Verduiveld! Hoe komt het, dat je dien

meesterdief kent?”

„Dat is een lange geschiedenis,” antwoordde Mr. Geis op ontwijkenden

toon, „die ik je bij een volgende gelegenheid uitvoerig zal vertellen.

Laat ons nu een plan samenstellen, hoe wij dien kerel uit den weg

kunnen ruimen, zonder dat iemand merkt, dat ik de hand in het spel heb

gehad.”

„Voor alles moeten wij weten, waar hij zich bevindt,” antwoordde

McIntosh.

„Dat zullen wij reeds morgen weten,” sprak Mr. Geis, „want ik heb hem

tegen elf uur morgenochtend bij mij ontboden.”

„Dan hebben wij morgen immers een prachtige gelegenheid, dat zaakje op

te knappen.”

„Neen!” viel Mr. Geis uit, „ik heb je immers gezegd, dat hij niet mag

merken in mij een vijand te hebben. Wij moeten iets heel bijzonders,

iets vernuftigs bedenken om den knaap onschadelijk te maken.”

Bijna een uur lang broeiden zij samen op een plan, eindelijk wreef

McIntosh zijn groote, lompe handen vergenoegd en riep uit:

„Dit plan is prachtig! Op dat eiland woont niemand en wij zullen er hem

zeker naar toe kunnen lokken.”

Den volgenden morgen om 11 uur kondigde de oberkellner bij Mr. Geis het

bezoek aan van een bankier John Govern.

Eerst wilde Mr. Geis hem niet ontvangen, omdat hij Raffles verwachtte.

Maar omdat het een bankier was, die hem wenschte te spreken, gaf hij

den oberkellner bevel den heer binnen te laten.

Een oude heer met voornaam uiterlijk, die, door de jicht geplaagd, zich

van twee krukken bediende, kwam met moeite de kamer binnen en keek Mr.

Geis door zijn gouden bril scherp aan.

„Wil u plaats nemen?” vroeg Mr. Geis. „Wat wenscht u van mij?”

De vreemdeling ging zitten en sprak kuchend:

„Gij kent mij waarschijnlijk niet meer, Mr. Stein.”

Mr. Geis, of liever Stein, zooals hij zich nu noemde, verbleekte en

keek den onbekenden heer eenige seconden lang onderzoekend aan. Maar

hij kon zich niet herinneren, den ouden heer ooit ontmoet te hebben.

„Het is meer dan tien jaar geleden,” sprak Mr. Geis, „dat ik Londen heb

verlaten en in het buitenland vergeet men op den langen duur zijn

vroegere bekenden. Hoe was ook weer uw naam?”

„John Govern,” kuchte de onbekende. „John Govern, makelaar en bankier.”

Mr. Geis kon zich met den besten wil niemand van dien naam herinneren.

Maar om den ander niet onaangenaam te zijn, huichelde hij het

tegendeel.

„Zeker, zeker. Wij hebben elkaar dikwijls op de beurs ontmoet.”

„Dat nu juist niet,” lachte de vreemdeling, „daar hebben wij elkaar

nooit getroffen.”

„Laat mijn geheugen mij dan zóó in den steek?” antwoordde Mr. Geis.

„Dat schijnt zoo,” sprak de grijsaard, nog steeds glimlachend.

„Maar ik herinner mij,” sprak Mr. Geis, „dat wij dikwijls samen zaken

dreven.”

„O ja,” antwoordde de ander, „in tamelijk groote ondernemingen. Alleen

met dit verschil, dat ik in die dagen bijna geen verstand had van

zaken.”

Mr. Geis werd zenuwachtig. Hij wist niet, waar de vreemdeling heen

wilde.

Wie was deze onbekende? Wat wilde hij van hem?

Hij besloot daarom, zijn bezoeker een rechtstreeksche vraag te stellen

en sprak:

„Wilt gij mij mededeelen, wat u tot mij voert?”

„Gij schijnt zeer vergeetachtig te zijn, Mr. Stein,” antwoordde de oude

heer met een spottend lachje, „gij hebt mij zelf voor deze samenkomst

uitgenoodigd.”

Mr. Geis riep met een verbaasd gelaat uit:

„Wie noodigde u uit? Ik?”

„Ja zeker, gij zelf!” antwoordde Mr. Govern, „gisteravond in het

Garrick-theater hebt gij mij gevraagd, heden om 11 uur bij u te komen

in uw hotel.”

„Ik ben wel in het Garrick-theater geweest,” antwoordde Mr. Geis, „maar

ik herinner mij niet u te hebben gesproken.”

„Gij maakt mij een groot compliment, Mr. Geis,” sprak de onbekende, hem

bij zijn waren naam toesprekende, „mijn vermomming moet uitstekend

zijn, als een oude zakenvriend, zooals gij, mij niet herkent.”

Mr. Geis was bij deze woorden van zijn bezoeker vol verbazing opgestaan

en keek den ouden heer aan, alsof hij een spook voor zich had.

Eindelijk, na meerdere seconden, stamelde hij:

„Zijt gij het werkelijk, Lord Lister?”

„Ja,” lachte deze. „Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles, de

groote onbekende, doet u de eer aan, u een bezoek te brengen.”

„Drommels, dat is een verrassing! Uw vermomming is schitterend gelukt.

Ik zou er tien eeden op hebben gedaan, dat gij niet Lord Lister waart,

maar inderdaad degene, voor wien gij u uitgaaft. Gij zijt werkelijk,

zooals de couranten melden, een geniale meester!”

„Laat ons daarover zwijgen,” sprak Raffles, die een afkeer had van

loftuitingen, „deel mij mede, wat gij van mij wenscht!”

„Voor alles, mijn lieve vriend,” begon Mr. Geis, „moet gij mij

toestaan, dat ik een lunch voor ons beiden laat opdienen.”

„Geef u geen moeite,” antwoordde Raffles, „ik gebruik bij andere

menschen, zelfs bij zeer goede bekenden, uit principe nooit iets. Het

eenige, wat ik mijzelf gun, is een cigarette.”

„Gij zijt een merkwaardig mensch,” merkte Mr. Geis op, „een zeer

merkwaardig mensch. Meent gij soms, dat ik u iets schadelijks zou

voorzetten?”

Raffles haalde de schouders op en sprak:

„Zijt gij bij de bereiding der spijzen tegenwoordig?”

„Dat niet,” antwoordde Mr. Geis, „maar neem mij niet kwalijk, Lord

Lister—”

„John Govern,” viel Raffles hem in de rede.

„Juist! Neem mij niet kwalijk, Mr. Govern, maar dat grenst aan

vervolgingswaanzin.”

„Welneen!” lachte Raffles, „dat is alleen een principe, dat bij mijn

sport behoort en ik ben juist in staat, die sport zoo veilig uit te

oefenen, omdat ik nooit den voornaamsten regel uit het oog verlies.”

„En die is?” vroeg Mr. Geis met gespannen aandacht.

„Ik wil u, als oud vriend, mijn geheim gaarne toevertrouwen”, sprak

Raffles. „Deze regel luidt:

„Voel je altijd bedreigd!”

„Een zeer vreemde stelregel!” vond Mr. Geis. „Sta mij dan tenminste

toe, Mr. Govern, dat ik u een cigarette aanbied.”

„Ook daarvoor moet ik bedanken,” wees Raffles met een fijn glimlachje

af, „ik ben gewend aan mijn eigen merk. Een zeer lichte, uitstekende

cigarette. Ik zal u het merk noemen: Gibson Girl! Gij staat mij zeker

wel toe, dat ik er een van opsteek?”

„Ik verzoek het u zelfs!” antwoordde Mr. Geis en hij zag, hoe Raffles

uit een kostbaar, gouden cigarettenétui, dat versierd was met een

prachtig wapen, samengesteld uit diamanten en robijnen, een cigarette

nam.

„Ik zie, dat gij een prachtig étui bezit,” sprak Mr. Geis, „dat moet

zeer kostbaar zijn.”

„Een souvenir aan mijn ontmoeting met een Russischen grootvorst in

Monte Carlo.”

„Een geschenk?” vroeg Mr. Geis met een spottend glimlachje.

„Neen,” klonk het uit den mond van Raffles, „dat zou in strijd zijn met

mijn beroep als sportsman. Ik koop nooit iets en laat mij ook nooit

iets ten geschenke geven. Bij mijn sport zijn dergelijke dingen

overbodig; alle mogelijke zeldzaamheden komen in mijn handen.”

„Een wonderlijk beroep, wat gij uitoefent,” antwoordde Mr. Geis en voor

het eerst kwam eenige twijfel in hem op, of het hem ooit zou gelukken,

dezen meesterdief in de val te lokken.

„Mijn tijd is beperkt,” sprak Raffles, „ik verzoek u, mij te willen

meedeelen, wat gij gisteravond hebt bedoeld.”

„Goed,” sprak Mr. Geis, terwijl hij tegenover Raffles in een fauteuil

plaats nam. Hij stak ook een sigaret aan en, nadat hij eenige

oogenblikken zwijgend had gerookt, begon hij:

„Gij kent de Lincoln-Bank”.

„Tot dusverre alleen van buiten,” schertste Raffles, „maar het zou

kunnen zijn, dat ik, nu gij er mij opmerkzaam op hebt gemaakt, de Bank

en den inhoud van haar brandkasten eens van binnen ga bekijken. Maar ik

vrees, dat mijn bezoek nauwelijks de moeite zal loonen, nu ik weet, dat

gij directeur zijt.”

„Gij vergist u” antwoordde Mr. Geis, „de Lincoln-Bank is voornamelijk

de spaarbank van kleine kooplui en arme menschen. Wij bezitten bijna

drie millioen pond baar, die in onze brandkasten bewaard worden. Een

bezoek zou dus wel de moeite waard zijn, en in deze beteekenis van het

woord, om het kortweg te zeggen, stel ik u voor uit deze deposito’s een

gedeelte van uw verloren kapitaal terug te halen.”

Raffles keek bij deze woorden met half-gesloten oogen naar Mr. Geis.

Zijn trekken verrieden schijnbaar groote onverschilligheid, maar Mr.

Geis zou geen woord verder gesproken hebben, als hij de gedachten van

zijn tegenstander had kunnen raden.

„De duivel hale je,” dacht Raffles bij zichzelf, „die kerel schijnt

zijn schurkenstreken om kleine lui hun spaarduiten te ontstelen nog

niet te hebben afgelegd. Een gevaarlijk sujet!”

Intusschen antwoordde hij op vriendelijken toon:

„Voor den drommel! Mr. Geis, dat zou een weldaad zijn, als ik eindelijk

een deel van mijn geld terug zou krijgen, ik kan het juist zoo goed

gebruiken.”

„Ik ook,” sprak Mr. Geis lachend. „En dat is juist het doel van mijn

komst naar Londen. Ik heb bij eene speculatie zeer veel geld verloren

en hoop het daardoor terug te krijgen. Ik denk, dat wij beiden, als wij

eerlijk tegenover elkaar zijn, spelenderwijze eenige millioenen kunnen

verdienen.”

Raffles rookte en antwoordde:

„Aan mijn eerlijkheid zult ge zeker niet twijfelen. Deel mij het plan,

dat ge hebt, mede; voor mij bestaan bij de uitoefening van sport geen

hinderpalen.”

„Luister dan,” sprak Mr. Geis.

„Ik zal u over 14 dagen, nadat ik de leiding der bank heb overgenomen,

als procuratiehouder der bank aanstellen. Als zoodanig hebt gij de

sleutels der schatkamer in bewaring. Gij zult binnen korten tijd, op

een nacht, voorzien van de sleutels der bank, de brandkasten openen, en

met den gezamenlijken inhoud er vandoor gaan, d.w.z. gij zult in mijn

auto met het geld naar mijn villa in Brighton rijden, waar ik op u

wacht. Dan deelen wij den buit. Ik zal u daarop zoolang in mijn villa

verbergen, totdat de politie gekalmeerd is. Ik zelf echter blijf op

mijn post en leid de zaken der bank als haar directeur verder. Is dat

niet een voortreffelijk idee?”

„Een schitterend plan!” antwoordde Raffles vol vuur, terwijl hij

opsprong, „hier hebt gij mijn hand, wij voeren het samen uit.”

„Bravo”, lachte Mr. Geis, terwijl hij Raffles vriendschappelijk de hand

drukte, „en nu willen wij het zaakje met een flesch wijn bezegelen.”

„Het spijt mij,” sprak Raffles, „daaraan doe ik niet mee.”

„Allright,” antwoordde Mr. Geis, „zooals ge wilt. Maar vóór alles moet

ge mij uw adres opgeven; ik moet u een bericht kunnen zenden, zoodra

het zoover is.”

„Dat luidt—John Govern, Regent Park 13,” was het antwoord van Raffles,

„het is mijn vaderlijk huis, maar niemand weet, dat ik daar woon.”

Toen de bezoeker verdwenen was wreef Mr. Geis z’n handen en was

uitermate tevreden.

„Zoo, mijn waarde Lord,” sprak hij tot zichzelf, „nu heb ik je in elk

geval te pakken. Als McIntosh je om zeep brengt, des te beter, dan zal

deze man van eer als procuratiehouder de gelden voor mij stelen. Mocht

echter McIntosh bij dit zaakje zijn leven laten, dan zal ik blij zijn,

eindelijk van hem verlost te wezen, en dan zal Raffles mij de

deposito’s in handen spelen. Twee vliegen in één klap.”

Lord Lister No. 0025: De bankdirecteur · 第 6 / 17 题